Bekijk het origineel

Georg Izraël en de Broederuniteit in Polen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Georg Izraël en de Broederuniteit in Polen

9 minuten leestijd

HOOFDSTUK X".

DE VERDERE LOTGEVALLEN DER GEREFORMEERDEN IN POLEN.

Daar de overeenkomst van Sendomir op Gereformeerden grondslag gesloten was, konden de Lutherschen er aanvankelijk slechts noode in berusten, en spoedig rukten zij er zich zelfs geheel van los en gingen hunne eigene wegen. De Broeders en de Gereformeerden smolten echter hoe langer zoo meer tot ééne Kerk samen, en droegen al het lief en leed gemeenschappelijk. Na den dood van Sigismund August sloot de Gereformeerde adel eene confederatie, en wist het vóór de keuze van eenen nieuwen koning door te zetten, dat er een algemeene godsdienstvrede werd afgekondigd en den Protestanten in het Poolsche Rjjk voor altijd dezelfde rechten als den Roomsch-Katholieken werden toegekend. Men noemde dit den „Pax dissidentium" (1573), — alle Evangelischen in Polen werden namelijk met den algemeenen naam van „Dissidenten" bestempeld. Maar de kortzichtige Gereformeerde adel, hoewel in de meerderheid, liet toe, dat er eene wet werd aangenomen, waarbij bepaald werd, dat de koning Roomsch moest zijn, zoodat de Jezuïeten voortaan eenen gevaarlijken invloed op het bestuur des lands konden oefenen. Had men zich eerlijk en trouw aan den Consensus van Sendomir gehouden, dan zou de Protestantsche partij in Polen veel machtiger dan de Roomsche zijn geweest; maar de hardnekkige Lutherschen in Polen en Duitschland werkten door hunnen tegenstand de Jezuïeten in de hand.
De Gereformeerde vorst van Zevenburgen, Stephan Bathorv (1576 —1586), ging, toen hij tot koning van Polen gekozen was, tot de Roomsche Kerk over; en wel is waar bemoeilijkte hij zelf de Gereformeerden niet, maar hij liet de Jezuïeten in hunne vijandschap begaan, zoodat zij de Protestanten straffeloos op allerlei wijzen konden onderdrukken.
Sigismund III (1587 — 1632), een Luthersche prins uit Zweden, ging, toen hij als koning van Polen den troon beklom, eveneens tot de Roomsche Kerk over en verkortte hoe langer zoo meer de rechten der Protestanten. Onder zijne langdurige regeering was de staatkundige macht van den Gereformeerden adel reeds bijna geheel geknakt; de Dissidenten werden van alle openbare ambten uitgesloten, en de overgang van Protestantsche edelen tot de Roomsche Kerk kwam steeds veelvuldiger voor. Zelfs de afstammelingen van den Hervormer Johannes a Lasco werden Roomsch. Ook de Broedergemeente te Posen werd door de Roomschen vernietigd. Het niet ver van daar gelegen Lissa werd nu de hoofdzetel der Uniteit.
Met het oog op het hoe langer zoo meer dreigende gevaar stelden de Gereformeerden en de Broeders alles in het werk, om alle Evangelischen in Polen opnieuw te vereenigen; daarom werd er tegen den 25Bte" Augustus 1595 eene gemeenschappelijke synode te Thorn bijeengeroepen. Onder voorzitterschap van graaf Andreas Leszczynski, en in tegenwoordigheid van Turnovsky en Erasmus Gliczner, werd de overeenkomst van Sendomir opnieuw bekrachtigd in de zoogenaamde „Declaratio Thoruniensis", en vereenigden alle drie Belijdenissen zich in liefde; doch de vertegenwoordiger der exclusieve Lutherschen, Paul Gerike, weigerde hardnekkig, den Consensus van Sendomir te onderteekenen.
Nieuw leven voor eenigen tijd brachten in de reeds wankelende Protestantsche Kerk van Polen de Boheemsche uitgewekenen, die na den ongelukkigen slag bij den Witten Berg, in 1620, een toevluchtsoord in het Poolsche Rijk zochten. Naar Lissa vluchtte o a. ook de laatste bisschop der Uniteit, de beroemde paedagoog Johann Amos Comenius. De Broederkerk bezat destijds in Polen meer dan 60 Gemeenten; te Thorn had zij eene inrichting tot opleiding van predikanten, en te Lissa was Martin Gratian Gertich senior van den Poolschen tak der Uniteit. Nu kwamen er meer dan 30 000 vluchtelingen, waaronder 500 adellijke familiën en meer dan 100 Broederpredikanten, uit Moravië en Bohemen naar Polen. Te Lissa zelf zochten meer dan 30 Broederpredikanten een onderkomen, o. a. Georg Erastus, Broedersenior uit Moravië, voorts de leden van het consistorie van Praag, de senioren Paul Fabricius en Johann Cyrillus, welke laatste den keurvorst van de Palts, Frederik Y, tot koning van Bohemen gekroond had.
Lissa bezat reeds eene Poolsche en eene Duitsche Broedergemeente; nu vormde er zich uit de vluchtelingen nog eene Boheemsche, en werd er door de Broeders eene drukkerij opgericht. Senior van het Boheemsch-Moravische deel der Uniteit ia Polen werd Cyrillus, de schoonvader van Comenius. Toen hij in het jaar 1632 stierf, werd in zijne plaats Matthias Prokop benoemd, die den 16de" Februari 1657 te Lissa overleed. De edele graaf Raphael Leszczynski wenschte zeer, dat het Rijk Gods in Polen uitgebreid werd, en veranderde daarom de schcol te Lissa in een gymnasium. Toen Comenius te Lissa gekomen was, hield hij zich daar bezig met het onderwijs der adellijke jeugd, waarbij hij hoe langer zoo meer gebreken ontdekte in de toenmalige opvoedingsmethode. Ten einde eene betere methode ingang te doen vinden, schreef hij verscheidene boeken over het onderwijs der jeugd, o. a. „Janua linguarum", „Orbis pictus" en „Didactica", die weldra in alle Europeesche talen werden overgebracht.
Op de synode, in October 1632 te Lissa gehouden, werd Comenius tot senior gekozen en tot secretaris der Uniteit en bestuurder van het schoolwezen benoemd. Als eerste bisschop van de gezamenlijke Uniteit in Polen werd Georg Erastus gekozen. Comenius werd al spoedig de ziel der geheele Uniteit in Polen; door zijn onderwijs en zijne geschriften, door woord en daad trachtte hij de verstrooide en door zoovele beproevingen geteisterde kudde bijeen te houden. Van 1634 tot 1641 bestuurde hij het gymnasium te Lissa; in het jaar 1636 werd hij ook predikant der Boheemsche Gemeente aldaar, en hield in hetzelfde jaar de. lijkrede over graaf Raphael Leszczynski.
Hadden de Protestanten onder Sigismund I I I veel te lijden, nog erger wedervoer hun onder de volgende koningen. Den Gereformeerden adel werden alle rechten ontnomen ; de overgang tot de Gereformeerde Kerk werd niet meer toegelaten, en het bouwen of herstellen van kerken ten strengste verboden. De Jezuïeten sloopten de Protestantsche kerken, en de Protestanten mochten ze niet weer opbouwen. De kinderen van den Protestantschen adel werden met geweld Roomsch opgevoed. Met al hunne bezwaren en verzoeken op de Rijksdagen klopten de Dissidenten aan eens dooven mans deur; wanneer de Koning hun in iets ter wille toonde te zijn, dan dreigde de Paus hem met den ban. Vóór de keuze van eenen nieuwen koning echter werden hun altijd ijdele beloften gedaan. Naar aanleiding van de voortdurende klachten der Dissidenten over den haat en de wreedheid der Roomsche priesters, riep koning Yladislav IY den 28ste" Augustus 1645 de Gereformeerden, de Broeders, de Lutherschen en de Roomschen tot het houden van eene vriendschappelijke samenspreking te Thorn bijeen, — het zoogenaamde „Colloquium charitationum", — opdat zij zich over de betwiste geloofsartikelen met elkander konden verstaan en zich met elkander zouden vereenigen. Ook Comenius nam aan dit gesprek deel. Al de Protestanten wilden eendrachtelijk vereenigd tegenover de Roomschen staan; de Luthersche adel in Polen richtte derhalve van te voren tot de "Wittenbergsche faculteit de vraag, of men zich met de Broeders zou kunnen vereenigen, doch de Luthersche faculteit ried dit beslist af, en zeide, dat men onder geene voorwaarde met de Broeders op het in Thorn te houden gesprek zou mogen onderhandelen.
De naam van Comenius was reeds door geheel Europa zóó beroemd geworden, dat men zijne hulp tot verbetering van het schoolwezen in verscheidene landen inriep Hij gaf allereerst gehoor aan eene uitnoodiging om in Engeland te komen, en toen daar zijne plannen tot hervorming der scholen wegens de uitgebroken Iersche onlusten niet verwezenlijkt konden worden,, nam hij eene uitnoodiging aan van den heer Lodewijk de Geer,, eenen in Zweden wonenden Hollander, die hem de middelen verschafte voor zijne wetenschappelijke studiën. Comenius vestigdezich te Elbing, onderwees er op verzoek van het stedelijk bestuur de jeugd, en hield zich met algemeen wijsgeerige studiën bezig. Daarbij moest hij tevens de belangen der Broederkerk behartigen. De Uniteit, die hem tot het verblijf in den vreemde vergunning gegeven had, verlangde nu, dat hij zijne studiën en letterkundige werkzaamheden zou staken en tot de Gemeente terugkeeren; en daar hij in het jaar 1648 tot bisschop der Uniteit gekozen werd, keerde hij naar Lissa terug Hier zette hij, terwijl hij de Gemeente verzorgde, zijne wetenschappelijke werkzaamheden voort. Ook kreeg hij nog gelegenheid, om te voldoen aan eene uitnoodiging van de vorstin Rakoczi, om in Hongarije te komen en het schoolwezen te Saros Patak te verbeteren. Maar de treurige toestanden der Uniteit in Polen dwongen hem, in Juni 1654 naar Lissa terug te keeren.
Den Broeders was de kerk te Ostrorog ontnomen, waar zich de zetel der senioren, de school, de kas, het archief en de bibliotheek bevonden. De zoon van den edelen Raphael Leszczynski, Boguslaus Leszczynski, ging tot de Roomsche Kerk over; daarmede verloren de Broeders hunnen invloedrijksten beschermer. Den Gereformeerden werd de groote kerk te Lissa ontnomen, zoodat zij zich eene nieuwe moesten bouwen. Comenius deed alle moeite, om de verstrooide kudde bijeen te houden - maar in den Zweedsch-Poolschen oorlog werd den 29ste" April 1656 Lissa door de Poolsche kozakken verbrand en verwoest, de nieuwgebouwde kerk in eenen puinhoop veranderd, en de geheele Gemeente verjaagd en verstrooid. Comenius verloor al zijne bezittingen, zijne boeken en handschriften, waaraan hij zijn leven lang gearbeid had, en hij zelf moest in Duitschland rondzwerven, totdat de heer Laurentius de Geer hem naar Amsterdam ontbood, waar hij na zoovele beproevingen eindelijk rust vond, en den 15aen November 1671 ontsliep.
Na de verstrooiing der Gemeente te Lissa werd Brieg in Silezië de verzamelplaats der Boheemsche ballingen, waar Daniël Streje hun predikant was. Bisschop der Poolsche Uniteit was destijds Johann Bythuer. Op de Synode te Milenczyn in hec jaar 1662 werd Nikolaus Gertich tot senior van het Poolsche, en Peter Jablonsky (Figulus), schoonzoon van Comenius, tot senior van het Boheemsche gedeelte der Uniteit gekozen, die beiden door Bythner werden geordend. Jablonsky' was predikant te Danzig; zijne vrouw heette Elisabeth Comenius. Hij was een der Boheemsche uitgewekenen, en Comenius wenschte hem tot zjjnen opvolger in het bisschopsambt benoemd te zien. Doordien echter Jablonsky den 12de" Januari 1670 overleed, bleef Comenius de laatste bisschop der Boheemsche Uniteit.
Nadat tusschen Zweden en Polen vrede gesloten was, keerden vele Broeders naar Lissa terug en leefde de Broedergemeente weder op, doch zonder ooit weder tot haren vroegeren bloei te geraken. De Boheemsche ballingen in Polen leden groot gebrek, en zonden daarom de predikanten Johann Abdon en Paul Straskovsky naar Zwitserland, om daar bij de geloofsgenooten hulp te zoeken. Met hetzelfde doel werden de predikanten Adam Samuel Hartmann en Paul Cyrillus naar Nederland en Engeland gezonden. [Slot vulgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Georg Izraël en de Broederuniteit in Polen

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken