Bekijk het origineel

Aanteekening op Psalm 77, (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Psalm 77, (Slot.)

15 minuten leestijd

Yers 11. D a a r n a z e i d e i k , — tegen al deze vreeselijke gedachten in •—: d i t k r e n k t m i j ; — hoe zeer smart het mij, dat ik mijnen beschuldigers thans niets weet te antwoorden ; maar laten toorn, verbolgenheid en gericht, angst en benauwdheid over mij heengaan, alle duivelen op mij aanstormen, terwijl ik ternederlig en mij aan niets meer kan oprichten, — God zal nochtans God blijven. "Wilde Hij mij ook dooden, zoo zou ik nochtans op Hem hopen. — De R e c h t e r h a n d , — Ps. 110 : 12; Hebr. 1 0 : 1 2 en 13; 9 : 24—28; 4 : 14 en 15, — D e s A11 e r h oo g s t e n , — Hij is toch hooger dan al wat hoog heet in hemel en op aarde. (Ps. 29: 10; Ef. 1 : 20 en 21; Hebr. 7 : 25 en 26.) — V e r a n - d e r t ; aldus naar liet Hebreeuwsch; Luther heeft: „kan alles veranderen". Mal. 3 : 6 : „Want Ik, de Heere, word niet veranderd : daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd." Zie ook Ps. 89 : 35. — „Kan," — goed gezegd van Luther! — en wil, en zal. — „Alles," — goed gezegd van Luther! — j a alles; alle dingen kan Hij mij ten beste keeren. — „Veranderen" ; — dat is ook mijn bidden, dat Hij den grendel Zijns toorns moge wegdoen van de deur der genade, van de rijke bron Zijner barmhartigheid, tot welke ik eertijds toegang had; en nu ik daaraan denk, vang ik aan, te zeggen: de Hoogepriester Christus zit niet tevergeefs aan de Rechterhand der Majesteit in de hemelen. Verdraag, mijne ziel, eenen kleinen tijd den toorn en de roede; het zal anders worden, zoo zeker als Christus leeft en onze Voorspraak is. Door Hem zijn wij altijd uitgeholpen, wanneer het met ons eene volkomen afgesneden zaak was.
Vers 12. Ik zal de d a d e n des H e e r e n gedenk e n , — de daden van Hem, Die steeds Dezelfde is, Die den grond des heils gelegd heeft, en Die der ziel leven en ruimte uit de benauwdheid geeft Ik kan niet vooruit; ook mag ik Hem tijd noch wjjze voorschrijven; elke komende minuut behoort Hem. Derhalve achterwaarts gezien op den afgelegden weg! Gij zijt toch niet zonder Hem tot hiertoe gekomen. En zal Hij niet nog doen, wat Hij vroeger gedaan heeft? Houd aan, houd aan! Immers heeft Hij vroeger niet alleen met woorden, maar ook met werken, die ons begrip en onze verwachting verre te boven gingen, getoond, dat Hij nu eens van verderf, dan weer van verlossing spreekt, — en de verlossing is er in een oogenblik. — J a ik zal g e d e n k en U w e w o n d e r e n v a n o u d s h e r . J a , — ook al roepen het beschuldigende geweten en al de vijanden mijner ziel n e e n , zeggende: „Hij zal u niet meer genadig zijn, u niet meer helpen, het is te erg, gij behoeft hier aan geene hulp te denken". — I k zal g e d e n k e n , — denk Gij er dan ook aan, o mijn Koning en mijn God, mijn vaste Burg en mijn Verlosser! — U w e , — zij waren immers zoo, dat de vijanden moesten erkennen: dat heeft God gedaan, dat is Gods vinger, dat is Gods genadige hand over hem! — w o n d e r e n v an o u d s h e r , — wonderen van genade, wonderen van uitredding, wonderen, waarmede God mij verraste, als ik zulks allerminst verwachtte, — bij mij, bij de mijnen, bij Uw gansche volk van ouds lier. Hoe hebt Gij daardoor van den beginne af Uwe macht en Uwe liefde verheerlijkt! — Genezing was er door het zien op de koperen slang, manna kwam van den hemel, water stroomde uit de steenrots; het stuk muur, waarop het huis stond van Rachab, de hoer, stortte niet neder, en Naomi (liefelijkheid), — neen, niet Naomi, maar Mara (bitterheid), — was nochtans Naomi. (Ruth 1.) En gij zult zeggen tot degenen, die Lo-Ammi, „niet Mijn volk", waren : Gij zijt Mijn volk, — en dat zal zeggen: O mijn God! (Zie Hos. 2 : 22.) Zoo wordt de hoop weder levend. — Wonderen krijgt nog heden het kinderlijk geloof te aanschouwen. Is niet het merkwaardige verband en samenstel der dingen een wonder ?
Vers 13. En z a l al Uwe w e r k e n b e t r a c h t e n . — Den dooden hebt Gij weder leven, den zwakken moed en kracht gegeven. — In stille overdenking bepeins ik, hoe Gij aanvangt, welke middelen Gij U weet te verschaffen, en hoe Gij van het begin tot het einde alles zoo laat komen, dat Uwe kinderen in de diepte hunner verlorenheid wegzinken, om hun in hunne diepte tot hunne eeuwige zaligheid te openbaren, hoe Gij het verstaat, hen 'uit de diepte op te brengen, Uwe kracht in_ hunne zwakheid machtig te laten zijn, hen hoog boven eiken nood te zetten, en hunne vijanden in de buitenste duisternis te werpen. — En van Uwe d a d e n s p r e k e n. O, hoe menigmaal stond alles op het spel, stond alles hopeloos, en nochtans, hoe heerlijk, hoe verrassend was Uwe hulp! Ja, zoo is Uw doen. Gij helpt, waar niets meer helpen kan.
Vers 14. O God! Uw weg is in h e t h e i l i g d o m. Hoe zou ik aanmerking maken op de wijze, waarop Gij Uwe werken ordent, hoe Gij ze U laat dienen, van welke middelen Gij U tot deze ordening en regeering bedient, welke wegen Gij gaat? ('Zie Ps. 22 : 4 ; Jes. 55 : 7 — 11.) Mijn weg, dien ik U zou willen opdringen, voert gewis ten verderve, Uw weg voert slechts schijnbaar ten verderve, maar gewis ten heil, maar gewis eindelijk tot eeuwige blijdschap. Spreek, Heere, want Uw knecht hoort: Mijn zoon, geef Mij uw hart, en laat uwe oogen Mijne wegen bewaren. Uw weg is in het heiligdom : opdat ik mijne zonde, schande en onverstand recht erkenne, en dan ga over mij op de heerlijkheid van den genadetroon, de heerlijkheid des Heeren Jesus, om mij te bedekken, en te redden van den toekomenden toorn. — W i e is e e n g r o o t God, g e l i j k G o d ? Dit zeg ik in weerwil van den duivel, die mij in het oor blaast: „Laat varen, geef het geloof prijs, gij hebt niets te hopen; voor u is er geen God, geene waarheid. Houdt gij nog vast aan God? — Zegen God en sterf. Er is hier geen helper, geene genade noch eere voor u". — O, Gij Almachtige, Gij sterke God Israëls! Waar is zulk een God als Gij? Gij kunt mij wel rust in mijne beenderen geven, door Uwe algenoegzaaraheid, Gij kunt wel zonde, nood en doodsangst van mij nemen, en mij van alle kwaad verlossen. Dat kunnen alle andere machten toch niet! (Zie Miclia 7 : 18.)
Yers 15. G i j z i j t die God, Die w o n d e r doet. (Vergel. Ex. 15 : 11.) Slechts zoo, en niet anders openbaardet Gij U te allen tijde aan Uw volk. — Zoo het naar het gewone beloop der dingen ging, gelijk het in de wereld toegaat, wie van ons zou op U en Uwe genade hopen! Dewijl Gij echter een God zijt, Die wonderen doet, zoo verleen mij de genade, op U als op zulk eenen God met vertrouwen te wachten, en niet aan Uwe genade en hulp te vertwijfelen. — G ij h e b t Uwe s t e r k t e b e k e n d g e m a a k t o n d e r de volk e n , — en zulks, als zij zich beroemden, zeggende: „Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden !" (E«ecli. 36 : 2.)
Yers 16. Gij h e b t Uw v o l k d o o r U w e n a r m verl o s t , — als een bloedvriend en bloedwreker. Zoo kunt Gij ook nu nog wel verlossen. (Zie Jes 54 : 11 —171'.) — „Uw volk" — niet Ismaël, niet Edom — De k i n d e r e n v an J a k o b, — kinderen van hem, die in het aangezicht van den dood en van alle vijanden tot den Heere riep: „Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere!" en in Uwen Naam zegende met den zegen, dien hij worstelende verkregen had; dat zijn kinderen, die in zichzelven vloekwaardig waren. — E n van J o z e f . Zie Gen. 48 : 16; 50 : 24 en 25; Hebr. 11 : 22. Jozef in de gevangenis, verhoogd in het land zijner ellende! Jakob, de bezitter van het beloofde land, in Egypte; de kinderen door Paraö hard geplaagd, zonder uitzicht op vrijheid, — nochtans; Ps. 79: 11 en 13. — S e l a . Hier eene pauze. Overdenk dat nog eens en nog eens, o mijne bedroefde ziel!
Yers 17. De w a t e r e n z a g e n U, o G o d ! de w a t e r en z a g e n U, zij b e e f d e n ; ook w a r e n de a f g r o n d en b e r o e r d . — „De wateren" — der onstuimige Roode Zee; geen uitweg voor het arme volk, noch ter rechter-, noch ter linkerhand; achter hen de vijand en dus de weg ook toegesloten. Zij moesten voorwaarts, maar hier is niets dan water, — nu moeten zij nog het water in! Hier komen wij allen om! Neen, toch niet. — Maar de met verderving dreigende wateren ? Moeten wij door deze heen? Is dit de weg? — De Heere heeft hemel en aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is. — Zij „zagen U", — toen Gij, Almachtige! voor Uw volk heentoogt in de wolk- en vuurkolom. — „O God!" — Wie of wat kan U weerstaan? — „De wateren zagen U", — ja, U zagen zij. Waart Gij het niet geweest, voor het volk zouden de wateren zich niet gedeeld hebben. Ach, dat wij in den nood zoo blind zijn, om niet te zien, wat de wateren zagen. — „Zij beefden" (vergel. Ps, 114: 3 en 5), — geljjk de bel en de dood, toen Christus van de dooden opgestaan was. En zij, die ons thans zoo verschrikken, dat wij voor ons leven vreezen, hoe zullen zij andermaal beven, wanneer Gij U zult opmaken, om ons te verlossen. — „Ook waren de afgronden beroerd." Ontzet u toch niet te zeer, o mijne ziel, wanneer alles om u heen raast! De afgronden moeten u, hunnen buit, loslaten, en uwen wederpartijder opslokken! — Wegen heeft God overal, aan middelen ontbreekt het Hem niet.
Yers 18. De d i k k e w o l k e n g o t e n w a t e r u i t ; de b o v e n s t e w o l k e n g a v e n g e l u i d ; ook g i n g e n Uwe p i j l e n d a a r h e n e n . Gij meent, dat alles tegen u is? Vrees niet, het geldt den vijanden uwer ziel. Alles voor u. (Ps. 32 : 6 ; Nahum 1.)
Vers 19. Het g e l u i d Uws d o n d e r s was in het r o n d e ; de b l i k s e m e n v e r l i c h t t e n de w e r e l d . (Vergel. Ps. 18 : 7 —11.) Gij zijt intusschen wel bewaard in uws Vaders schoot, al ziet gij ook niets dan deze beroering der elementen, en meent, dat dit alles tot uw verderf is. Wanneer God Zich opmaakt, dan gaan Zijne paarden door hot diepe slijk. (Zie Hab. 3, 8, 13 en 15.) Alle elementen : de rollende donder, de bliksemschichten, plasregens en stormwinden, ook oorlog, honger en pestilentie, dat alles is des Heeren krijgstuig tot verlossing van Zijn volk, zelfs van eenen enkele, dien Hij Zich uitverkoren heeft. (Zie Ps. 148 ) — „In het ronde", Hebreeuwsch : in den wervelwind, die het leger van Paraö ophief en door elkander wierp als kaf. — De a a r d e w e r d b e r o e r d en d a v e r d e . Dat zal zij nog altijd moeten doen, wanneer de Heere Zich opmaakt tot uw heil met Zijn woord van het kruis: „Het is volbracht!" en: „Vader, in Uwe handen beveel ik Mijnen geest". Laten wij dan vreezen, eeren en liefhebben Hem, Die alleen te vreezen, Die alleen alle eer en onze liefde waardig is!
Vers 20. Uw weg was in de z e e , — en is zulks nog altijd. (Zie Jes. 43: 2; Zach. 10: 11.) Gij bereidt den weg voor U heen, waar geen weg is. — E n Uw p a d , — waarop Gij Uw volk nog houden moest, opdat het er niet afviel. — I n g r o o t e w a t e r e n . Daar gaat men toch door de diepte, met groot gevaar en ontzetting, door enkel diepten en oneffenheden, — nochtans baandet Gij daar Uw volk een effen pad! (Zie Ps 6 6 : 8 —12.) — En Uwe v o e t s t a p p e n w e r d en n i e t b e k e n d . Wie kon zeggen, welken weg Gij met Uw volk gegaan waart, toen de wateren wedergekeerd waren ? I Zelfs den weg moeten de vijanden niet vinden, — zoo zeker leidt Gij Uw volk. (Vergel. Jes. 45: 5.) Voorwaar Gij zijt een God, Die in donkerheid woont. Die Zich verborgen houdt, — nochtans, ja juist zóó, de God Israëls, de Verlosser Israëls. Gij hieldt voor Uw volk verborgen, hoe Gij het leiddet: Gij deedt het zoo, dat de weg door de zee een gewone gebaande weg scheen te zijn; Uw volk moest zelfs het gevaar niet vermoeden, — het zou niet geloofd hebben, dat Gij de wateren zoo kondt houden, dat hun die tot muren waren, en dan zou het zijnen voet teruggetrokken hebben; ook de vijand moest niets vermoeden van het gevaar, dat hij met zijn schijngeloof trotseerde. Dezen weg door de Roode Zee heeft geen mensch gevonden. De weg ligt ook nu nog niet anders voor het volk Gods.
Vers 21 Gij l e i d d e t Uw v o l k , als e e n e k u d d e, d o o r de h a n d van Mozes en Aiiron. — „ G i j " , - - j a Gij. En dat doet Gij nog. — „Leiddet", — langzaam en zeker. (Vergel. Ps. 23; Gen. 33: 14; Jes. 40: 11; 10: 11 en 12; 60 : 13; 42 : 3; Deut. 32 : 10 en 11.) — „Uw volk": Ps. 100. — „Als eene kudde" van schapen, die gewis te dom zijn, om zonder herder eene goede weide of den stal te vinden. (Zie Jcs. 53: fi; Ps. 119 : 176; 78: 52 en 53.) — „Door de hand van Mozes en Aaron", — door wet en genade.
Daarom, hoe meer ik dit alles bedenk: tot God geroepen! tot Hem wil ik mijne stem opheffen. Ja, tot God geroepen! Alle andere macht is immers ijdel gebleken. Hij zal het oor tot mij neigen. Welaan, dan niet aan Zijne genade vertwijfeld! De oude, trouwe God leeft nog, en Christus sterft niet.
Hij kan en wil en zal in nood,
Zelfs bij het nad'ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
10 September 1859. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Psalm 77, (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken