Bekijk het origineel

Schets over 2 Kronieken 6 : 29—31.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Schets over 2 Kronieken 6 : 29—31.

5 minuten leestijd

„Alle gebed, alle srueeking, die van eenig mensch. of van al Uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijne plage en zijne sinarte, en een ieder zijne handen in dit huis nitbreiden zal (Vs. 29) ; hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef eenen iegelijk naar al zijne wegen, gelijk Gij zijn hart kent: want Gij alleen kent het hart van de kinderen der menschen (30). Opdat zij U vreezen, om te wandelen in Uwe wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt" (31).

Wat des Heeren heiligen bidden, dat bidden zij door den Geest. (Rom. 8 : 26.) Wat zij dus bidden, dat wordt hun te bidden gegeven; zij bidden om vervulling van beloften, die zij van den Heere ontvangen hebben. Op grond van zulke beloften bidt hier ook Salomo, en is van de verhooring zeker, alleen op grond van Gods ontferming' en waarheid. Juist omdat hij er zeker van is, bidt hij, alsof hij er niet zeker van was. (Zie Yers 17.) Dat doet het gevoel van eigene onwaardigheid. Die beloften, welke de vaderen onder het Oude Verbond hadden, hebben wij mede, die kinderen des Verbonds zijn. — Wat zegt nu onze Heere en Zaligmaker Matth. 7 : 7 en 8, 18 : 19 en 20, en Joh. 16 : 23? Dewijl wij deze beloften hebben, zoo laat ons niet vertragen in het gebed om de vervulling.
Letten wij daarom: I.) Op ons bidden. II.) Op de verhooring van ons gebed.
Ten aanzien van het eerste vragen wij:
1.) W a a r o m zullen wij bidden? Er is voorwaar steeds oorzaak en reden, om te allen tijde te bidden en opzettelijk om dit of dat te vragen, dit of dat af te smeeken of weg te bidden. Die oorzaak of reden is er óf vanwege algemeenen, óf vanwege bijzonderen nood. Onderzoeken wjj ons, of er niet altijd oorzaak is.
2.) W a n n e e r zullen wij bidden? Vragen wij naar dag en uur? Vooreerst staat er geschreven: „Bidt zonder ophouden". Zie verder Ps 59 : 17; 92 : 3. Daniël bad driemaal daags. In de Handelingen lezen wij van het namiddaguur, „de negende ure des daags", bijv. Hoofdstuk 1 0 : 3
. 3) W a a r zullen wij bidden? De ouden baden in den tempel of met hun aangezicht naar den tempel gekeerd. Dan. 6:11. Wat beteelcende dit? Dat wij God alleen aan te roepen hebben, Die eens boven de ark der verzoening Zijnen genadetroon had, en dat Hij nu alleen in Christus te zoeken en te vinden is, gelijk ook alleen in Hem elke verlossing. Rom. 3 : 25. Ezra. 2 : 2. Aan geene plaats zijn wij thans meer gebonden, waar wij te staan of neder te knielen hebben, maar het hart en de oogen naar boven! Zie Joh. 4 : 20—24, Hoofdstuk 17 : 1. Vooral hebben wij acht te geven op het vierde gebod. ZieHeid. Cat. Antw. 103; vergelijk 1 Tim. 2 : 1 e n l l e b r . 10 : 25. Dus op de vraag „Waar?" is het antwoord: A. Waar de Gemeente samenkomt. B. Waar twee of drie ia 's Heeren Naam vergaderd zijn. Matth. 18 : 10. C. Waar anderen ons niet kunnen zien. Matth. 6 : 6.
Gij hebt dus te bidden:
a.) Met de Gemeente,
b.) met uw gezin,
c.) voor u alleen.
4.) Hoe hebben wij te bidden? Yragen wij hier eerst: Wien hebben wij, dien wij aanbidden? God alleen. Zoo Salomo: „Hoor Gij uit den hemel", enz.. Het hart voor Hem opengelegd. „Gij alleen kent het hart der menschenkinderen." Hij proeft de harten en de nieren. — Abraham weet van ons niet. Dus geene heilige beelden of engelen. Openb. 22 : 9. Verder zeggen wij: Het gebed zij van harte, uit een ootmoedig, verbroken hart, gemeend, geloovig, vertrouwend, onder diep gevoel van zonde en eigene onwaardigheid. Denk aan Abraham (Gen. 18: 27), aan den tollenaar, aan Ezra's gebed (Ezra 9 : 6). Met hoogen eerbied voor Gods Majesteit, en toch kinderlijk. Hoor verder, wat Petrus zegt 1 Petr 5 : 6. Geen grond hier in onszelven, noch rechtsgrond in Gods rechtvaardigheid, maar alleen in Zijne barmhartigheid, in den Naam Jesus; dezen geloovig omhelzende, hebben wij eenen Middelaar en Voorspraak. Rom. 8: 34; Hebr. 7: 25 en 9 : 24; Joh. 1 4 : 6; Ef. 5 : 12; Dan. 9 : 17—19.
Aangaande de verhooring van ons gebed vragen wij:
1.) W a n n e e r wil God inzonderheid ons gebed verhooren? Zie Vers 28.
2.) W a t verhoort God? Vers 29: „Alle gebed,alle smeeking."
3.) W i e n verhoort God? „Eenig mensch of Uw volk Israël."
4.) W a t w o r d t er b i j den b i d d e r w a a r g e n o m e n? „Als zij erkennen een ieder zijne plage en zijne smarte, en een ieder zijne handen uitbreiden zal", enz.. 5.) Van waar verhoort de Heere? „Uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning."
6.) H o e d a n i g is de verhooring ? „Naar al zijne wegen, want Gij alleen kent het hart van de kinderen der menschen." Dat kunnen menschen veroordeelen, beoordeelen kunt Gij het alleen.
7.) W a a r t o e verhoort de Heere? Zie Vers 31. 1 Februari 1862. H. E. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juni 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Schets over 2 Kronieken 6 : 29—31.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juni 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken