Bekijk het origineel

12. Eigenlijke oorzaak van het ontstaan der Gereformeerde Kerk. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

12. Eigenlijke oorzaak van het ontstaan der Gereformeerde Kerk. (Slot.)

15 minuten leestijd

Men heeft der Reformatie meermalen een tweevoudig grondbeginsel willen toekennen: een formeel en een materieel beginsel. Dat is echter eene volstrekt abstracte scheiding, die met de geschiedenis niet te bewijzen valt. Yan waar anders dan uit de Heilige Schrift hadden de Hervormers het dogma van de rechtvaardiging? Luther las de Brieven van Paulus in het klooster te Erfurt, en de uitspraak: „De rechtvaardige zal uit het geloof leven" bleef hem op zijne reis naar Rome bestendig bij. Reeds vóór het jaar 1517 schreef hij aan den proost van Lissa: „Het gewichtigste is, om tot het geloof te geraken, dat men dag en nacht met het Evangelie verkeere; daardoor zouden wij uit God geboren worden; als uit God geborenen zouden wij niet zondigen, en zoo zouden wij vol vreugde de zege genieten". (Yergel. Yal. Lüscher, Reform. Acten, Deel I , bladz. 231.)
Zwingli heeft het wezen en den hoofdinhoud des Evangelies niet juist van Luther geleerd, dien men in den laatsten tijd wel als den schepper der nieuwe godsdienstige beschouwing wil vieren, maar hij heeft het wezen der Christelijke leer door het lezen van het Evangelie van Johannes en door het naarstig onderzoeken der Grieksche Brieven van Paulus leeren kennen, die hij reeds ten jare 1516 overschreef. Daardoor heeft Zwingli, alhoewel hij later van Luther geleerd heeft, op geheel zelfstandige wijze dien geloofsgrond gevonden, dien hij weldra tegen do Roomsche dwaling met onwederstaanbare kracht zou laten gelden. Het is dus den beiden Hervormers gegaan, gelijk het den Profeten en het oude volk Gods over het geheel ging. Wanneer de Schrift weder tot haar recht kwam, wanneer Christus door Zijn Woord en Zijnen Geest verheerlijkt werd, ontwaakte een nieuw leven, voor hetwelk de duisternis van den valschen godsdienst en van het ongeloof wijken moest.
Vergelijken wij de beide Hervormers met elkander, dan. kunnen wij hunne verdienste aldus omschrijven: Luther had de groote verdienste, dat hij, in den Geest Gods en omgord met kracht van Boven, onvervaard en in het openbaar den geweldigen reus der traditie en werkheiligheid te gemoet trad en als de eerste dezen geduchten Goliath eene doodelijke wonde toebracht. Hem was het van God gegeven, de eerste groote bres te schieten in de muren der oude uit de traditie levende Kerk, hetwelk niet plaats had door het in toepassing brengen van een zoogenaamd materieel (zakelijk) beginsel, al mocht dat ook „rechtvaardiging uit het geloof" heeten, maar door het uitsluitend beroep op de Heilige Schrift, die hij op den voorgrond stelde. Luther heeft geene nieuwe oplossing van gewichtige vraagstukken gevonden, geen nieuw godsdienstig beginsel ontdekt, veeleer heeft hij de Heilige Schrift, die onderhet stof bedolven lag, weder te voorschijn gebracht, heeft met het hart de woorden der Schrift geloofd en met den mond beleden, in één woord, hij heeft al wat in zijn vermogen was gedaan , om door zijne vertaling en verklaring van de Ileilige- Schrift deze weder onder de oogen van het volk te brengen. Langs den weg van een onvermoeid Schriftonderzoek , en geenszins door de ontwikkeling van een grondbeginsel, is de hoofdsom des geloofs tot klaar bewustzijn gekomen, die daarna in de Belijdenis der Kerk eene bepaalde uitdrukking verkreeg. Eéne zaak echter had deze Hervormer boven zijne medestrijders en opvolgers in Duitschland vooruit, t. w. dat hij, door innerlijke behoefte en een ontwaakt geweten gedrongen, evenals de heiligen van alle tijden, de Schrift onderzocht en nu, ondersteund door zijne groote geestesgaven en lettende op de nijpende behoeften des tijds, eenen rijken schat van kostelijke waarheden uit de schacht der Heilige Schrift aan het licht bracht.
Op dezelfde wijze als Luther ging ook Zwingli te werk, doch langzamer, met meer behoedzaamheid en naar de mate der hem geschonken gaven. Men vergelijke zijne biografie door Christoflfel en voorts Zwingli's gezamenlijke werken van M. Schuier en I. Schulthess (1828). Wij merken op, dat dit in het bijzonder den Hervormer van Zürich kenmerkte, dat hij op God wachtte en alles verwachtte van de werking des Goddelijken Woords. Reeds in den zomer van 1516 ging Zwingli naar Einsiedeln, waar hij het werk der Hervorming begon. Daarbij leidde hem de onwrikbare overtuiging, dat 1) het Woord Gods het eenige richtsnoer is voor geloof en leven, en 2) Christus ons eenig heil is. Zoo was reeds in kiem alles voorhanden, wat te zijner tjjd tot eene Reformatie leiden moest. Dat nu in Zwitserland de Reformatie niet zoo spoedig haar beslag kreeg als te Wittenberg, lag in Gods bestuur. Nu eens werd aan het volk Gods een Elia en een Jesaia, dan eens een Elisa en een Jeremia geschonken. In het Koninkrijk Gods heerscht geene eenvormigheid. En in het algemeen mag een eigenwillig doen, een loopen, waar men niet gezonden is, geenszins het kenmerk van eenen Hervormer heeten. Zoo was het dan Zwingli aanvankelijk genoeg, den zuurdeesem der Bijbelsche leer in de harten zijner oehoorders te brengen en voor het overige op den zegen Gods t e wachten. Te Zürich werden zeer geleidelijk alle hinderpalen der waarheid des Evangelies uit den weg geruimd; door het •woord der evangelische prediking hield Zwingli den aflaatkramer Samson verre van Zürich. Het Woord Gods alleen deed ook den dienst der huursoldaten ophouden, waarmede de Ziiri- «hers vreemden vorsten ter wille waren, en waardoor de zeden in de stad zoo zeer bedorven werden. In één woord, de geheele verandering in den godsdienst had naar het Goddelijk Woord plaats.
Yan 1523 af beraamde Zwingli, in overleg met de overheid, ingrijpende hervormingen, nadat hij vooraf den tegenstanders t e Zürich den mond gesnoerd had. De gewichtigste verandering bestond in het instellen van eene dagelijksche en openbare Schriftverklaring. De beelden werden behoedzaam uit de kerken verwijderd; de mis werd afgeschaft, de kloosters opgeheven; daarop eene kerkelijke tucht en eene synode ingesteld, en zoo is Zürich hervormd geworden.
Wij merken op, dat van de beroering en de schokken, waarmede de Hervorming in Saksen gepaard ging, hier niets bespeurd wordt; alles werd langzaam en trapsgewijze voorbereid en kwam langs den weg van geleidelijke ontwikkeling tot uitvoering. Bovendien ging het niet alles buiten de Gemeente om, maar hervormde de ontwaakte Christelijke Gemeente en liare burgerlijke overheid eigenlijk zichzelve. In stilte, niet met grooten ophef, zooals in het Noorden, maar geheel -overeenkomstig den aard des volks, schoot de Reformatie in Zwitserland vaste wortelen Niets werd hier overhaast, maar onder bestendig opzien van den Hervormer tot God kwam alles tot vollen wasdom, in weerwil van alle hindernissen, waarmede men te strijden had. Maar juist omdat niets stormenderhand veroverd werd, doch iedere voet gronds den vijand werd ontworsteld, onthield men zich van met den vijand een verdrag te sluiten en bekommerde zich er niet om, of men al dan niet door hem erkend werd. In Zürich heerschte onder de vrienden der Hervorming vóór alles het bewustzijn, dat God hen tot die dingen geroepen en dat niet h u n n e kracht zulks uitgericht had, maar God. (Deut. 8 : 17 en 18.) In vergelijking daarmede doet zich te Wittenberg, in lateren tijd ten minste, eene meer menschelijke openbaring van kracht aan ons voor. Nederigheid en bescheidenheid kenmerken Zwingli tot aan zijnen dood in den slag bij Kappel; hij achtte zichzelven niet van zoo groote waarde, dat hij zich in de stad of achter de slaglinie verborgen zou houden. Hij ging mede in den strijd tegen de vijandelijke kantons, gelijk zijn ambt hem dat tot plicht stelde, en stierf in de uitoefening van zijn beroep als veldprediker en als burger zijner stad, wars van zich als een lafhartige monnik te gedragen.
Wij hebben in Zwingli eenen man Gods te bewonderen, eenen man, die zich niets aanmatigde, maar in nederigheid Gode de eere gaf, wanneer door hem iets tot stand gebracht was. Het Woord en de eere Gods waren de beide leidsterren zijns levens. Het zoo begonnen werk der Reformatie is in stand gebleven, en overal, waar deze Hervorming doorgedrongen is, heeft zij het s o l i Deo g l o r i a en het streng Schriftmatige karakter, het zuivere of, j wil men, het puriteinsche karakter niet verloochend.
Zoo zien wij dan, dat Luther een man Gods is en Zwingli insgelijks. De grondslag huns geloofs is dezelfde, nml. een onder de leiding des Geestes aan de Heilige Schrift ontleende. Dat blijkt het duidelijkst hieruit, dat Zwingli in het begin allerminst zwarigheid maakte om uit eigen beweging den lof van Luther te verkondigen. Hij zegt van Luther, „dat hij met grooten ernst de Schrift doorgrond heeft, gelijk niemand vóór hem, en dat Luthers leer en meeningen in leerstellig opzicht z o o z e er op het Woord Gods gegrond zijn, dat het niet mogelijk ware, dat eenig schepsel ze zou weerleggen".
Wat het uitgangspunt betreft, stemmen de beide Hervormers dus volkomen overeen. Doch laat ons nu een oogenblik stilstaan bij hetgeen hen onderscheidde. En dan is dit wel het verschil tusschen beiden: Luther was de man, om een grootach begin te maken, om met groote geestkracht en zonder het voorbeeld van anderen iets tot stand te brengen; een man, die op ongeëvenaarde wijze als baanbreker en stichter optrad. Evenwel heeft hij zich niet den tijd gegund, om het aldus gestichte gebouw naar den eenigen en onveranderlijken regel van het Woord Gods volkomen af te werken. Er was in hem, zooals Hundeshagen het zoo treffend uitdrukt, eene zekere zorgeloosheid, die meer aan groote geesten eigen is. In de tweede plaats echter toonde hij eene groote, j a onbedwingbare energie bij het jagen naar het doel, dat hem voor oogen zweefde. Zulks was ongetwijfeld uitnemend, zoolang het de zaak der waarheid gold, maar bedenkelijk, wanneer de zucht om eenmaal opgevatte meeningen niet los te laten zich mede liet gelden. Zoo ergerden hem de afwijkende leerstellingen van Zwiugli, en nu liet hij zich zoover meesleepen, dat hij de Gereformeerden, wien de Heere de genade verleende, van de Sacramenten grondiger, dan dit door Luther geschiedde, onderwezen te worden, voor Sacramentisten en aanhangers des duivels uitschold. Het is een hoogst bedroevend feit, dat Luther zich niet ontzag om, ter oorzake van het verschil in de leer van het Avondmaal, de overeenstemming in alle andere punten der leer gering te achten. Deze bijzondere karaktertrek heeft bij Luther en zijne Kerk zijne gevolgen gehad. Vooreerst is het onmogelijk, om uit Luthers werken een leerstelsel op te maken ; zelfs kan men bij vele leerpunten niet wel te weten komen, wat eigenlijk Luthers meening geweest is. Men treft zelfs in zijne talrijke werken geheel tegenstrijdige dingen aan. Zijne geschriften zijn eene frissche, levende bron, vol van onuitputtelijke aantrekkelijkheid en levendigheid, — Luther stond in het middelpunt der Schrift, — maar de leer der Schrift in haar geheel heeft hij niet zoo voortreffelijk ontwikkeld als Zwingli of, zeggen wij liever, Calvijn Hij onderscheidde zich door eene verwonderlijk vlugge bevatting, een helder inzicht en eenen scherpen blik. Zwingli daarentegen, mocht hij al niet zoo diep peilen, als Luther, bezat een meer onderzoekend en ontledend denkvermogen.
De beteekenis van Zwingli bestaat niet zoozeer in veelzijdige uiteenzetting van bepaalde Schriftuurlijke leerstellingen en de bestendige inprenting daarvan, — daarvoor heeft hij te kort geleefd, — maar wel werd, wat Zwingli van de Heilige Schrift heeft begrepen, door hem tot een afgesloten geheel van kennis verwerkt. Zijne dogmatische opvatting onderscheidt zich door meer volledigheid, meer eenheid en harmonie, en zijne wijze van doen getuigt meer van een geregeld plan, kenmerkt zich door meer beslistheid en was daardoor meer geschikt om de Kerk te bouwen dan die van Luther. Calviju staat in dit opzicht nog weer liooger.
Die kenmerkende trek van zorgeloosheid, aan mannen van buitengewone geestesgaven gemeenlijk eigen, bleef ook niet zonder iuvloed op de naar Luther genoemde Kerk. De hooge vlucht zijus geloofs sleepte aanstonds allen mede; doch nu het er op aankwam, om het nieuwe gebouw tot eene behoorlijke woonstede voor zich in te richten, ging men oppervlakkig te werk. Men gaf aan de Gemeente geene stem, maar alles werd vastgesteld door vorsten en door theologen , terwijl men de Gemeente maar al te zeer in de middeleeuwsclie onmondigheid liet. De besliste losscheuring van de overlevering der oude Kerk werd geenszins zoo volkomen doorgevoerd als te Zürich. De beelden en een overblijfsel van den altaardienst bleven helaas bestaan, zelfs behield laatstgenoemde in Zweden en Denemarken den naam van mis. De kerkelijke tucht werd in de nieuwe Gemeenten niet tot eene correctie van de protestantsche vrijheid verheven. De biecht en de absolutie, een gebruik, dat Muller te Rostock in Mecklenburg onder „de drie doode afgoden" rekende, alsmede de duivelbezweringsformule fexorcismus) bij den Heiligen Doop behield men. Met de absolutie werd opnieuw de weg geopend tot overmatige uitbreiding der ambtelijke of priestelijke macht. Er bleef een Roomsche zuurdeesem over, en deze verkreeg ongemerkt invloed op den geheelen gedachtenkring. Zulks was echter niet het geval in onze Kerk. Zwingli wist veel meer tot den wortel toe alle vezels, die de Evangelischen met de Roomschen verbonden, door te snijden.
Eene onwrikbare vastheid van karakter, die tot eigenzinnigheid oversloeg, bewees Luther door zijn vasthouden aan zijne gansch bijzondere Avondmaalsleer. Zulk eene onverzettelijkheid is vooral dan gevaarlijk, als zij op een woord van God waant te steunen. Het woordeke „inri" —• „is" heeft den geheelen man als het ware veranderd. Luther bezondigde zich, toen hij ondanks de treffelijkste tegenbewijzen van Zwingli dezen de broederhand weigerde; hij miskende hem bij het gesprek te Marburg, in plaats van hem te eeren. Men vergelijke Christoffel: „Het Leven van Zwingli", bladz. 304 vv., en I'lanck: „Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van het Protestantsche leerbegrip", Deel II, Boek VI.
Met deze Avondsmaalsleer legde Luther den grond tot eene nieuwe scholastiek, die in de leer van den Persoon van Christus dan ook van de Gereformeerde Kerk afweek. Yoorts openbaarde zich eene heillooze overschatting der Sacramenten, als waren zij genademiddelen, welker werking onfeilbaar, tooverachtig is. Toen nu Luther stierf, nadat hij Melanchthon te voren nog opgedragen had, in den strijd over het Avondmaal iets te doen wat tot den vrede dienen kon '), kwam juist het tegenovergestelde van den vrede voor den dag. De Avondmaalsleer werd het punt, waar de ijveraars hunne wiggen aanbrachten, om de klove tusschen de beide Kerken steeds duidelijker richtbaar te maken. (Men vergelijke slechts de briefwisseling, tusschen a Lasko en Brenz gevoerd, en hun dispuut, in het 2Ue deel der „Opera et vita Joannis a Lasco", uitgegeven door A. Kuiper). De tegenkanting tegen Zürich werd eene treurige erfenis in de Luthersche Kerk en werd later op Genève overgebracht. Het Concordiën-boek (formula concordiae) stelde in spijt van de Calvinisten, en eigenlijk geheel tegen Luthers overtuiging, ook nog de praedestinatie-leer ter zijde. Daarmede evenwel gaf het den eersten stoot tot een terugvallen in een kwalijk verholen semipelagianisme. Deze halfslachtigheid gaf later aanleiding tot een bestendig weifelen tusschen het kunnen en niet-kunnen van den mensch in het werk der bekeering.
De aldus ontstane vijandschap werd van het tijdstip af, waarop het Concordiën-boek de eenheid in de Kerk trachtte te herstellen, tot een blijvend kwaad. Gelijk Homerus van den toorn van Achilles leefde, zoo leefden de Luthersche epigonen van den toorn van Luther. Uit Luthers onverzettelijk vasthouden aan zijne Avondmaalsleer ontving de latere theologie altijd nieuw voedsel. Tevergeefs hadden Calviju en Melanchthon gepoogd de noodlottige breuk te voorkomen. Hunne klachten verbitterden de ijveraars nog te meer. Als eenen weerwolf jaagde men den edelen a Lasco door Denemarken en Duitschland. En de Gereformeerden? Zij hielden zich tegenover die vijandschap meestal kalm en bleven op verandering hopen. Niets was hun minder welgevallig dan de scheiding, die immers ook zulk eene groote ramp op staatkundig gebied was, zoowel voor Duitschland als voor Frankrijk. De geheele briefwisseling van Frederik den Yrome is eene schitterende rechtvaardiging van de Gereformeerden in dit allertreurigst tijdperk van dezen meer dan dertigjarigen oorlog, waarvan wij de schrikkelijke gevolgen nog heden ten dage ondervinden.
Laat ons echter tot onzen eigen haard terugkeeren, op welken de-slag bij Kappel ten laatste zijn bloedig schijnsel wierp. Zwingli stierf te vroeg om als de eenige Hervormer van onze Kerk te kunnen beschouwd worden; en zoo bleven dan ook zijne bijzondere karaktertrekken zonder blijvenden invloed op de Gereformeerde Kerk. Ook heeft Zwingli ons geen werk nagelaten, dat den naam van dogmatiek zou kunnen dragen. Hij heeft slechts de hoofdgedachten der Christelijke leer uit de Heilige Schrift te voorschijn gebracht; zijne schriften zijn meer geloofsverklaringen dan dogmatische uiteenzettingen. Wij noemen zijne 67 Sluitredenen, 1523; Fidei ratio ad Carolum imperatorem, 1530; Fidei expositio ad Regem Christianum. Zijne meest omvattende geschriften van dogmatischen inhoud zijn de „Commentarius de vera et falsa religione" (1525) en verder „De providentia" (1530).
Wat nu Zwingli moest overlaten, dewijl zijn levensdraad vroegtijdig afgesneden werd, dat nam Calvijn op zich; hij voltooide in den Geest, wat de Züricher Hervormer in den Geest begonnen was te doen.


1) Dat deze bewering op goede gronden rust, blijkt uit het herhaald getuigenis van Frederik den Vrome, in zijne door A. Kluckhohn in het licht gegeven Brieven (Deel I, bladz. 540, 5 5 7 — 5 6 0 ) : „Lieve Philippus, ik beken, dat er in de zaak des Saeraments te veel gedaan is". Deze woorden maken hem weer eene plaats waardig naast den zanger van ï'salm 51. Ook merkt Kluckhohn op, dat naar de regelen der historische critiek dat bericht niet meer voor eene fabel mag aangezien worden. Vergel, ook de Erlanger werken vau Lulher, vol. 53, 270 vv. over L u t h e r s berouw, dat hij de meening van Carlstad niet vroeger had leeren kennen.
In den eersten jaargang van het Amsterdamsch Zondagsblad 1888 wordt in a " . 2, bldz. 10 onder: B e l a n g r i j k e b e k e n t e n i s v a n L u t h e r , op dit feit gewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

12. Eigenlijke oorzaak van het ontstaan der Gereformeerde Kerk. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 april 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken