Bekijk het origineel

Overdenking vau 2 Corinthe 7 : 1 , (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking vau 2 Corinthe 7 : 1 , (Slot.)

„Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden! laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods."

10 minuten leestijd

De Apostel besluit zijne vermaning met deze woorden: V o l - e i n d i g e n d e de h e i l i g m a k i n g in de v r e e z e Gods. Waarin bestaat de heiligmaking? Heilig maken of heiligen is: afzonderen van onreinheid, van duisternis en dood. Daar God heilig is, niet anders dan de reinheid, het licht en het leven kan liefhebben, en daarin alleen woont, zondert Hij ook de Zijnen af vau alles, wat niet naar den Geest Zijner heiligheid is, en maakt hen heerlijk in en bij Zich eeuwiglijk; Hij bestraft daarom ook de onreinheid en de werken der duisternis. De heiligmaking of heiliging is dus een werk Gods en niet des menschen; de Apostel Petrus spreekt van „de uitverkorenen naar de voorkennis van God deu Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jesus Christus". (1 Petr. 1 : 2.) Door deze uitspraak wordt ons duidelijk geleerd, hoe het met de heiligmaking gelegen is, nml. aldus: de Heilige Geest zondert af tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jesus Christus, d.w.z. Hij brengt tot het geloof in Jesus Christus en doet daarin volharden, opdat wij van al onze zonden gereinigd zijn en blijven door het bloed des Zoons Gods. De Heilige Geest leert gehoorzaamheid, onderwerping aan het Woord der genade en waarheid, der gerechtigheid van Jesus Christus, en doet ons met al onze zonden en onreinheid gestadig de toevlucht nemen, voortdurend ons uitstrekken tot het bloed van het Lam Gods, Dat geslacht is van de grondlegging der wereld, welk bloed alleen ons reinigt van alle zonde. De heiligmaking is dus geene afzonderlijke zaak, die na de rechtvaardigmaking door ons, met behulp van den Heiligen Geest of in de kracht van Christus, moet betracht worden, maar zij is evenzeer als de rechtvaardiging eene gave Gods, ons geschonken in Christus Jesus, Die ons zoowel tot heiligmaking als tot rechtvaardigmaking geworden is van God, — zooals de Apostel Paulus dit 1 Cor. 1 : 30 met duidelijke woorden uitspreekt.
Maar nu gaat het om het deelachtig zijn dezer heilgoederen Gods. Het komt er op aan, dat wij persoonlijk gerechtvaardigd, gereinigd, geheiligd zijn; wij moeten voor onszelven het zaligmakend geloof bezitten. Daarom lezen wij hier ook van de heiligmaking, dat wij haar „voleindigen". Dat wil niet zeggen, dat wij deze gave Gods te volmaken hebben, alsof er iets aan ontbrak. Neen, het werk Gods, ons heil in Christus Jesus, is geen stukwerk, maar gansch volkomen. De heiligmaking voleindigen, wil zeggen : deze gave Gods bewaren, in Christus en Zijn Woord blijven, aan het geheiligd zijn door Zijn bloed genoeg hebben en naar geene zelfreiniging omzien, volharden in Christus Jesus als onze heiligmaking.
Een voorbeeld uit het leven moge het gezegde ophelderen. Iemand verwacht een voornaam bezoek, waaraan hem alles gelegen is; daarvoor trekt hij zijn beste kleed aan. Nu houdt hij dat kleed aan tot een kwartier vóór de komst van den hoogen bezoeker, en gaat zich nu met iets anders bezig houden, in plaats van den aanzienlijken heer af te wachten. De heer komt, en hij vindt dengene, die hem moest opwachten, niet welvoegelijk gekleed. — Ziet, dat is geen volharden Derhalve, wij voleindigen de heiligmaking, als wjj het kleed der heiligheid van Christus, dat God ons omgehangen heeft, niet uittrekken, ons er niet van laten ontdoen, maar het aanhouden, het bewaren tot op den dag Zijner toekomst. Zóó zal Hij ons rein en onbevlekt bevinden, wanneer Hij komt in Zijne heerlijkheid. Waar de Heilige Geest ons heiligt, daar worden wij al meer en meer aan onze zonde en onzen dood, aan onze onreinheid en ellende ontdekt, en in dien weg opent Hij onze oogen voor de gerechtigheid en het leven, voor de heiligheid en heerlijkheid van Christus. En zoo doet Hij ons verstaan, dat er van een heilig worden in onszelven niets komt, maar dat Christus onze heiligmaking is, dat wij op Zijn bloed en gerechtigheid ons verlaten mogen, daardoor alleen innerlijk wanen uiterlijk rein zijn. En dat is geene heiliging, die in de lucht zweeft, slechts denkbeeldig is; ook is het geen ideaal, dat wij moeten trachten te bereiken; — neen, maar het is wezenlijkheid, werkelijkheid. De Heilige Geest toch is de levende God, Die Zijn volk waarachtig verlost en afzondert van alle onreinheid, van elke duisternis, van iederen dood. — David werd door den Heere uitgerukt uit zijnen zondigen, onreinen weg; Petrus werd niet met rust gelaten, als hij zijnen Heiland verloochend had. Uit de ongerechtigheid uit, zóó maant en drijft de Heilige Geest in de Zijnen. De Heilige God keurt nooit de zonde goed, maar Hij verlost en spaart, tuchtigt en behoudt de Zijnen. Zóó lezen wij in Ps. 99 : 8: „O, Heere, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zij t hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hunne daden".
Gewis, de Heere handhaaft bij ons Zijne heilige Wet. Daarom schrijft ook de Apostel, dat het voleindigen der heiligmaking geschiedt in „de vreeze Gods", d. w. z. er is een achten en eeren van God en Zijn gebod, j a liefde tot God, gehechtheid aan Hem, een verlangen naar Zijne gemeenschap, eene begeerte krankom nabij God te zijn. En wat leidt en houdt van God af? Immers de leugen, de onreinheid in handel en wandel, en dat men niet waar is, niet recht staat tegenover den naaste. O, als het ons ernst is met het voleindigen der heiligmaking, als de Geest Gods ons heiligt, dan kan ons heilig-gemaakt-zijn in Christus Jesus ons geenen vrijbrief tot zondigen geven. Dan hebben wij geenen vrede bij een heulen met de leugen en de werken der duisternis; dan kunnen wij ons niet wentelen in het slijk der zonde en onreinheid; dan kan verkeerdheid en liefdeloosheid heijegens den broeder of de zuster niet blijven bestaan. De Heilige Geest laat ons geene rust. En houdt ook het zondigen ons onverleven lang niet op, — juist ons heilig-gemaakt-zijn inliet bloed van Christus dringt ons door de hand des Geestes telkens | hoereeren opnieuw tot Hem, onzen eenigen Heiland, opdat wij onder Zijne heerschappij niet door de zonde verslonden, maar door Zijne genade behouden zullen zijn.
Zoo werden door deze prediking des Apostels de Corinthiërs teruggevoerd en bevestigd op het standpunt, waarop zij door het Evangelie gezet waren, en aldus worden ook wij door zijne vermaning daarheen gewezen en geleid. Dat standpunt is o. a. zijnen Brief aan de Romeinen kort en klaar uitgedrukt in dit getuigenis: „Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heilig- making, en het einde het eeuwige leven" (Hoofdst. 6 : 22); in zijn schrijven aan de Corinthiërs in deze woorden: Uit God zijt gij in Christus Jusus, Die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing". (1 Cor. 1: 30.) IIet is dus de prediking: Uw gansclie heil, alles wat tot het leven en de Godzaligheid behoort, is er, is er voor u in den Heere Jesus Christus; houdt u daaraan, blijft daarbij, volhardt daarin, en gij hebt het geheel der heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.
De Apostolische vermaning in onzen tekst wijst dus alle zelfreiniging en heiligmaking des vleesches beslist af, waarschuwt juist voor deze zelf bewaring van de wereld, die toch niets verstaat van de krachten algenoegzaamheid van Christus'bloed en Geest; en zij wil ons tot de reinheid van handel en wanen del gebracht hebben, door ons te leeren niet op onszelven, op onze wijsheid en kracht te steunen, maar op te zien tot den almachtigen Heere, Die gezegd heeft: Ik zal u tot eenen Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn. Is toch die Vader heilig, zoo zal ook Zijn kind heilig zijn. En zijn ook zonde, dood, wereld en duivel machtig, en schijnen wij in den strijd tegen den doodvijand onder te liggen, — onze Vader in de hemelen is de almachtige Heere, en Hij is de Getrouwe, Die niet laat varen het werk Zijner handen. — Vraagt nu iemand : „Hoe zal ik aan de vermaning des Apostels beantwoorden ? hoe zal ik mijzelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods ?" zoo is het antwoord: Dat hebt gij niet van uzelven te verwachten, maar van den Heere alleen, van den God en Vader onzes Heeren Jesus Christus, Die in het Woord en door het Sacrament ons getuigt en verzegelt, dat Hij om Zijns lieven Zoons wil onze God en onze Vader is. En zal Hij ons met dezen Zoon Zijner liefde niet alle dingen schenken? Kan een kind in het huis van zijnen rijken Vader gebrek hebben; zal het niet goed gevoed, niet goed gekleed worden? zal het in nood en krankom heid niet dubbel goed verzorgd worden? Bljjve het maar in des Vaders huis, aan Hem gehoorzaam, en geniete het vroolijk als kind, wat de Vader voor Zijn kind is en heeft. „Onze Vader in de hemelen, houd Gij ons bij U en bij Uw Woord! O Levens- bron, verlaat niet wat Uw hand begon", — dus luidt het gebed van de Gemeente, van het ellendige en arme volk, dat op den Naam des Ileeren hoopt.
Of, is het ons n i e t te doen om reinheid in handel en wandel, bekommeren wij er ons niet over, of wij in het kleed der heijegens ligheid voor Christus bevonden worden, als Hij komt, — dat wij dan ontwaken uit den slaap der zorgeloosheid en der onverleven schilliglieid! „Of weet gij niet, dat de onrecht vaardigen het Koninkrijk Gods niet beërven zullen ? Dwaalt niet; noch hoereeren ders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch, dronkaards, geene lasteraars, geene roovers zullen het Koninkrijk Gods beërven." (1 Cor. 6 : 9 en 10.) Wie denken mocht, Christus en Belial, de werken der duisternis en die des lichts, de waarheid en de logen te kunnen vereenigen, — ach, die misleidt zich zeer! De keuze tusschen den dienst der zonde en dien der gerechtigheid moet geschied zijn. „Zoo iemand een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld." En de Heilige Geest verdraagt geene onreinheid, De Heere komt! Zijn wij gereed en wel gekleed, om Zijne komst vrij- en blijmoedig af te wachten? — Wij kennen de gelijkenis van den Heere Jesus, waarin Hij van het koninklijk bruiloftsmaal spreekt. „Als de Koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag Hij aldaar eenen mensch, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed, en zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen? geen bruiloftskleed aanhebbende? En hij verstomde. Toen zeide de Koning tot dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal weening zijn en knersing der tanden". (Matth. 2 2 : 11 — 1 3 ) Maken wij de toepassing op onszelven! Zijn wij gekleed met het kleed der heiligheid van Christus? Indien niet, dat wij ons dan haasten, om er mede bekleed te worden! het ligt gereed bij God. Hij schenkt het uit genade. En hebben wij het, — o leggen wij het niet af! voleindigen wij de heiligmaking in de vreeze Gods!
De oprechte zucht: „O God! beproef Gij mij! wees mij genadig!" Die nu aldus beeft en vreest, dien roept des Heeren Woord toe: Wees getroost! „op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, ep die voor Mijn Woord beeft. Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, zal dat voleindigen tot op den dag van Jesus Christus". (Jes. 6 6 : 2 ; Filipp. 1 : 6.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 augustus 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Overdenking vau 2 Corinthe 7 : 1 , (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 augustus 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken