Bekijk het origineel

In welke punten van de leer de Gereformeerden niet overeenstemmen met de Lutherschen,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In welke punten van de leer de Gereformeerden niet overeenstemmen met de Lutherschen,

13 minuten leestijd

VOORAFGAANDE OPMERKINGEN.

Niet om tweedracht of strijd te verwekken onder hen, die vooral in onzen tijd elkander eendrachtig de hand moeten reiken, tegenover de machten van het ongeloof en de vrijdenkerij, zoowel als tegenover den gemeenschappelijken tegenstander van het Protestantisme, Rome, dat nog steeds in macht toeneemt moeten deze regelen strekken. Zij bedoelen den misstand uit den weg te ruimen, die tot nu toe bestaan heeft, en waaronder inzonderheid de leden onzer Gereformeerde Gemeenten in Duilschland lijden. Wel heeft GRAUL een geschrift in het licht gegeven over de „ V e r s c h i l p u n t e n in de o n d e r - s c h e i d e n e C h r i s t e l i j k e b e l i j d e n i s s e n " , maar van ons, Gereformeerden, heeft hij daarin eene geheel onjuiste voorstelling gegeven. Nog erger heeft de oude MASIUS ons behandeld. Er bestaat tegenwoordig geen geschriftje, dat onder ieders bevatting valt, en waarin overeenkomstig het Woord Gods voor een eenvoudig gemeentelid de verschilpunten tusschen de Gereformeerde en de Luthersche leer, die nu eenmaal toch bestaan, duidelijk in het licht gesteld zijn. Hoe menigmaal komen onze geloofsgenooten niet in omstandigheden, waarin zij rekenschap moeten geven van ons gereformeerd geloof, en waarin zij niet met de gewone zegswijzen kunnen volstaan (zooals: Wij zeggen: „ O n z e V a d e r " , zij: „ V a d e r - o n s "; wij hebben brood bij het Avondmaal, geene beelden in de kerken, en dergelijke), indien althans de zaak zelve niet veel van hare wezenlijke beteekenis verliezen zal. Er is een vaste grond noodig, zoo men te allen tijde bereid wil zijn tot verantwoording aan eenen iegelijk, die rekenschap afeischt van de hoop, die in ons is (1 Petr. 3 : 15.) Zulk eenen grond bieden wjj in de volgende regelen. Zij behelzen een uittreksel uit een in liet begin der vorige eeuw zeer gewild boekske, dat wij in de stadsbibliotheek te Bremen vonden, en waarvan de titel luidt: „Summarischer Bericht vom Ursprung der Streitigkeiten zwischen den evangelischen Kirchen und worauf die selben beruhen", omstreeks 1726 voor de elfde maal te Bremen gedrukt bij Rad. Hoffer. Daarin wordt duidelijk en naar waarheid, zonder eenige bitterheid, de vraag behandeld, in welke punten de beide evangelische Kerken het niet eens zijn. Met betrekking tot de Augsburgsche Confessie luidt het daar: „Dewijl de Augsburgsche Confessie, in groote haast en vreeze in het jaar 1530 opgesteld, nog zeer gebrekkig was en hoog noodig verbetering behoefde, — want daarin staat: De Mis heeft bij ons niet afgedaan, maar wordt met grooter devotie gehouden dan bij de Papisten; en desniettemin wordt de Mis onder de misbruiken gerekend, — zoo heeft Meester Pliil. Melanchthon, die de Augsburgsche Confessie opgesteld heeft, te dien opzichte eene verbetering aangebracht, wel is waar niet op eigen gezag, gelijk eenige twistzoekers hem ten laste leggen, maar met medeweten en goedvinden van Dr Luther, zooals de Keursaksische theologen in het Colloquio Altenburgensi, Anno 1570 te Wittenberg gedrukt, fol. 351 en 353 getuigen. Ook is het tijdens Luthers leven eenige malen gedrukt en herdrukt.
Anno 1561 hebben de evangelische, protesteerende vorsten, zonder onderscheid en gemeenschappelijk, ook zelfs de Keurpalts, de Augsburgsche Confessie, maar onder voorbehoud der verbetering, te Naumburg onderteekend en aan keizer Ferdinand I toegezonden. Deze verbeterde Augsburgsche Confessie is sinds dien tijd in alle evangelische kerken en scholen gebruikt, zoodat men zelfs van de eerste zoogenaamde onveranderde Augsburgsche Confessie geen exemplaar heeft kunnen vinden, toen men de o p e r a L u t h e r i als één boek heeft uitgegeven.
Zoo volgt dan hier het door ons bezorgde uittreksel. Moge de Heere het voor de lezers niet ongezegend laten zijn.


De gansche strijd tusschen de Gereformeerden en de Lutherschen loopt over de volgende vier punten:
1° Yan den Persoon van Christus
; 2° van den Heiligen Doop;
3° van het Heilig Avondmaal;
4" van de verkiezing der genade. Zoo heeft ook in 1618 de Luthersche superintendent Laurentius Laelius te Ansbach een boekje het licht doen zien, „Criterion fidei" (Toetssteen des geloofs) genaamd, waarin hij zegt: „Wanneer de zaak omtrent deze vier punten in het reine was, zou men, wat het overige betreft, licht tot een vergelijk komen".

I . VAN DEN PERSOON VAN CHRISTUS

. Wij zijn het met de Lutherschen daarin eens: 1° dat onze Heiland Jesus Christus, God en Mensch, in eenen ondeelbaren Persoon is; 2° dat deze wonderbare Persoon onvermengd Goddelijke en menschelijke eigenschappen heeft; 3° dat deze Persoon als het heilige Lam Gods de zonde der geheele wereld gedragen en alles volbracht heeft, wat tot onze zaligheid noodig is; 4' dat niemand deze Zijne volkomene verdienste deelachtig kan worden, tenzij hij geloove; 5° dat Christus, God en Mensch, als het Hoofd der Kerk alles weet en regeert, wat in de wereld is, inzonderheid wat er met Zijne Kerk geschiedt; dat Hij allen wil en kan zalig maken, die tot Hem komen.
Dat zijn de voornaamste stukken van dit artikel over den Persoon van Christus; daarbij kon men het laten blijven en eenstemmig zijn. Ook is er troost genoeg in te vinden. Maar daar eenigen onder de Lutherschen zich eenmaal voorgenomen hebben, de l i c h a m e l i j k e tegenwoordigheid van Christus in het brood te leeren, en vast te houden, dat zij Hem met den mond genieten, hebben zij dit artikel te baat genomen, en gezegd: Daar de mensehheicl van Christus persoonlijk en onscheidbaar vereenigd is met Zijne Godheid, zoo heeft zij ook Goddelijke eigenschappen ontvangen en moet daarom alomtegenwoordig zijn, derhalve ook in het brood van het Heilig Avondmaal; ja, alles is geheel vervuld van Christus, ook naar Zijne menschheid, zelfs de bierkannen, appelen en peren, ook het touw. waaraan iemand zich ophangt. Dat zegt Luther zelf in de groote belijdenis.
Daarop nu antwoorden de Gereformeerden: De persoonlijke vereeniging is geene samensmelting of vermenging. Zoo zijn ook de naturen niet gelijk. Elke natuur behoudt nochtans hare eigenschappen, en desniettegenstaande kan van den geheelen Persoon gezegd worden, wat bij de eene of andere natuur past, evenals lichaam en ziel bij ons in één persoon vereenigd zijn, en nochtans de ziel hare eigenschappen behoudt (dat zij onzichtbaar, redelijk, onsterfelijk is), en ook het lichaam zijne eigenschappen behoudt (dat het zichtbaar, tastbaar, sterfelijk is), en men evenwel deze eigenschappen aan den geheelen persoon kan toekennen. Ik kan zeggen : Een mensch is sterfelijk en onsterfelijk, sterfelijk naar het lichaam, onsterfelijk naar de ziel. Zoo staat het ook met de persoonlijke vereeniging in Christus.
Als echter de eene natuur werkelijk en op de wijze, als de Lutherschen beweren, hare eigenschappen aan de andere mededeelde, zoodat bijv. de Goddelijke natuur hare eigenschap van alomtegenwoordig te zijn aan de menschheid zóó mededeelde, dat ook zij op gelijke wijze alomtegenwoordig was, evenals de Goddelijke, dan zou men tot zonderlinge gevolgtrekkingen moeten komen. Welke dan? De Goddelijke natuur zou evenzeer een begin moeten hebben, kunnen sterven, veranderlijk en aan plaats gebonden zijn als de menschelijke. Dat is echter onmogelijk. Er zou ook uit moeten volgen, dat de menschelijke natuur niet alleen alomtegenwoordig, maar ook onbegrensd, oneindig, onsterfelijk, geestelijk en van eeuwigheid ware, evenals de Goddelijke natuur Dat is echter niet naar de waarheid van het Woord Gods.
En wat wil men toch met die alomtegenwoordigheid? De menschelijke natuur van Christus is nooit op meer dan ééne plaats te gelijk geweest. En toch zijn de beide naturen niet gescheiden geworden. — Zoo de leer der alomtegenwoordigheid gegrond ware, zoo moesten al de geloofsartikelen leugen zijn. Want is de menschelijke natuur van Christus alomtegenwoordig, dan is zij niet alleen ontvangen geworden in het lichaam van de maagd Maria, maar ook in het lichaam van al de andere maagden; dan heeft Hij niet alleen gelegen in de kribbe te Bethlehem, maar ook in al de andere kribben; dan heeft Hij niet alleen gerust in het graf van Jozef van Arimathea, maar ook in al de andere graven; dan moest Hij niet alleen te Jerusalem, maar ook te Babyion, Corinthe, Efeze en elders, ja overal zelfs gekruisigd geworden zijn. Is Hij alomtegenwoordig naar Zijne menschheid, dan is Hij niet opgestaan uit het graf, omdat Hij er reeds buiten zou geweest zijn; dan is Hij ook niet ten hemel gevaren, want Hij zou daar reeds geweest zijn. Zoo zou Hij ook niet kunnen wederkomen. Kortom: is het lichaam van Christus alomtegenwoordig, dan zullen ook de lichamen der geloovigen alomtegenwoordig zijn, want wjj zullen zijn, waar Hij is (Joh. 12 : 26 en 17 : 24), en zullen het Lam volgen, waarheen het gaat (Openb. 1 4 : 4 ).
Wie God vreest, denke over de zaak na! Luther heeft vrijwillig de alomtegenwoordigheid van het lichaam van Christus prijsgegeven. Evenzoo wildon de geleerde Lutherschen Tilmann Heszhusius, Dr. Daniël Hofmann van Ilelmstiidt, en Dr. Mentzer te Gieszen er niets mede te doen hebben.
Hoofdsom der Gereformeerde leer van den Persoon van Christus is: dat de naturen in Christus wel onderscheiden, maar niet gescheiden moeten worden. Naar Zijne menschheid is Hij thans in den hemel, gelijk het geloofsartikel luidt; Hij is echter met Zijnen Geest en Zijne gaven bij ons, gelijk,wij zingen met het lied van Luther: „Ein feste Burg ist unser Gott".

I I . VAN DEN HEILIGEN DOOP.

Wij stemmen met elkander hierin overeen: 1° dat de Heilige Doop niet bloot een waterbad is, maar een bad der wedergeboorte, in Gods Woord verordend; 2° dat de Doop naar de inzetting van Christus noodzakelijk is en niet veracht noch verzuimd moet worden; 3° dat, wanneer een kind van geloovige ouders nog in den buik der moeder of anders uit gebrek aan gelegenheid ongedoopt sterft, het daarom niet verloren, maar krachtens het genadeverbond Gods voor zalig te houden is. In deze hoofdpunten is er wederzijdsche eenstemmigheid. Er is echter verschil over de volgende drie punten:
1°. Of alle gedoopten op het oogenblik van hunnen Doop, de eene zoowel als de andere, zonder onderscheid, wedergeboren en vernieuwd worden? De Lutherschen zeggen: j a ; de Gereformeerden : neen. Grond: „De wind blaast, waarheen hij wil". (Joh. 3 : 8.) En de ervaring bewijst, dat niet alle gedoopten wedergeboren worden, d. i. niet in hun verstand en hunnen wil verlicht, geheiligd, veranderd en verbeterd worden. Simon, de toovenaar, dien de diaken Pilippus gedoopt had, is zijn leven lang niet wedergeboren geworden. (Hand. 8 : 21.) Daarom laat Christus het bij den Doop niet blijven, alsof aan deze uiterlijke handeling alles toe te schrijven ware, maar voegt het geloof er aan toe en zegt: Die zal zalig worden (en alzoo eerst wedergeboren), die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn. (Mark. 1 6 : 1 6 . ) Kortom : als een volwassene tot de erkentenis komt van den Christelijken godsdienst, zooals bovengenoemde Simon, en daarop gedoopt wordt, en gelooft, doch niet met een waarachtig geloof, zoo wordt hij door de toediening van den Doop niet wedergeboren, maar geoordeeld. Want zonder geloof is de Doop tot niets nut, hoewel hij op zichzelf een Goddelijke, onwaardeerbare schat is, zegt Luther in zijnen Catechismus. Als echter een klein kind, van welks wezenlijk geloof ons nog niets bekend is, gedoopt wordt, zoo gelooven en hopen de Gereformeerden, dat liet tot de wedergeborenen behoort, tenzij het zieli daarna in zijn leven en zijnen wandel anders, d. i. ongeloovig en goddeloos betoont.
2°. De Lutherschen staan toe, dat de vrouwen in geval van nood een kind doopen. De Gereformeerden echter zeggen, dat dit een misbruik is, afkomstig van het Pausdom, daar men het er voor houdt, dat de ongedoopte Christenkinderen niet zalig worden, en zijn het daarin eens, dat de zaligheid in zulke gevallen niet berust op den waterdoop, maar op het Verbond Gods. Want God is onze en onzes zaads God.
Bovendien, wien het leeren in het openbaar bevolen is, dien is ook het doopen bevolen. Want zoo luidt de instelling van den Doop: „Gaat dan henen, en onderwijst al de volken, dezelve doopende" (Matth. 28: 19); dat moet niet van elkander gescheurd worden. Er is ook geen nood zoo groot, dat die ons bewegen mag tot de overtreding van de verordening van Jesus Christus; Hij Zelf is wijs genoeg geweest.
Wil men den nooddoop vergoelijken met de uitspraak: „Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest" (Joh. 3 : 5), zoo vragen de Gereformeerden weèr, waarom dan de vrouwen in geval van nood niet ook het Heilig Avondmaal bedienen? Er staat toch eveneens geschreven: „Tenzij gij het vleesch van den Zoon des mensehen eet (wat in het Sacrament van het Heilig Avondmaal ook geschiedt), zoo hebt gij geen leven in uzelven". (Joh. 6 : 53.)
3". Eenige Lutherschen hebben bij den kinderdoop den duivelban : „Ga uit, gij onreine geest", benevens de bezwering des duivels. Dat bestrijden niet alleen de Gereformeerden, maar ook zelfs vele Lutherschen, zooals Chemnitz en Hunnius. De laatste zegt in zijne stellingen over het duivelbannen uitdrukkelijk, dat het een n a e n i a p a p i s t i e a , een paapsch sprookje, is. Inderdaad een boos sprookje, daar er in de Heilige Schrift noch instelling, noch bevel, noch belofte van is, en er ook in de eerste Christelijke Kerk geen voorbeeld van gevonden wordt, maar het slechts door bjjgeloovige exorcisten of duivelbanners verzonnen en uit bloote naaperij aan den kinderdoop toegevoegd is. Ten andere moet het gewraakt worden, daar het den heiligen Naam van God leert misbruiken in strijd met het derde gebod (Ex. 20 : 7); en ten derde, omdat het aan eene menschelijke ceremonie en instelling het werk toeschrijft, dat God alleen toekomt, namelijk de uitwerping der duivels. (Matth. 12: 28; Luk. 11 : 20.) Bovendien is het bij het Pausdom ook eene ontzettende verachting van het heilig huwelijk onder Christenen, alsof daaruit lijfeigenen des duivels of bezetenen geboren werden, in strijd met de Schrift. (Gen. 1 7 : 7 ; Matth. 19: 14; 1 Cor. 7: 14.)
Wat moet toch eene Godvreezende, zwangere vrouw bij zulke lieden wel denken, wanneer zij verneemt, dat het kindje, dat zij onder het hart draagt, bezeten zou zijn ! Als er iets van aan was, dan zou voorzeker de Zoon van God, Die in de wereld gekomen is, om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3 : 8), bij de instelling van den Doop het niet verzwegen hebben. Nu heeft Hij daarover echter het stilzwijgen bewaard. Waarom zouden wij dan den Heilige Israëls bedillen ? Waarom wijzer willen zijn dan Hij?
Wil iemand beweren, dat men bij het duivelbannen de erfzonde op het oog heeft, en dat de genade Gods dan den doopeling toegeëigend wordt, dan vragen wij weder, of de onreine geest, d. i. de duivel, die uitvaren moet, de erfzonde zelve is, of de Schrift onder den onreinen, uitvarenden geest ooit de erfzonde heeft willen verstaan hebben; of de erfzonde door het duivelbannen uitvaart; of de erfzonde niet reeds genoegzaam door Christus is aangeduid met den Doop tot reiniging van zonden; of God om den wille van den duivelban de schuld der zonde niet toerekent; en of den duivelban toekomt, wat volgens Christus' instelling alleen behoort bij den Heiligen Doop, namelijk de toeëigening van de genade Gods. (Rom. 1 : 3 en 4; Gal. 3 : 26 en 27.) Waarlijk, wie daarover nadenkt, zal niet langer voor den ijdelen duivelban strijden. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 januari 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

In welke punten van de leer de Gereformeerden niet overeenstemmen met de Lutherschen,

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 januari 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken