Bekijk het origineel

Overdenking van Jeremia 31 : 38—40. (Slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Jeremia 31 : 38—40. (Slot)

12 minuten leestijd

„Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat deze stad den Heere zal herbouwd worden, van den toren Hananeëi af tot aan de Hoekpoort. En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb. en zich naar Goath omwenden. En het ganBehe dal der doode lichamen, en der asch, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den Heere eene heiligheid zijn ; er zal nietB weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid."

Wij vragen in de tweede plaats: H o e v e r s t r e k t z i ch h e t b o u w e n G o d s u i t ? m. a. w. wat is de omvang der nieuwe stad? wat wordt mede door hare muren ingesloten? De stad zal den Heere herbouwd worden van den toren Hananeëi at' t o t a a n de H o e k p o o r t , lezen wij. Dat was eene poort aan den zuidwestehjken kant van Jerusalem, die men doorging, om in het dal Tofeth of het dal Ben-Hinnom te komen. .Tuist ten tijde van Jeremia werd daar de vreeselijkste afgolerij gepleegd ; het was eene plaats der gruwelen. Wij lezen daarvan Hoofdstuk 7 : 31 vv.: „De kinderen van Juda hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons van Hinnom is, om hunne zonen en hunne dochteren met vuur te verbranden, hetwelk Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de Tleere, dat het niet meer zal geheeten worden Tofeth, noch dal des zoons van Itinnom, maar moorddal ' ; en verder Hoofdstuk 32 : 35: „En zij hebben de hoogten van Baal gebouwd, die in het dal des zoons van Hinnom zijn, om hunne zonen en hunne dochteren den Molech door het vuur te laten gaan". Om kort te gaan, het was toen de plaats van den afschuwelijksten afgodendienst, van de grootste goddeloosheid, van den schaamteloosten afval van den Heere. Daarheen leidde nu de Hoekpoort. Door deze poort ging men dus heen, om deel te nemen aan al de gruwelen der afgoderij, weshalve zij in eenen slechten reuk stond. Wie daar heenging, werd aangezien voor eenen goddelooze, waarmeö een vrome geene gemeenschap kon hebben. Maar ook tot daar, tot degenen, die het diepst gezonken, het verst afgeweken zijn, van wie men zou moeten denken : Die zijn reddeloos verloren, daarvan komt niemand meer terecht, — ook tot daar zal zich de genade Gods uitstrekken, ook dezulken zullen mede opgenomen worden in het nieuwe Jerusalem, dat den Heere gebouwd wordt. — E n , lezen wij verder Vers 39, h e t m e e t - s n o e r zal w i j d e r s n e v e n s d e z e l v e u i t g a a n t o t a an d e n h e u v e l G a r e b , e n z i c h n a a r G o a t h o m w e n d e n. Gareb wil eigenlijk zeggen: schurft, en beteekent eene Ieelijke, walgelijke huidziekte Op dezen heuvel, buiten de stad Jerusalem gelegen, woonden menschen, die aan deze ziekte leden, daar bevonden zich de melaatschen, die buiten Jerusalem, de heilige stad, gesloten waren, en daarmee uitgesloten waren van den dienst van God, van den tempel, de offers, — menschen, die van verre moesten staan en roepen : „Onrein, onrein!" als hun een reine Israëliet naderde. En „Goath" komt van een woord, dat beteekent: brullen, luid kermen van smart; het wil dus zeggen: eene plaats, waar gejammer en geroep tot God uit grooten nood opstijgt. Wat dus buiten het heilige Jerusalem gesloten is, wat zichzelven niet anders kent dan onrein en geheel bedorven, dan melaatsch van het hoofd tot de voeten, wat uit zijnen grooten nood tot God roept en jammert, dat moet mede ingesloten worden in het nieuwe Jerusalem; ook tot daar zal zich het meetsnoer des Evangelies, der vrije genade Gods in Jesus Christus uitstrekken, het meetsnoer, waarmeê afgemeten en aangeduid wordt, wat er toe behooren zal, en wat niet. En dan volgt verder, wat d e n H e e r e e e ne h e i l i g h e i d zal z i j n , d. i. wat in Zijne gemeenschap zal opgenomen worden, wat een voorwerp Zijner ontferming zal zijn —: namelijk h e t g a n s c h e dal d e r d o o d e l i c h a - m e n , en d e r a s c h (Vers 40.) Dit is hetzelfde Tofeth, of dal Hinnom, het oord vol gruwelen, waarover Gods oordeel gegaan was, zoodat Hij het met lijken gevuld had, het dal, waarvan wij reeds gehoord hebben, dat de Iïeere daarvan gezegd had : „Het zal moorddal geheeten worden", en waarvan wij Hoofdstuk 7 : 33 lezen, dat aldaar de doode lichamen dos volks het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zouden zijn. Zou men niet denken, dat een dal waar zulke gruwelen geschiedden, dat zoo verontreinigd werd, — immers werd de naam van dit dal later gebruikt, om de h e l aan te duiden, — voor altijd van de genade was uitgesloten, en nimmer tot Jerusalem, de stad Gods, zou kunnen gerekend worden? Gods Woord spreekt hier echter anders. „Het zal den Heere eene heiligheid zijn", zoo staat geschreven. — En verder komen daarbij: al de v e l d e n t o t a a n de b e ek K i d r o n , t o t a a n den h o e k van de P a a r d e n p o o rt t e g e n h e t o o s t e n . Dat is het dal van de Kidron, van de plaats, waar het dal Ben-Hinnom zich er mede vereenigt, tot opwaarts aan den tempelmuur. Dat was ook eene onreine plaats. Daarheen werd alle afval, alle onreinheid van den tempel, van de offers gebracht, daar werden allerlei afschuwelijke dingen neergeworpen, die uit het heilige Jerusalem moesten weggedaan worden. Dit vond bijv. plaats bij de reiniging van den tempel Gods onder Hiskia. Wij lezen 2 Kron. 29 : 16: „Maar de priesteren gingen binnen in het huis des Heeren, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis des Heeren al de onreinigheid, die zij in den tempel des Heeren vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron". En zoo ook in het volgende Hoofdstuk, Yers 14: „En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jerusalem waren", — die gebruikt waren bij den afgodendienst, — „daartoe namen zij alle rooktuig weg, hetwelk zij in de beek Kidron wierpen". Hetzelfde gebeurde later bij de reiniging van den tempel onder koning Josia, waarvan wij 2 Kon. 23 : 4, 6 en 12 lezen, dat alle gereedschap, dat voor Baal, en voor het beeld van het bosch, en voor al het heir des hemels gemaakt was, buiten Jerusalem aan de beek Kidron verbrand werd, en dat de asch daarvan in de beek geworpen werd. Zoo werd dus alle vuil, dat men uit het heilige Jerusalem wilde wegdoen, in het dal en de beek Kidron geworpen, en deze voerde het dan verder naar de Doode Zee. En nu komt de groote God en laat on3 verkondigen, hoe Hij Zijn Jerusalem bouwt, beginnende bij den toren Hananeël: wat tot hiertoe buitengesloten was als te gruwelijk en afschuwelijk, als te onrein en te zeer verdorven, dat moet nu opgenomen worden in Zijne heilige stad. Dat heeft H i j verworven en tot stand gebracht, Die uitgeworpen is uit Zijne eigene stad, onze Heere Jesus Christus, gelijk van Hem geschreven is, dat Hij, opdat Hij Zijn volk zou heiligen door Zijn eigen bloed, buiten de poort geleden heeft, — opdat wie van verre staat en sidderend en bevend vraagt: Is het ook voor mij? — het genadige antwoord verneemt: Gij, die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus; gij zijt niet meer vreemdelingen, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods.
E n hoe l a n g zal d i t n i e u w e J e r u s a l e m b e s t a a n? Hoe lang zal het duren, dat de onreine rein verklaard en die zichzelven als te zondig heeft moeten buitensluiten, in de genade Gods opgenomen wordt? Wij lezen verder: Er z a l n i e t s w e d e r u i t g e r u k t , n o c h a f g e b r o k e n word e n in e e u w i g h e i d . Het zal zoo blijven staan, als God het opgericht heeft. Eeuwig zal het bestaan. O, zoolang wij aan het bouwen waren, is hetgeen wij hadden opgericht, telkens weder uitgerukt cn afgebroken. De gebouwen onzer heiligste voornemens en besluiten, al hebben wij die ook, naar wij meenen, torenhoog opgetrokken, zij storten ineen als kaartenhuisjes bij den geringsten wind van de zijde onzer lusten en hartstochten. Onze heiligheid kan niet bestaan, waarlijk niet! Waren wij vandaag gereinigd, morgen was er weêr nieuwe onreinheid. In het werkverbond gold en geldt: „Doe dat, en gij zult leven". Het kwam echter niet tot het doen, hoezeer wij het ook beproefden, hoeveel moeite wij ons ook gaven. Wij hadden geen hart, om het te doen. En op de overtreding volgde de vloek, en heette het telkens weder: Van hier! het aardsche paradijs uit! de heilige stad uit! Maar nu is er een eeuwige grond gelegd, zoodat dit nieuwe Jerusalem niet uitgerukt, noch afgebroken kan worden, — en hetgeen God gereinigd heeft, niet voor onrein verklaard zal worden. Wel maken zich voortdurend vele vijanden daartegen op. De duivel houdt niet op met zijn aanklagen, gelijk hij dit eens deed bij den hoogepriester Josua, toen deze in onreine kleederen voor den Heere stond. Maar de Heere zal ook blijven bij Zijn oordeel: „De Heere schelde u, gij Satan! j a de Heere schelde u, Die Jerusalem verkiest: is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?" De duivel gaat om als een briescliende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden, maar de Heere komt voor Zijne schapen op naar Zijn woord: Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal hen uit Mijne hand rukken, Ik geef hun het eeuwige leven. Ook van de zijde der wereld wordt deze stad veelvuldig aangevallen. De bouwlieden, die den Hoeksteen verworpen en voor onnut verklaard hebben, verwerpen ook, wat op Dezen gebouwd wordt en willen het niet als goed gebouwd laten gelden, ja, zij maken zich op, om, zooveel zij kunnen, te verwoesten, wat God bouwt. Doch steeds zal gelden, wat wij zingen in den 46s l en Psalm: „God is ons eene Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden eene Hulp in benauwdheden. Laat hare wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing, — de beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten; God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen". De grond is een eeuwige grond; want Gods liefde is eene eeuwige liefde, — en het woord blijft: „Ik zal Mij u ondertrouwen in eeuwigheid", — niet voor twintig of dertig jaren, maar in e e u w i g h e i d . Zijne genade is eene eeuwige genade, want zij rust op eene eeuwige gerechtigheid, die Jesus Christus heeft aangebracht, en waartegen de duivel niets kan inbrengen, — op een offer, dat eeuwig geldt in den hemel. Waar deze genade heerschappij voert, daar schenkt zij eeuwig leven, daar bewaart zij den vrede naar gewisse toezegging, daar onderhoudt zij het geloof, zoodat dit niet ophoudt. Wat de Heere Jesus Christus in den eeuwigen vrederaad voor den "Vader op Zicli genomen heeft, om het te volbrengen, wat Hij in Zijn bloed tot stand heeft gebracht, dat zal Hij ook bewaren. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen; Hij zal Zijne olie steeds weder doen toevloeien, zoodat men blijft zuchten: „O, God, wees mij zondaar genadig".
Dit wordt echter niet den gerusten gepredikt, die zich gaarne in slaap wiegen, om hun kwaad geweten tot zwijgen te brengen,
om voort te kunnen droomen van: „Vrede, vrede ! en geen gevaar!" Den zoodanigen wacht een vreeselijk ontwaken. Neen, dit wordt h u n gepredikt, dio vanwege hunne zonde in nood en benauwdheid vorkeeren, die zeggen:
Waar zal ik henengaan ?
Ik voel mij gansch belaan
Met schrikkelijke zonden,
— Waar wordt het heil gevonden ? —
hun, wien alle eigen grond onder de voeten weggezonken ia, dewijl zij ernst maken met Gods Wet, en toch zoo gaarne Gods Aangezicht mochten zien, gelijk de verloren zoon het aangezicht zijns vaders verlangde te zien, of hij daarin genade, of hij daarin nog hoop voor zich mocht lezen. Het wordt hun gepredikt, die van verre staan; z i j moeten het weten, wat zij bij den Heere vinden, wanneer zij in hunnen grooten nood tot Hem de toevlucht nemen en zich aan Hem toevertrouwen —: eene almachtige genade, een ruim, ruim hart, om zich over de meest verlorenen te ontfermen, en eenen eeuwigen grond des heils. En zoo zullen zij leeren, om zelf te belijden, wat zij te voren van anderen gehoord hebben, en het lied te zingen: „Wij hebben eene sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen". (Jes. 26 : 1.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juli 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Overdenking van Jeremia 31 : 38—40. (Slot)

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juli 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken