Bekijk het origineel

Verklaring van Jesaia 53 : 7 en 8.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Jesaia 53 : 7 en 8.

21 minuten leestijd

Als dezelve geëischt werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijnen mond niet open: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij Zijnen moud niet open. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijnen leeftijd uitspreken? want Hij is afgesneden uit het land der levenden : om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.

In deze weken komt de Gemeente des Heeren samen, om in hare bijeenkomsten meer opzettelijk hare aandacht te bepalen bij het lijden van haren dierbaren Zaligmaker in de dagen Zijns vleesches.
Als wij nu het verhaal van dit lijden slechts als een geschiedkundig tafereel aanmerken, dan hebben wij zeker meer aan de eenvoudige lezing, dan aan eene geleerde uiteenzetting. Maar wij hebben heel de historie van het lijden onzes Ileilands op de aarde te betrachten als van het lijden onzes Heeren Jesu9 Christus, Die, n a d a t H i j de r e i n i g m a k i n g onz e r z o n d e n door Z i o h z e l v e n h e e f t t e w e e g g e - b r a c h t , is gezeten aan de Rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen.
Alzoo, zij toont ons aan, welk eenen arbeid, welk eene moeite wij Hem met onze zonden veroorzaakt hebben, en hoe Hij nochtans over zonde, dood, wereld en hel gezegevierd heeft en Zijnen volke eene eeuwige verlossing heeft teweeggebracht.
Al dat lijden, hoe zwaar ook, heeft Hij willen ondergaan, om in éénheid met den wil van God Zijnen Vader, het eeuwig voornemen der genade te volvoeren, n.m.1. de redding en behoudenis van verlorene zondaars. Zoo predikt ons de geschiedenis van het lijtien van Jesus Christus, dat en hoe Hij, de eeuwige Zoon des Yaders, allen, die Hem gehoorzaam zijn, eene oorzaak der eeuwige zaligheid is geworden; dat Hij is de eenige Middelaar en Hoogepriester, de Borg en Plaatsbekleeder der Zijnen.
I n verband met de geschiedenis overwegen wij dit lijden als v r i j w i l l i g en g e d u l d i g ; w a a r a c h t i g en ontz a g l i j k ; b o r g t o c h t e l i j k e n v e r z o e n e n d.
„ Z i e , Ik kom om Uwen wil te doen, o God!" en „Uwe Wet is in het midden Mijns ingewands." (Ps. 40 : 8 en 9.) Dat is de getuigenis van den Zone Gods, den Gezalfde des Heeren, onzen Heere Jesus Christus. Daarmee betuigt Hij, dat Hij het werk onzer zaligheid naar het welbehagen Gods geheel vrijwillig op Zich genomen heeft. Hij, de Zoon met den Vader één , wil wat de Vader wil. Van eeuwigheid staat Hij bereid ter uitvoering van den eeuwigen vrederaad. Met welgevallen over het voornemen der genade, in liefde tot het heil van eene verlorene wereld, neemt Hij het gewillig en met vreugde op Zich, om den troon Zijner heerlijkheid te verlaten en te komen wonen op deze om der zonde wil ellendige aarde. Hij komt in het vleesch, in onzen van God afgekomen toestand, wordt een Zoon des menschen, gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijne ziel te geven tot eenen losprijs voor velen. Als de ure gekomen is, dat de betaling onzer schuld, d. w. z. de genoegdoening aan Gods gerechtigheid geschieden moest, toen heeft de Christus Zich onder de Wet gesteld, een vloek geworden zijnde voor ons. Zie , dat spreekt de Profeet Jesaia door den Heiligen Geest uit, als hij zegt: „Als dezelve, t. w. de betaling onzer schuld, geëiseht werd, toen werd Hij, n.m 1. Christus, verdrukt". „Zonde gemaakt voor ons", moest Hij door doende en lijdende gehoorzaamheid de eeuwige verzoening aanbrengen, eeuwige verlossing voor allen, die de Vader Hem als loon voor Zijnen arbeid van alle eeuwigheid had toegezegd en geschonken; — de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen; onze zonde, schuld en straf kwamen op Hem; de last van Gods toorn over onze zonden werd op Hem gelegd. Om kort te gaan, het profetische getuigenis: „als dezelve geëiseht werd, toen werd Hij verdrukt", wordt door onzen voortreffelijken Catechismus volkomen juist verklaard in zijn Antwoord op de Vraag : „Wat verstaat gij bij het woordje „geleden"? „Dat Hij aan lichaam en ziel den ganschen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menscheljjke geslacht gedragen heeft; opdat Hij met Zijn lijden, als met het éénige zoenoffer , ons lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verloste en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve." — En nu, hoe v r i j w i l l i g en g e d u l d i g Christus' lijden was, dat getuigt de Profeet, waar hij zegt: „doch Hij deed Zijnen mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting'geleid; en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij Zijnen mond niet open". Ja, Hij, Die in alles de gerechtigheid Gods kwam vervullen, Die steeds en in elk opzicht de eere Zijns Vaders zocht, — Hij heeft uit Zijne eeuwige, vrijwillige liefde jegens Zijn Hem toegezegde erfdeel met zachtmoedigheid en geduld het tegenspreken der zondaren verdragen, en hoon en smaad, het kruis en de schande veracht. Waar Zijne ure gekomen is, de ure om den drinkbeker des lijdens ten bodem toe te ledigen, — daar is de vrijwilligheid Zijner ziel zóó groot, dat Hij met vreugde aanligt aan den disch, om met Zijne discipelen het Pascha te eten. En of ook Zijne jongeren, van welke intussehen één zich opmaakt om Hem door verraad aan Zijne vijanden over te leveren, van dit Pascha in betrekking tot Christus als „het Pascha voor ons geslacht" zóó weinig begrepen, dat zij, hoewel de Ileere er met hen over sprak, van Zijn lijden en sterven geen vermoeden zelfs hadden; hoezeer het gedrag van .ludas Hem ook smarten, hoe diep het onverstand van Zijne overige discipelen Hem ook grieven moest, — Hij had slechts voor oogen den raad en wil Zijns Vaders, opdat Deze verheerlijkt zou zijn. Wat daartegen ook opkwam, of ook niemand Zijn doen begreep, en Hij door allen miskend werd, — geen oogenblik was er in Zijn hart om Zich te onttrekken aan het werk, waartoe Hij in de wereld gekomen was. Met liefde en trouw volhardde Hij in het doen van den wil des Vaders om het verlorene te redden en zalig te maken. Volkomen bereid om voor de Zijnen, die Hij van eeuwigheid heeft liefgehad, in den dood te gaan, deed Hij, — het Lam Gods, Dat de zonde der wereld draagt, — Zijnen mond niet open, maar gaf Zich vrijwillig over, liet Zich als een lam ter slachtbank leiden.
Daar ging Hij naar den hof Gethsémané; aldaar zal Hij Zich in gebed en smeekingen tot God Zijnen Vader sterken voor Zijne laatste lijdensure. Zie, een namelooze angst overvalt Hem Hij. Die in een der Psalmen van Zich g e t u i g t : „Ik ben een worm en geen man", ligt daar als in het stof vertreden terneer. Alle machten der duisternis, alle verschrikkingen der hel bestormen Hem. Bij menschen vindt Hij geenen steun, geene verkwikking zelfs bij Zjjne liefste discipelen, wier oogen bezwaard zijn door slaap en droefheid. En Gods aangezicht is vanwege onze zonden voor Hem verborgen. Hij ondergaat een lijden, zóó zwaar, dat Hij tot driemalen toe Zijnen Vader bidt om wegneming van dezen lijdenskelk, en — toch geen terugtreden, geen vertragen is er bij Hem om den wil des Vaders te volbrengen; „niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt, Mijn Vader!" zoo getuigt Hij.
Zoo deed Hij dan Zijnen mond niet open tegen den wil Zijns Vaders, maar droeg gewillig al wat Hij moest dragen, — en daarop sprak Hij tot Zijne jongeren: „Ziet. de ure is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren". Vrijwillig gaat Hij te gemoet, wat Hem naar den eeuwigen raad ter verlossing van verlorenen geschieden zou. Als de bende, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks, met Judas, den verrader, aan het hoofd, tot Hem naderde, gewapend met zwaarden en stokken, alsof zij eeneii oproermaker, eenen moordenaar zochten, neen, dan doet Hij geene poging om te ontvluchten, — dan slaat Hij niet met één woord, met één wenk heel den wocaten hoop terneer, werpt hen niet in den afgrond, — maar dan nog lieclt Hij het oor van eenen vijand, dien Petrus in vurigen doch verkeerden ijver had gewond; dan bedingt en beveelt Hij vrijheid voor Zijne jongeren, en laat vrijwillig en geduldig Zich grijpen, nemen en binden, en wegvoeren. En als Hij daar gebonden geleid wordt voor den hoogepriester, en straks voor den geheelen Joodschen raad als een beschuldigde boosdoener terechtstaat — Hij, de Onschuldige, — dan z w i j g t en v e r d r a a gt Hij, waar Hij gelasterd en gescholden wordt, en s p r e e k t en g e t u i g t slechts, als het de eere Gods Zijns Vaders geldt en de waarheid en gerechtigheid het vorderen. Doch, om niet verder aan te halen — in al het lijden des Heeren Jesus blijkt het klaar, dat het een vrijwillig en geduldig lijden was; er spreekt Zijne volkomene bereidwilligheid uit, om, niettegenstaande het bitterste en smadelijkste lijden aan lichaam en ziel beide, het werk te voleindigen, dat de Vader Hem gegeven had om te doen. D i t l e e f d e in Z i j n e z i e l : „Alzoo staat er geschreven; alzoo inoet het geschieden, zoo moet de raad Gods vervuld worden. Alzoo wordt het welbehagen Gods in menscheu verheerlijkt en het heil van zondaars volbracht". Waarlijk, hierbij moeten wij in aanbidding wegzinken! Opmerkende de vrijwilligheid der liefde onzes Heeren Jesus Christus, overwegende Zijn lijden als van het onbestraffelijke en onbevlekte Lam, — dan geldt: „Wij aanschouwen het, maar doorgronden het niet". Immers, wat begrijpen wij er van? Wij zijn niet verstandiger dan de discipelen toenmaals. Zoo wij er iets van verstaan, dan is dat door den Heiligen Geest, door Wien geleerd, de discipelen des Heeren naderhand zoo heerlijk van Zijn lijden en sterven getuigd en gepredikt hebben.
Uoor bet licht van den Heiligen Geest geleid, zullen wij dan ook van het lijden des Heeren niet denken, alsof dat eigenlijk voor Hem niets te beduiden had, en alsof dat vanzelf sprak, omdat het moest geschieden, — maar dan zullen wij bedenken, hoe w a a r a c h t i g en o n t z a g l i j k het lijden van den Heere Christus geweest is, — welk eene moeite, welk eenen arbeid wij Hem door onze zonden gemaakt hebben. —
„Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijnen leeftijd uitspreken?" Zoo getuigt de Profeet Jesaia.
De Heere Jesus Christus is dus in den angst en in het gericht geweest; en hiermede worden wij gewezen op het waara c h t i g e en o n t z a g l i j k e van Zijn lijden.
Wij moeten toch niet denken, dat het lijden des Heeren Jesus, Die de Heere uit den hemel is, van weinig beteekenis voor Hem ware. Hij, God geopenbaard in het vleesch, een Zoon des menschen geworden zijnde, is in alles den broederen gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Zoo is Hij dan omhangen geweest met de zwakheid onzes vleesches. Al wat Hij leed, heeft Hij niet, om zoo te spreken, van Zich kunnen afschudden; neen, maar het was een waarachtig lijden, een lijden, dat Hij door en door ge^belde en in al zijne zwaarte en diepte ondervond.
Als wij den Christus in denMessiaanschen Psalm, (Ps. 69), hooren getuigen : „Verlos Mij, o God ! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloozen modder, waar men niet kan staan: Ik ben gekomen in de diepte der wateren, en de vloed overstroomt Mij", enz., of als wij dienovereenkomstig den Apostel Paulus in zijnen Brief aan de Hebreën (Hoofdst. 5) hooren getuigen van Christus: „Die in de dagen Zijns vleesches gebeden en smeekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreeze, hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden", — zoo spreekt het lijden van Christus tot ons als een waarachtig lijden, en wederom als een ontzaglijk, onuitsprekelijk, vreeselijk en lievig lijden. Het spreekt tot ons van de onuitsprekelijke benauwdheden, smarten, verschrikkingen en helsche kwalen, in welke Hij in Zijn gansche lijden en inzonderheid aan het kruis gezonken was, waarvan Christus' Gemeente in hare aanvechtingen dezen troost heeft, dat Hij haar alzoo van de helsche benauwdheden en pijn verlost heeft.
Wenden wij nog eens het oog naar Gethsémané! Welk een waarachtig en ontzaglijk lijden leed daar de Heiland! Het is niet te beschrijven, dat lijden, zóó diepgaand, zóó aangrijpend, dat er geene verademing gevonden wordt; zóó beangstigend en benauwend, dat Zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. En in dien angst, in dien strijd was de Heere Jesus alléén, zonder vertroosting van vrienden, waaraan Hij toch als inensch behoefte had. O, geweldige vreeselijke angst, bittere zielestrijd, die het lichaam zóó afmatte, dat een engel kwam om Hem te versterken.
Wat was dat lijden? Het was een zonder bedekking staan voor het gericht Gods; het zich bevinden onder de machtige uitlating van de heiligheid en rechtvaardigheid Gods, Die onzer aller ongerechtigheid op Zijn heilig Kind Jesus had doen aanloopen. Daar ondervond de Heere Christus in alle kracht, wat het inheeft, mensch, zondaar, van God af, met Diens vloek en toorn beladen te zijn, en de gansche hel en alle machten der duisternis tegen zich te hebben, die alles inspannen, om hem van de gehoorzaamheid, van het geloof aan God zijnen Vader af te brengen. Zie, dat was eene verschrikkelijke ure, eene ure, om welker wegneming de Heere Jesus driemaal Zijnen Vader bad. Intusschen moeten wij hier wel in het oog houden, dat de Heiland den Vader niet gebeden heeft, om den drinkbeker van het aanstaande kruislijden weg te nemen, alsof Hij, ware het ook maar voor een oogenblik, zou geweifeld hebben om Zijn Middelaarswerk te voleinden, maar liet is, zooals de Evangelist Markus verklaart, Zijne bede, dat die u r e , dat o o g e n b l i k k e l i j k l i j d e n , zoo het den Vader behaagt, mocht weggenomen worden.
Nu, die vreeselijke ure, een lijden, dat wij niet eens kunnen verstaan, zooveel te minder doorstaan, waarvan wij alleen iets kunnen beseffen in de aanvechtingen der ziel, als al het zichtbare met Gods Woord ons in strijd schijnt en de Heilige Geest Zich voor ons verbergt, die ure van waarachtig en ontzaglijk lijden heeft de Heere Christus doorstaan, geleden en doorstreden; alzoo heeft Hij het geloof aan God Zijnen Vader gehandhaafd, en, o wonderbare heerlijkheid! alzóó de Zijnen in en met Zich door vloek en toorn, angst en gericht, door dood en hel heengeworsteld, — en, straks ten uiterste vernederd in het gericht des doods, gehoorzaam geworden tot den dood, j a den dood des kruises, heeft Hij voor hen de vervloeking, die op hen lag, weggenomen. O j a , voor eeuwig weggenomen; want Hij, Die om hunnentwil en in hunne plaats in den angst en in het gericht is geweest, is uit den angst en uit het gericht weggenomen. Gelijk de Zoon den Vader verheerlijkt heeft, zoo heeft de Yader den Zoon verheerlijkt, als Hij Hem opwekte uit de dooden en Hem gezet heeft aan Zijne Rechterhand in den hemel. En daar leeft Hij eeuwiglijk, om de Zijnen bij de hun door Zijn bloed verworvene verlossing te bewaren, en den eenen na den anderen in Zijne heerlijkheid op te nemen. Dat: „wie zal Zijnen leeftijd uitspreken?" wil dus zeggen, dat de Heere Jesus, opgenomen in heerlijkheid, eeuwiglijk leeft. Zijn sterven op Golgotha was niet het einde van Zijnen leeftijd, maar hier begon het verheerlijkt worden met die heerlijkheid, welke Hij bij den Yader had, eer do •wereld was. Zijn niet uit te spreken leeftijd is het levend-zijn in alle eeuwigheid. Hij is de Vorst des levens, Dien geen dood houden kon. „Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid". Intusschen op de vraag: hoe kan dat zijn? de eeuwig Levende in den angst en in het gericht? in den angst en in het gericht des doods, den lichamelijken, geestelijken en eeuwigen dood ? op deze vraag luidt het antwoord : Christus lijden was een b o r g t o c h t e l i j k en v e r z o e n e nd lijden. Hij was niet wegens eigene zonde en schuld, niet om Zijnentwil in den angöt en in het gericht; Hij heeft geen onrecht gedaan; in Zijnen mond is geen bedrog gevonden; Hij heeft geene zonde gekend; maar Hij leed om onzentwil, in onze plaats, ten behoeve van ons, die, door onzen snooden afval van God, ons tot zondaren gemaakt en in den dood en de verdoemenis gestort hadden. „Christus heeft eens voor de zonde geleden, Hij, rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen." In Gethsémané, voor Kajafas, voor Pilatus, op Golgotha, — o, in al de bijzondere deelen van Zijn strijden en lijden streed en leed Hij als de Borg der Zijnen, Die het vrijwillig aanvaard had om al hunne schuld te voldoen. Zoo bracht Hij de eeuwige verzoening aan, zoodat door Zijne genoegdoening elke klove tusschen God en tusschen het door Christus' zoenverdiensten vrijgemaakte volk, is opgeheven.
Dat dan de Heere Jesus Christus in de dagen Zijns vleesches in de wereld verkeerde als Een, Dio al het zichtbare tegen had : — aan Wien, als het er op aan kwam, alle wijsheid en vroomheid des vleesches zich ergerde; — over Wien vroom en onvroom, Jood en Heiden, spotte en lasterde; — boven Wien al het volk, zoo aanzienlijken als geringen, ten slotte eenen moordenaar koos, terwijl het van Hem, den éénen Rechtvaardige, uitriep: kruist Hem, kruist Hem! — Die zelfs vau Zijne lieve discipelen, als het ging om staande te blijven met Hem. verlaten werd; — ja, dat Hij van God moest verl a t e n z i j n , en dat Hij door al wat zich het volk Gods bij uitnemendheid achtte, geschuwd, veroordeeld en uitgeworpen werd; — dat alles leed en verdroeg Hij als de Onschuldige voor de schuldigen, opdat vijanden met God verzoend zouden zijn. — „Hij is afgesneden uit het land der levenden." Hij, het ware groene hout in den wijngaard des Heeren, werd als eene dorre twijg afgesneden en weggeworpen. Ilij, de Heere en Koning in het huis Gods, werd uitgeworpen door hen, die daarin waanden koningen en heeren te zijn. O, zij, die eigen leven liefhadden en praalden met de heerlijkheid hunner voorrechten; zij, die zich beroemden Abrahams zaad, kinderen Gods te wezen, — zij wierpen buiten hunne legerplaats deD alleen- Reine, den Zone Gods, Die het leven is tot in alle eeuwigheid. Als eenen melaatsehe, die te schuwen is, sloten zij Hem buiten hunne gemeenschap en trachtten allen te beletten tot Hem te gaan. En ja, het scheen, alsof degenen, die zich levend waanden. — en ziet! zij zijn dood, — recht hadden,'en de waarachtig Gode Levende, de Christus Gods, onrecht had. De dood toch, de dood aan het hout der vervloeking, was Zijn zichtbaar einde, en immers, zoo staat geschreven: „Een opgehangene is Gode een vloek".
Nog eens de vraag: waarom dat alles? Antwoord: „Om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest". Vold o e n i n g en v e r z o e n i n g a a n b r e n g e n d , b o r g t o c h t el i j k was het l i j d e n van C h r i s t u s.
Het moet onze opmerkzaamheid trekken, dat de Heilige Geest door den Profeet Jesaia al dat lijden uitdrukt met „de plaag", die om de overtreding Zijns volks op Hem geweest is. Daarmede worden wij volgens den grondtekst gewezen op do plaag der melaatschheid. De melaatschheid was eene schrikkelijke ziekte; wie in Israël er door bezocht was, werd door de menschen geschuwd en gemeden; hij was naar de Wet Gods onrein en was uitgesloten uit de Gemeente, van het huis des Heeren; hij moest buiten de legerplaats zijne schande dragen, en roepen moest hij: „onrein, onrein". Deze plaag moest van Godswege aan Israël toonen, hoezeer Hij toornt over den afval en opstand tegen den Heere; zij stelde voor oogen, wat men te wachten heeft, als men den Heere en Zijn Woord verlaat en zich tot de afgoden wendt; over 'tgeheel was zjj een beeld van de innerlijke onreinheid en bedorvenheid des menschen, sedert hij God verlaten heeft, een beeld alzoo van ons bederf' en verderf buiten God en Zijn Woord.
Als dan hier geschreven staat: „Om de overtreding Mijns volks is de plaag op Hem geweest", zoo predikt de Heilige Geest ons daarmede, dat het oordeel der geestelijke melaatschheid over den Heere Christus gekomen is, dat Hij „zonde" gemaakt is voor ons, Zijn volk. — Welaan, als een melaatsehe, afschuwelijk en walgelijk zijn wij voor God9 heilige Wet, onrein, onrein door en door zijn wij, die in zonde ontvangen, in ongerechtigheid geboren zijn. Zoo moeten wij in smaad en schande voor eeuwig uit Gods gemeenschap worden gesloten. Dat is onze ellende, onze vloek, onze rampzaligheid. — Is er reiniging, genezing, redding, behoud voor ons? Verneem het Evangelie Gods, de blijde boodschap van reinigmaking en zaligheid in het borgtochtelijk en verzoenend lijden van Christus ! Op Hem is de plaag geweest; Hij heeft de geestelijke onreinheid en ellende, den smaad en de schande Zijns volks op Zich genomen. Hij heeft door Zijn lijden en bloedvergieten het zoenoffer gebracht, dat van alle zonden reinigt; en Ilij spreekt tot elk, die met zijne geestelijke melaatschheid tot Hem komt, die Hem te voet valt met een: „Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen", — „Ik wil, word gereinigd". En daaraan is toch Gods volk kenbaar, dat zij met hunne zonde en onreinheid gestadig de toevlucht nemen tot den Heere Jesus Christus, tot Zijn bloed en Zijne gerechtigheid. Zeker, zij veroordeelen zichzelven en bekennen het, dat zij slechts verdiend hebben voor eeuwig buiten Gods gemeenschap en Zijne zaligheid gesloten te blijven, — maar in den nood hunner ziel drijft de Heilige Geest hen naar den eenigen Heiland en Borg, hunnen God en Zaligmaker, zij kunnen niet van Hem wegblijven, zjj moeten genade gevonden hebben in Zijne oogen. En voorwaar, geen ellendige wordt door Hem afgewezen.
„Wie kwam er ooit te gruw'Iijk snood,
Te zeer van alle kracht ontbloot,
Te jammerlijk, te reddeloos,
Geheel melaatsch, geheel verwond...,
Die geen genade bij Hem vond,
Genade voor altoos."
Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! Dat Lam is onze verzoening en verlossing, onze reiniging en heiliging, onze sterkte en troost, ons leven en onze heerlijkheid. Buiten Hem is er geene behoudenis, geene zaligheid. O, bedenkt dit, gij allen, die dat Lam nog niet kent, die in den Heere Jesus Christus nog niet gevonden hebt den Borg uwer schuld, den Verzoener uwer zonden, — bedenkt het, opdat gij niet omkomt onder den toorn van dit Lam.
Maar wie gebukt gaat onder den last zijner zonde en schuld, die zucht: Waarheen, waarheen met mijnen nood en dood? "Vrijheid heeft hij van den Heere, om zich uit te strekken tot Christus en op IIem alléén zich te verlaten. Zijn allerheiligst lijden en sterven roept allen verslagenen van geest toe: Uwe misdaad is verzoend, al uwe schuld is betaald; genade, gerechtigheid, eeuwig leven is u verworven en blijft u bewaard door Jesus Christus, onzen Heere en Zaligmaker, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, amen. (Rom. 9 : 5).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Verklaring van Jesaia 53 : 7 en 8.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken