Bekijk het origineel

Overdenking van Psalm 2 : 11 en 12, (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Psalm 2 : 11 en 12, (Slot.)

11 minuten leestijd

„Dient deo Heere met vreeze, en verheugt u met beving. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen."
Toegang tot den dienst des Heeren, eene plaats in de rij Zijner knechten is ons bereid door den Zoon, Dien God gezalfd heeft tot Koning over Zion, den berg Zijner heiligheid. Door Zijn leven en werken op aarde, door Zijn lijden en strijden in de dagen Zijns vleeaohes, door Zijn bloed en dood heeft Hij vijanden met God verzoend. Zij, die dienstknechten der zonde waren, zijn door Hem Gode dienstbaar gemaakt. Hij si is het, van Wien de Heere door den Profeet Jesaia getuigt: „Door Zijne kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen". Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Aan dezen Zoon, den Geliefde, in Wien al Gods welbehagen is, tot Wien de Heere heeft gezegd: „Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd", heeft de Vader de eeuwige heerschappij gegeven, opdat Hij Koning zij over alle vorsten en volken der aarde, inzonderheid Koning over de Gemeente, welke Hij Zich verkregen heeft door Zijn dierbaar bloed. Tot dezen Zoon, Zijnen Uitverkorene, Zijnen Beminde, Zijnen van eeuwigheid af Gezalfde, sprak de Vader: „Eisch van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uwe bezitting. Gij zult hen verpletteren met eenen ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat". O, krachtige getuigenis, heerlijke profetie van Christus' macht en zegepraal over de wereld en heel het rijk der duisternis! Toen Hij in de wereld was gekomen, om te dienen en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen, is Hij wel door de vorsten en volkeren der aarde verworpen, Hij is door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood, maar God heeft Hem uit de dooden opgewekt en Hem tot eenen Heere en Christus, tot eenen Vorst en Zaligmaker der wereld gesteld. Zóó heeft de Vader den Zoon verheerlijkt, Hem bevestigd in Zijn eeuwig Koninkrijk, en zal Zijnen Rijkstroon schragen van geslacht tot geslacht. En alle zelfregeering van heidensche goddeloosheid en Joodsche eigengerechtigheid is te schande gemaakt en zal het blijven. Alle knie moet zich buigen in den Naam van Jesus Christus. Bewust, of onbewust, gewillig gemaakt, of gedwongen en vernederd, moet alle vleesch Hem dienen, Hem, Die de volken hoeden zal met eenen ijzeren staf; voor Zijn Woord en gericht moet alle tegenstand bezwijken, Hij voert Zijnen koninklijken scepter tot verderf of tot behoud; niets en niemand kan Hem wederstaan, 't moet alles voor Hem bukken. „De Vader heeft den Zoon lief en heeft alle dingen in Zijne hand gegeven. Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem."
Het gaat dus om het geloof in dezen Zoon. K u s t den Z o o n , zóó wordt eenen ieder toegeroepen. De kus was onder Israël een teeken van huldiging. Toen Samuël Saul tot koning had gezalfd, kuste hij hem ten bewijze, dat hij hem erkende en vereerde als den gezalfde des Heeren. (Zie 1 Sam. 10 : 1.) „Kust den Zoon", wil dus zeggen: Erkent, aanbidt, eert Hem als uwen Koning; brengt Hem uwe hulde als den Gezalfde Gods, uwen eenigen Heere en Heiland; gelooft in Hem, den Christus des Heeren, als Dengene, Die alleen u behoudt en zalig maakt; geeft u aan Hem over met lichaam en ziel, vertrouwt u aan Hem toe met geheel uw lot; onderwerpt u aan Zijn Woord en Zijne bevelen; verlaat u geheel op Hem, laat u door Hem leeren en leiden, regeeren en besturen. Neemt tot Hem de toevlucht in eiken weg en te allen tijd. Zoekt dagelijks Zijn Aangezicht. Hij zij uwe sterkte, uw troost, uwe eere en heerlijkheid, uwe vreugde en blijdschap, al uw heil en leven. Wanneer wij nu den Zoon kussen, den Koning Zions huldigen, Zijne sterkte hebben aangegrepen, vrede met Hem gemaakt hebben, dan ia er bij ons waarachtige verootmoediging en verbrijzeling des harten. De Koning Zelf heeft door Zijne almachtige genade, door Zijne eeuwige liefde onze vijandschap en onzen tegenstand gebroken. Uit onszelven toch komen wij niet tot Hem; maar Hij heeft ons overmocht, Hij is ons te sterk geworden, zoodat wij de wapenen tegen Hem moesten afleggen. Hij bracht ons als zondaars, als doodschuldigen aan Zijne voeten. Wij konden, noch durfden onzen mond voor Hem openen vanwege onze schande en vervloeking, wij haddon geenen moed, om Hem aan te zien wegens onze zware zonde en schuld, ons ongeloof en wantrouwen, wij lagen voor Hem neêr, vreezende en bevende, — doch Hij sprak vriendelijk en bemoedigend tot ons: „Ziet Mij aan", en Hij boog Zich tot ons neder, richtte ons op en gaf ons den kus des vredes. O, hiervan weten alle dienstknechten en dienstmaagden des Heeren te vertellen; en het is met weinige woorden door een hunner, nml. door den Apostel Paulus — te voren een vijand, maar door eenen genade-pijl des eeuwigen Konings getroffen — aldus verteld: „Mij, den voornaamsten der zondaren, is barmhartigheid geschied". Roem in zichzelven hebben dus geene van 's Heeren knechten, maar zij roemen en loven en prijzen alleen de genade en macht, de ontferming en trouw van hunnen Koning Christus.
Den Zoon te kussen, dat is dus: den Heere Jesus Christus aan te nemen en aan te hangen als onzen eenigen Wetgever en Behouder, bij voortduring mot al onze zonde en schuld, in onze nooden en dooden tot Hem te gaan als onzen Verzoener en Verlosser; Hem in geloove te omhelzen als onzen dierbaren en getrouwen Zaligmaker, buiten Wien geene zaligheid te zoeken of te vinden is; Hem te roemen als onze wijsheid van God, onze rechtvaardigheid, onze heiligmaking en onze verlossing; Hem te stellen tot onze sterkte en toeverlaat in den strijd tegen duivel, wereld en ons eigen vleesch, op Ilem te steunen als den Eenige, door Wien wij overwinnaars zijn over eiken vijand van ons heil; onszelven te verloochenen, ons kruis op ons te nemen, en Jesus, onzen Koning, te volgen langs gebaande en ongebaande wegen, door eere en oneer, door goed en kwaad gerucht. Wij zijn zondige, zwakke, arme, nooddruftige menschen, op onszelven ongeschikt en onbekwaam voor 's Heeren dienst, in onszelven onnutte dienstknechten in Zijn Koninkrijk, maar Christus, de Zoon, de Koning der genade en waarheid, der gerechtigheid en des vredes, — Hij dient ons, Hij leeft, om te helpen en te redden, te reinigen en te heiligen, om ons leven en overvloed te geven, ons te doen wandelen zooals het Zijnen heiligen betaamt, opdat zij onstraffelijk bevonden worden in den dag Zijner toekomst. Dies betuigen allen, die den Zoon kussen: In ons is de goddeloosheid en de machteloosheid, doch in den Heere hebben wij gerechtigheden en sterkte; niet ons, niet ons, o Heere, maar Uwen Naam geef eere!
Des Heeren woord komt daarom tot ons: „Kust denZoon", eert Hem, hoort Hem, gelooft in Hem. O, Hij is een genadig Koning, een vriendelijk en goed Vorst, genade is op Zijne lippen uitgestort, en het is Zijn lust, Zijn vermaak, om te zegenen, om te behouden het verlorene, ja den snoodsten zondaar schenkt Hij gaarne genade. Men denke echter niet verkeerd over Zijne liefde; al is zij als eene zee, die den stroom onzer ongerechtigheid verzwelgt, — zij handelt met heiligheid en rechtvaardigheid, zij heeft eenen afkeer van de zonde, van de duisternis en den dood; en zeker! zij geeft, waar niets is, maar zij houwt af, wat verkeerd is en verkeerd wil blijven. Zij t o o r n t tegen de leugen en de geveinsdheid en tegen alle verachters van Gods Rijksgeboden. Al wie den Zoon niet kust, wie den vrede met Hem niet wil, moet Zijnen toorn ondervinden. Voorwaar, als Z i j n t o o r n m a a r een w e i n ig o n t b r a n d t , dan moeten wij v e r g a a n op o n z e n weg, — wij gaan ten verderve. De vorsten en volken, blijven zij volharden in hunne vijandschap tegen den Heere en Zijnen Gezalfde, zoostorten zij in den afgrond des verderfs. Een Herodes en Pilatus zijn naar Zijn rechtvaardig oordeel Zijnen toorn niet ontvloden. Jerusalem met hare inwoners is in de diepste ellende gestort: stad en tempel zijn verwoest, en het volk der Joden, dat den Messias verworpen heeft, is tot op den huidigen dag tot eene aanfluiting gesteld. En zoo is het alle eeuwen door tot op onzen tijd gegaan met allen, die den Christus Gods bleven verachten. Hoe menig koning, hoe menig volksleider in Kerk en maatschappij, die tegen den Heere en Zijnen Gezalfde woedde, is met zijnen aanhang tenondergegaan, vernield door den adem des Almachtigen! En elke macht, elke hoogte, die zich verheffen blijft tegen den eeuwigen Koning, zal gevallen zijn, als de toorn des Lams ontbrandt. Wee, wee ons arme vaderland, als het voortgaat den Heere en Zijn Woord te verwerpen; wee, wee eenen iegelijk, die den Zoon Gods ongehoorzaam is.
Menschenkind! gaat gij uw pad in blindheid en onverschilligheid, in haat tegen God en Zijnen Christus ? uw weg schijnt u goed; in uwe zonde ziet gij geene schande, zij is u geene zonde, geene misdaad voor God, of gij vleit u met eigenwillige godsdienstigheid, gij dekt uwe naaktheid met de vijgebladeren der eigengerechtigheid. Gij mist de eeuwiggeldende gerechtigheid van den Zoon, den Christus Gods ! Sta eens stil, geef acht op het woord des Heeren: „Kust den Zoon!" Wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden, dan moet gij sterven, en gij hebt niets dan zonde en schuld, — gij moet sterven zonder den Heere Jesus Christus, zonder verzoening, zonder vrede! Heden, heden, zoo gij Zijne stem hoort, verhard uw harte niet. Haast en spoed u om uws levens wil. Nog-is het de dag der zaligheid. Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven ? spreekt de Heere Heere.
W e l g e l u k z a l i g z i j n a l l e n , d i e op H e m b e t r o u - w e n . Ja, de genade des Heeren Jesus Christus is machtig over allen, die tot Hem de toevlucht nemen. Wie met vreeze en beven denkt aan het ontbranden van den toorn des Zoons Gods, wie met verbroken harte vraagt: „Hoe zal ik bestaan, als in het gericht door God wordt wraak genomen?" die verneemt hier, dat al wie den Zoon kust, die van niets anders wil weten dan van Christus Jesus en Dien gekruisigd, den Heere der heerlijkheid, zalig is. Die mensch is geborgen in God. Hij heeft eeuwige verberging in den Heere tegen zonde, wereld en duivel, tegen vloek en toorn, tegen allen nood en dood, tegen hel en verdoemenis. „Daartoe toch", — schrijft Luther, — „heeft de Heere Christus in het vleesch geleden, en is van de dooden opgewekt; daartoe is Hij tot Koning gezalfd en heeft ook alles ten erfdeel ontvangen, opdat Hij kon zalig maken allen, die op Hem vertrouwen en die alléén daarin hunnen troost hebben, dat Hij regeert met Zijne genade en waarheid." Waarlijk, zulk vertrouwen maakt alléén rechtvaardig en geeft vrede en rust van binnen, al is ook daarbuiten alles onvrede en onrust; zulk vertrouwen doet ons in wegen van druk en smart nochtans blijmoedig ons pad gaan, en in bange tijden én voor onszelven én voor de onzen opzien naar den troon des allerhoogsten Konings, Die alles regeert en Wiens troon onwankelbaar vaststaat trots al het woeden en woelen van de machten der hel en der duisternis.
O zeker, dit vertrouwen komt niet uit ons en is bij ons als van onszelven niet; veeleer kant zich in- en uitwendig alles daartegen aan; maar zeker is het ook, dat hij welgelukzalig is, die zich niet ergert aan datgene, wat uitsluitend een werk is der Goddelijke genade, en niet van menschelijke wijsheid en kracht. Daarom mogen getroost zijn allen, die beven voor des Heeren Woord; moeten zij den toorn des Zoons over zich billijken, veroordeelen zij zichzelven en rechtvaardigen zij den Heere, — hun, die vreezen! roept de eeuwige Koning in genade toe: Yreest niet! gij zult niet sterven, maar leven en de werken des Heeren vertellen. En al zijn wij ook gedurig weêr vol vrees, en moeten wij in het zwart gaan vanwege de oordeelen Gods, de Heere blijft te midden Zijns toorns des ontfermens gedachtig; op die ontferming mogen wij pleiten en hopen, daarop mogen wij leven en sterven. Het zij en blijve ons aller bede: „Gedenk, Heere! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 september 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Overdenking van Psalm 2 : 11 en 12, (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 september 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken