Bekijk het origineel

Betrachting over Johannes 14 : 15—21. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Johannes 14 : 15—21. (Vervolg.)

15 minuten leestijd

D i e M i j n e g e b o d e n h e e f t , zegt de Heere ten slotte in Yers 21, e n d e z e l v e b e w a a r t , d i e i s h e t , d i e M ij l i e f h e e f t ; en d i e Mij l i e f h e e f t , z a l van M i j n en Y a d e r g e l i e f d w o r d e n ; en I k z a l h e m l i e f h e b b e n, e n I k z a l M i j z e i v e n a a n h e m o p e n b a r e n . Hij troost de Zijnen er mede, dat zij voor den Yader alle gerechtigheid en volmaaktheid hebben, dewijl zij in Hem zijn, alhoewel zij zondig en onvolmaakt in zichzelven zijn; ook dat zij alle kracht hebben, dewijl Hij in hen is, alhoewel zij in zichzelven ook machteloos zijn. Hij troost hen er mede, dat zij zulks door het geloof na Zijne opstanding, door de kracht daarvan zullen bekennen of ervaren. Zij moeten Hem slechts liefhebben, d. i. zich getrouwelijk aan Hem houden en bij al degenen, welker Hij Zich niet schaamt, hen broeders te noemen, en die volstandig bij Hem blijven. Deze liefde wil Hij van de Zijnen. De Heere wil niets weten van zulk eene liefde tot Hem, welke in het gevoel of in de bespiegeling haren grond heeft, maatniet met de daad wordt bewezen. Daarom zegt Hij in Vers 15 van dit Hoofdstuk: „Indien gij Mij liefhebt, zoo bewaart Mijne geboden", en in Hoofdstuk 15 : 10: „Indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult Gij in Mijne liefde blijven", en hier in het 20s l e Vers: „Die Mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is liet, die Mij liefheeft". Met deze leer van de ware liefde tot Hem verbindt de Heere de schoonste beloftenissen, zoowel in Vers 20 als in Vers 23 van dit Hoofdstuk.
Naardien het niet genoeg gezegd kan worden, zoo laat ons nogmaals nagaan, wat des Heeren geboden zijn, wat het is, ze te hebben, en wat, ze te bewaren, opdat wij ons onderzoeken, of wij ook den Heere liefhebben; en betrachten wij voorts de beloftenissen, welke de Heere dengenen geeft, die Hem waarlijk liefhebben.
Wat de Heere hier en in Vers 15, gelijk ook in Hoofdstuk 15 : 10, Zijne „geboden" noemt, noemt Iljj in Vers 23 en 24 Zijn „Woord" en Zijne „woorden". „Gebod" wil naar de oorspronkelijke beteekenis zeggen: eene mondelinge aanwijzing, een woord, dat iemand op het hart gehouden wordt, opdat hij tot het doel geraakt zij, of het doel, waartoe zijn weg voeren moet, bereikt hebbe. De Heere verstaat onder Zijne geboden of woorden alles, wat Hij in het algemeen of in het bijzonder ons van den Yader geopenbaard heeft tot onze persoonlijke en gemeenschappelijke zaligheid. De geboden des Heeren zijn dus eene aanwijzing, dat en hoe wij den goeden strijd te strijden, den loop te voleinden en het geloof te behouden hebben. Het woord „gebod", gelijk het hier voorkomt, zetten de Grieksohe vertalers van het Oude Testament dikwijls voor een woord, hetwelk iets beduidt, dat zóó diep in het gemoed geprent wordt, dat het nooit uit het geheugen verdwijnt; en ook voor een woord, dat beteekent: het inzicht in iets, hetwelk iemand gegeven werd, zoodat het bijna letterlijk beduidt: wat iemand van God vernomen heeft, doordien Hij hem tot een standpunt optrok, van hetwelk hij in het licht Gods den geheelen weg tot aan het gelukkig einde overzag, zoowel als de verschrikking aan het einde der bij- of zijwegen. Zoo zijn des Heeren geboden aanwijzingen en beschikkingen van Zijne liefde, hoe wij met Hem en aan Zijne hand onzen loop te voleinden hebben, om voorts van Hem als van eenen rechtvaardigen Rechter de kroon der rechtvaardigheid te ontvangen. Dit leven is een strijd en een loop en het komt er op aan, dat wij het geloof behouden, opdat wij den strijd wettelijk strijden en den loop voleinden. Het einddoel is de kroon der rechtvaardigheid. Het gebod des Heeren is geloof in Hem; Zijne geboden zijn: gelooven, liefhebben, hopen. Het geloof is werkdadig in de liefde; zoo heeft het de werken, en het volhardt in het doen, in de hoop. Het zijn des Heeren geboden, dat wij, die midden in den dood liggen en, wat onszelven betreft, goddeloozen, onreinen, verkeerden en machteloozen zijn, het leven buiten ons in Hem zoeken, — dat wij voor onze rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing in Hem blijven, elkander ook in de liefde dragen, gelijk Hij ons in Zijne liefde draagt, en tegenover duivel en wereld in Hem blijven in waar geloof en reinheid als tegenover vijanden, die Hij overwonnen heeft. Deze Zijne geboden zijn aanwijzingen: maakt het zoo, gelijk Ik het u getoond heb, gelijk Ik het u gezegd heb, dan zult gij dit en dat daarvoor ontvangen. Wordt gij door wet, duivel, zonde en dood aangevochten, omdat gij niet zijt, zooals de wet verlangt, noch hebt, wat de wet van u vordert, houdt u aan Mij, blijft in Mij, zoo zal het er wel zijn. Is uw broeder niet jegens u, gelijk de wet het eischt, wees barmhartig, bid voor hem en breng hem met zachtmoedigheid terecht; wees jegens hem, gelijk Ik jegens u ben, zoo zult gij barmhartigheid vinden. Gedraagt de wereld zich vijandig tegen u, dewijl gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der boosheid, — gedraag gij u als een Christen en volhard bij Mijn gebod. Ik geef het u honderdvoudig weder, wat gij daardoor verliest Gij zult ondervinden, dat Ik u steeds zal doen naar uw geloof.
Deze geboden des Heeren zijn evenwel niet nieuw of onderscheiden van de geboden des Heeren, waarvan David in den 19'le" of in den 119den Psalm spreekt, of van die, welke Mozes en de Profeten ons voorhouden. Zij, die van Evangelische geboden spreken, weteu niet, wat zij stellen of beweren. Het zijn de oude geboden, die door de geheele Schrift heen gevonden worden. Zij treden in den mond van den Heere Jesus slechts meer in het licht der rechtstreeksche, geestelijke beteekenis en in verband met tijd en omstandigheden te voorschijn, in den grond der zaak echter is de beteekeuis der geboden dezelfde, en de bedoeling dezelfde, of Mozes en de Profeten, of de Heere Jesus en Zijne Apostelen ze ons voorhouden. De Heere Jesus omvat in Zijne enkele uitspraken al datgene, wat by Mozes en de Profeten in honderd en duizend woorden het volk Israël ingescherpt werd. Wat bijv. onze Heere hier in Yers 21 zegt, is nagenoeg hetzelfde, wat wij in Deut. 7 : 12 en 13 lezen: „Het zal geschieden, omdat gij deze rechten zult hooren, en houden, en dezelve doen, dat de Heere, uw God, u het Verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uwen vaderen gezworen heeft; en Hij zal u liefhebben en zal u zegenen en u doen vermenigvuldigen"; en Hoofdstuk 8 : 18: „Maar gij zult gedenken den Heere, uwen God, dat Hij het is, Die u kracht geeft, om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn Verbond bevestige, dat Hij aan uwe vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is". Wie daarom de Schrift eenigermate met geestelijk verstand liefheeft en verstaat, zal spoedig vinden, dat de Heere Jesus hier in Vers 21 het geheele vijfde Boek van Mozes samenvat. Of beantwoordt niet het blijven in den Heere Jesus aan het eerste en het tweede gebod, ja aan de geheele eerste tafel der Wet? Zegt daarom Johannes niet in Zijnen eersten Brief, Hoofdstuk 5 : 20 en 21 : „Deze is do waarachtige God en het eeuwige leven. Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden" ? En Paulus in den Brief aan de Ilebreën, Hoofdstuk 4 : 11: „Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongeloovigheid valle"? Den naaste en den broeder barmhartigheid te bewijzen, gelijk ons barmhartigheid is geschied, eensgezind te blijven, de broeders lief te hebben, bij Gods volk te blijven, veel liever met het volk Gods smaadheid te lijden, dan de tijdelijke genieting der zonde te hebben, de versmaadheid van Christus grooteren rijkdom te achten dan de schatten van Egypte, — is dat niet, wat Mozes in zijn vijfde Boek het volk inprent? Is het niet hetgeen ook de 133s l e Psalm prijst: „Hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen"? Is dat niet de inhoud van de tweede tafel, j a van de geheele Wet? Neen, het zijn geene nieuwe geboden, de geboden des Heeren, maar oude; en wederom zijn het nieuwe, dewijl zij opnieuw ingescherpt worden met inachtneming van de op den voorgrond gestelde geestelijke beteekenis en met inachtneming van den tijd en de omstandigheden, alsook van het bevattingsvermogen dergenen, die ze hooren.
Wat het zeggen wil, zulke geboden te hebben, blijkt ten duidelijkste, als wij bedenken, dat onze eerste voorouders het gebod hadden: „Van allen boom dezes hofs zult gij eten". Het hebben der geboden wil zeggen, dat men ze vernomen heeft, dus er ten volle mede bekend gemaakt is, genoegzaam er in onderwezen is geworden.
De geboden des Heeren bewaren, wil zeggen: zichzelven in zijn binnenste er naar richten, opdat men in zijn hart aldus spreke: „Dit zijn des Heeren geboden; die heb ik als zoodanig; die heb ik als waarheid, als mijn leven leeren kennen, daarbij blijf ik"; — en dat men den uiterlijken wandel daarnaar richte. In het oorspronkelijke wil het zeggen: ze bewaren als eenen schat. Het voorbarig verstand zou onbescheiden vragen: Hoe zal men deze geboden kunnen hebben, het heilaanbrengende er van erkend hebben, en ze nochtans niet houden ? Het antwoord is: Wij kunnen ze zeer goed kennen, zonder ze te houden, d. i. ze op den duur te houden. Het weten is wind.
„Indien gij deze dingen weet", zeide de Heere, „zalig zijt gij, zoo gij dezelve doet." (Joh. 13: 17.) Het komt er op aan, of men ze houdt, als de lust opkomt, de aanvechting 'sterk wordt, de wereld ons bedreigt, of ons wat voortoovert. Waar de mensch ziehzelven te verloochenen en zijn kruis op zich te nemen en zich alleenlijk aan het geloof te houden heeft, daar is de natuur wel spoedig geneigd, om aanmerkingen te maken op de geboden, er iets van af te doen, of er iets aan toe te voegen. Het gebod meent men vanzelf te houden, en aan het verbod wordt zoo lang getornd, tot men overtreedt, en zich daarbij toch nog voor onschuldig houdt. DezeEva's-natuur hebben wij nooit ten volle afgelegd. Eva zeide niet tot de slang: „God heeft gezegd: Yan allen boom dezes hof zult gij vrijelijk eten, maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten", maar zij sprak aldus: „Van de vrucht der boomen dezes hof zullen wij eten". Zij zegt niet: „Van allen boom"; zij zegt hier ook niet: „God heeft gezegd", enz., en laat er op volgen : „Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is", (zij vergeet hier: „boom der kennis des goeds en des kwaads"), „heeft God gezegd" (hier eerst dat: „God heeft gezegd", als ware Hij een hard heer): „Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren", (dit: „noch die aanroeren", had God niet gezegd), „opdat gij niet sterft" (zoo had God het ook niet gezegd, als ware er slechts gevaar bij, maar: „Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven", d. i.: gewisselijk sterven).
Hoe weinig wij de Eva's-natuur afgelegd hebben, toont het gedrag van alle Gemeenten, aan welke de Apostel Paulus geschreven heeft! Hoe weinig hielden zij de geboden des Heeren, ofschoon zij ze hadden. Hij moest toch aan de Romeinen schrijven: „Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid ? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid". (Rom. 4 : 9.) En aan de Galatiërs Hoofdstuk 3 : 1 , 3 en 4: „O gij uitzinnige Galaten! wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jesus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vleesch? Hebt gij zooveel tevergeefs geleden?" En verder: „Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn! hoort gij de wet n i e t ? " (Hoofdst. 4 : 21.) En: „De geheele Wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben, gelijk uzelven. Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt". (Hoofdst. 5 : 14 en 15.) En: „Al degenen, die een schoon gelaat willen toonen naar het vleesch, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden". (Gal. 6 : 12.) Daar hebben wij het niet-houden, neen, het schenden van de geboden des Heeren. Heiliging des vleesches in den vorm van besnijdenis wordt ingevoerd in plaats van in den Heere te blijven. Daaruit komt liefdeloosheid voort; men dwingt tot afval van het geloof, en de grond is, dat men met het kruis van Christus niet wil vervolgd worden, maar het van zich werpt. Aan de Corinthiërs wordt geschreven, 1 Cor. 10: „Wordt geene afgodendienaars" (die van Christus afgaan); „laat ons niet hoereeren" (d. i. de reine gemeenschap der broederen prijsgeven); „laat ons Christus niet verzoeken" (d. i. den weg des kruises laten varen, als wij met ondergang bedreigd worden). Nogmaals wordt tot de Corinthiërs gezegd: „Indien ik de liefde niet had, zoo ware ik niets". (1 Cor. 13:2.) En wederom: „Indien gij het Evangelie behoudt, op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt". (1 Cor. 15 : 2.) En: „Doch ik vrees, dat niet eenigszins, gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, alzoo uwe zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is". (2 Cor. 1 1 : 3 .) Aan de Efeziërs achtte de Apostel het noodig te schrijven: „Niet uit de werken, opdat niemand roeme" (Hoofdst 2 : 9 ); en: „Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft" (Hoofdst. 4 : 3 2 ) ; en wederom: „Daarom neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en, alles verricht hebbende, staande blijven". (Hoofdst. 6 : 13.) En aan de Colossensen Hoofdstuk 2 : 6: „Gelijk gij dan Christus Jesus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzoo in Hem"; en Vers 18: „Dat dan niemand u overheersche naar zijnen wil". Hoe vermaant hij de Pilippensen in Hoofdstuk 3, dat zij in Christus zullen blijven! „Wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen en in Christus Jesus roemen, en niet in het vleesch betrouwen". Opdat zij eensgezind blijven, zegt hij: „Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is". Hoe bemoedigt hij hen in de verdrukking, opdat zij volstandig mogen blijven, hen wijzende op zijn eigen voorbeeld. (Hoofdst. 1:12—14.)
Zijn voorts de Brieven van Johannes van eenigszins anderen inhoud dan de geboden, waarvan de Heere in dit 14de Hoofdstuk spreekt? Zijn zij niet ééne vermaning om deze vermaning op te volgen? Ligt dat alles ook niet uitgesproken in den Brief aan de Hebreen? „Daarom", luidt het daar Hootdstuk 2 : 1 , „moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eeniger tijd doorvloeien"; en Hoofdstuk 10 : 38 : „Zoo iemand zich onttrekt, Mijne ziel heeft in hem geen behagen"; en Hoofdstuk 13 : 1 3 : „Laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende". En tot alle Gemeenten gaat in de Openbaring van Johannes de roepstem uit: „Wie overwint!"
Wij zien uit al deze getuigenissen, dat de Heere niet zonder reden zegt: „Die Mijne geboden heeft en dezelve bewaart". Dat moeten wij nu ter harte nemen en het wel verstaan, dat, zoo wij de geboden des Heeren hebben, het er op aankomt, deze te bewaren, en dat wij niet moeten meenen, dat dit zulk eene onbeduidende zaak is.
Hoe het nu met het bewaren dezer geboden gelegen is, leeren ons verder de eerste Hoofdstukken van het Boek Deuteronomium. Hier hebben wij het kenteeken of den toetssteen, waaraan wij onszelven kunnen kennen, of wij den Heere liefhebben ; er wordt toch niet bedoeld, dat wij met het houden van de geboden de liefde des Heeren verdienen. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. De Heere zegt niet: „Die Mijne geboden bewaart, dien zal Ik liefhebben", maar Hij zegt: „Die Mijne geboden bewaart, die is het, die Mij liefheeft"; zoo ook Vers 15 en Hoofdstuk 15: 10. (Vergel. Deut. 9 : 4.)
Dat is nu wel tot eene verschrikking der huichelaren gezegd, die huichelen, als Saul (zie 1 Sam. 15 : 10), of die met Demas de tegenwoordige wereld weder liefgekregen hebben, of als Kaïn de broederen haten, en toeh zeggen, dat zij niet gezondigd hebben (1 Joh. 1 : 10); de oprechten echter mogen nu vernemen, welken troost de Heere in deze woorden gelegd heeft (Slot volgl.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 september 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Johannes 14 : 15—21. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 september 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken