Bekijk het origineel

Betrachting over Johannes 16 : 33,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Johannes 16 : 33,

15 minuten leestijd

„Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen."

Wij onderscheiden hier de wereld, de discipelen, den vrede der wereld, den onvrede en de verdrukking der discipelen, de woorden, die de Heere Jesus spreekt, en het doel, waarmeê Hij deze woorden spreekt.
In de eerste plaats dus de wereld. Wat bedoelt Johannes in zijn Evangelie en zijne Brieven met den naam „wereld"? Gewoonlijk maakt men deze onderscheiding: wereld is al datgene, wat onbekeerd is; al wat daarentegen bekeerd is, behoort niet tot de wereld. En zoo zijn er dan velen, die trotsch op de anderen nederzien en zichzelven voor dragers en steunpilaren des hemels houden. Ongetwijfeld, de wereld zijn diegenen, die zich niet tot God bekeeren; maar naar do meening des Geestes is juist dat de wereld, wat zich niet voor de wereld houdt, zooals de Farizeën deden. Dat ligt voor de hand. De Heere Jesus bedoelde toch, toen Hij deze woorden sprak, klaarblijkelijk in de eerste plaats de Farizeën, schriftgeleerden, overspriesters en oversten des volks; dezen bedoelt Hij, als Hij zegt: „Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt". (Joh. 17 : 9.) Daar neemt de Heere het woord wereld niet in den verachtelijken zin, zooals men gewoonlijk doet, maar Hij laat de wereld wereld blijven; Hij Zelf is echter door haar uitgeworpen. De wereld, die de Heere bedoelt, is dus eene wereld, die een vroom kleed draagt, rnaar in wier hart de ongerechtigheid is; het zijn zij, die zondaars willen zijn, doch niet zooals zij het zijn, — zij willen doorbreken mot hunne ongerechtigheid. Deze woorden, die de Heere hier spreekt, zijn niet gericht tot velen; want wat men gewoonljjk de wereld noemt, is niet de wereld, het heeft geenen haat tegen God en Christus, het vervolgt niet, het smaadt niet; maar dat is de wereld, wat zichzelf voor iets groots houdt, en zijn woord alleen wil doen gelden. De Farizeën en schriftgeleerden kenden het gansche Woord Gods wel, en wisten er alles van, maar den Heere uit den hemel verwierpen zij en lasterden den Heiligen Geest, Die in Iiem was, omdat Hij hen bestrafte, bestrafte in liefde, om hen terecht te brengen. Geheel op dezelfde wijze wordt de naam „wereld" ook in de Brieven van den Evangelist Johannes gebruikt. Om de ware belijders des Heeren te haten, moet men kennis bezitten van God en de Schrift, en kunnen onderscheiden, wat recht en wat verkeerd is. De wereld in den gewonen zin des woords, heeft de vromen lief, zjj weet wel, dat dezen ordelijke, rechtschapene menschen zijn, die niet stelen of bedriegen; maar de anderen, die de getrouwe discipelen gehaat hebben, die wilden niet de wereld zijn; de discipelen des Heeren echter willen zich met alle zondaars en met de gansche wereld op cénen hoop laten werpen. De wereld, die de Heere hier bedoelt, haat God, Christus en de Zijneu, omdat zij hare ongerechtigheid wil laten doorgaan voor gerechtigheid, en hare valsche munt voor echt goud. Zoo heeft men dan de wereld eenerzijds en de discipelen anderzijds, en de discipelen, — arme menschen zijn het, die zich moeten verheugen over 's Heeren woord: „Gij nu, o Mijne schapen, | schapen Mijner weide! gij zijt menschen; maar Ik ben uw God".
Dozen dragen allo menschen op liet hart en omvatten bon mot liunno liefde; maar voor liun gebod oogsten zij smaad, en zij mogen het maken en schikken, zooals zij willen, het wordt euvel opgenomen Er zijn duizenden geboden van raenschen, en al wat tot de werold behoort, wil do geboden handhaven, en alles moot in dozen zoo zuiver en rein zijn, dat er geen vlekje of smetje aan te vinden is Do wereld is te heilig, om openlijk met den vinger aan te roeren, wat God heeft geschapen; maar in het verborgen veroorloven zij zich alles. Met hare duizenden geboden van menschen treden zij alle geboden Gods mot voeten on willen regeeren. Maar do discipelen dos lleoron hebben maar één gebod, en dat is dit: God in waarheid te vreezen, Zijn Woord voor waar t,o houden, den Heere Jesus aan te hangen met een oprecht gemoed on den naaste lief' te hebben. Zjj weten slechts dit eene: zij zjjn niots, maar do lloero is alles. De werold laat het tor kerk gaan on het avondmaal houden enz. toe en houdt het voor goed; maar in de week dient zij den duivel on de ongerechtigheid, en des Zondags wordt het wat overpleisterd, het geweten toegesohroeid, — of lievor, zij heeft niet eens een geweten. Do wereld stelt zichzelvo hoog; op haar is niet van toepassing het woord: „Wij zijn geacht als slachtschapen". De Farizeön destijds waren zoo welgerust en wolgemoed on waren daarbij vaak vermogende lieden; men vond ze allerwegen bij weduwen on weezen, om hen te helpen en tot eenen vader te zjjn, on hou intuKschen te'bcroovon en te schenden. Do tompol stond daar in zijne heerlijkheid, maar do Iloore werd tot hot grauw gerekend, — hot was eene schande, om Hem te bezoeken. De Farizeön hadden vrede, want bij hen was do duivel koning, en waar dat het geval is, daar stelt hij alles in het werk, om te niet te doen do waarheid van het woord : „Ik zal vijandschap zeiten tusschen uw zaad en haar Zaad". Onvrede heeft do werold slechts in zooverre, als zij dit woord uit de wereld wil bannen. Maar God heeft vijandschap gezet, dat hoeft geen mensch gedaan, en deze vijandschap wil God bewaren en handhaven; en hoe ook wereld en duivel daaraan tornen, het zal hun niots baton Hot zal blijven staan, Zijnen Naam ten prijs en allen armen 011 cllendigen tot vrede Do wereld zal den Koning der gerechtigheid niet uit den weg ruimen on hare ongereohtighoid niet op den troon zotten. Of vriendschap met do wereld en dan vijandschap met God, óf vijandschap met de wereld 011 vriendschap mot God; óf overgezet uit de macht van hot zichtbare in hot rijk van het onzichtbare, óf eeuwig verderf. Deze vijandschap heeft men trachten op te hoffon; zoolang de wereld staat, is daaraan getornd ; maar God heeft haar gehandhaafd. Want dat is de waarachtige vrede, dat wij niet de zonde doen, maar de gerechtigheid, opdat men komo tot den levenden God, 011 dat men oigen lust, eigen zin en wil prjjsgeve of verloochene. Dit is do ware vrodo, die immer blijft.
Wolgelukzalig do man, welgelukzalig do vrouw, dio do goodo keuzo doot on gedaan hoeft: Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God! Daarmede wordt men in eeuwigheid niet beschaamd, maar als men dit vasthoudt in woorwil van alle onrecht en smaad, zal men ondervinden, dat men geenon dooden God aanbidt. Do wereld heeft altijd vrodo en wordt daarin niet gostoord, d. w. z. naar don schijn, — in werkelijkheid hooft de werold van binnen nooit vrede, maar altijd ouderlingen haat on nijd on eeuwigen strijd en twist. Zijn zij ook vrienden, zijn zij hot ook eens in het verwerpen van den Christus, zjj zitten elkander toch in de haren. Maar naar het uiterlijk is er bij de wereld vrede en eere, bij de discipelen des Heeren echter benauwdheid. Van waar deze benauwdheid! Daarvan, dat zij menschen zijn God weet, wat maaksel wij zijn. I3ij niemand onzer is eenige benauwdheid, als het naar het zichtbare goed mot ons staat; hebben wij gezondheid, vermogen, dan is er bij ons geene benauwdheid, geene bekommering. Wij menschen zien aan, wat voor oogen is; maar ons te houden aan het onzichtbare, staat niet in onze macht, het is eene gave der vrije genade en ontferming. Heb God verkoren, en Hij is verre van u ; heb Zijne Wet verkoren, en gij ziet hare vervulling niet; heb Christus verkoren, en gij ziet Hem niet, maar wel vele anti-christenen, — dan is er benauwdheid, verdrukking. — Behoeft een discipel des Heeren dan verdrukking to hebben? O neen, Hij heeft immers gezegd: „Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld". (Matth. 28 : 20.) Wel ons, dat deze groote Koning Zich over Zijne zwakken en ellendigen ontfermt Ging Hij niet voor op het witte paard met het zwaard in den mond, dan weken allen terug. Of is het niet zoo: als wjj den Catechismus ter hand nemen, dan lezen wij daar, dat loof on gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, ja dat alles, voorspoed en tegenspoed, ons van Zijne Vaderlijke hand toekomt; en nu, — daar ligt de man, de vrouw dood, het vermogen is weg, er is geen werk ; hoe bekommerd en benauwd is men ! Hoe wordt men van alle kanten gedrukt als men God en Zijn Woord voor waar houdt! Alle duivelen bestormen dan den mensch, de ganscho last van het zichtbare drukt op hem, alle baren eener gansche wereld rollen op hem aan, hij krijgt stoot op stoot. E11 toch heeft men het gansche Woord voor zich met al zijne beloften; men heeft ondervonden, dat God helpt en genadig is Duizendmaal reeds heeft de booswicht aan den boom gerukt en duizendmaal heeft de Hovenier hem woêr vastgezet, on toch, en toch is er telkens wéér benauwdheid Daaruit kunnen wij zien. welke arme menschen wij zijn. Geen mensch, die gelooven kan, wat de Heere zegt Goen mensch, die kan vasthouden, wat uit den mond Gods uitgaat. Geen mensch, die den vijand kan trotseeren; deze kracht bezit hij niet. Overal in de wereld vinden wij groote en machtige heidon, maar onze dierbare Heere en Heiland maakt geene helden, Hij Zelf is de Held, en zoo omringt Hij met Zijne Godheid, Majesteit, genade en Geest de Zijnen, opent hunne oogen, zoodat zij Zijne macht en goedertierenheid verstaan, en zij herademen in vrjjheid, de druk is van het hart weg, on zij vinden zich geborgen in Hom. „Ik meen toch, dat er vele geloofshelden geweest zijn, gelijk immers Paulus in het elfde Hoofdstuk van zijnon Brief aan de Hebreen er eene menigte opsomt." Dio allen zijn ook menschen geweest, die zich getroost hebben aan het woord : I n de w e r e l d z u l t gi j verdrukk i n g hebben. De wonderkoning David, die daar staat als een held, hij roept vol benauwdheid en hij vreest, dat hij nog in de handen van Saul zal vallen. De wonderapostel Paulus, dio pal staat tegenover Joden en Heidenen, hij zegt: „Toen ik de broeders zag, groep ik moed"; de moed ontzonk hem dus bijna. En verder: Wie is het, die hier spreekt? Het is onze barmhartige Hoogepriester. Iljj Zelf heeft deze benauwdheid doorgemaakt, Hij heeft geworsteld in Gethsémanó en heeft verkeerd in doodsangst; Hem hooren wij des daags roepen, en benauwdheid is nabij, Hij roept, en er is geen helper. Hij kent deze benauwdheid, omdat Hij er in is geweest, omdat zij op Hem losgestormd is Hij hield Zich aan Zijnen God; en dat juist is onze ellende, dat wij dat n i e t doen Alles wat zichtbaar is, kunnen wij gelooven Is er zichtbare bescherming, zichtbare hulp, dan gelojft men, dan is er geene benauwdheid. "Waarom zou de mensch benauwdheid hebben over het doorkomen, als hij zwart op wit heeft, dat hij zoo en zooveel ontvangen zal? Dat is onze zonde Op alles kunnen wij ons vertrouwen stellen, op al het zichtbare, maar ons vertrouwen te stellen op den onzichtbaren God, voor waarachtig en zeker te houden, wat uit Z|jnen mond is uitgegaan, dat is ons onmogelijk, van deze gave hebben wij ons door de zonde beroofd. Dat •was Adams zonde. Hoe is zij verzoend geworden? Onze dierbare Heere en Heiland, ons vleesch en bloed aangenomen hebbende, heeft verzocht willen worden als wij en om onzentwil, en wilde zulk eeue benauwdheid doormaken en heeft ze doorgemaakt, maar heeft het eeuwige Woord vastgehouden; al was Hij ook benauwd en bevreesd, toch hoeft Hij gezegd: „Vader, Uw wil geschiede!" en of Hij ook den dood in Zijne leden voelde, toch heeft Hij vastgehouden en geworsteld, zoodat het bloedige zweet Hem langs het lichaam vloeide Zoo weet Hij dan, welk eene benauwdheid Zijne helden moeten doormaken, zoo heeft Hij het Zelf ondervonden, heeft het voor ons ondervonden, en zegt het ons. Waarom zegt Hij het ons? •Opdat wij weten en verstaan, dat Hij het weet, dat Hem onze benauwdheid niet onbekend en verborgen, maar zeer wel bekend is. Ja Hij kent het vreezen en tobben van het arme hart, de machteloosheid, die is in hen, die op Hem hopen en niets willen dan Zijn gebod, Zijnen wil, Zijn Woord Welk eeue schrikkelijke zonde echter, niet te vertrouwen, Hem niet voor waarachtig te houden, zich telkens weder den eeuwigen schat uit de handen te laten slaan! Welk eene zonde, dat wij altijd weder de macht der genade vergeten ! Maar, Zelf verzocht zijnde, weet Hij onze zwakheid te hulp te komen. Het moet de hel in, opdat wij ten hemel varen. Alle zonden, die ons mogen aankleven. Hij heeft ze gekend; allen angst en nood heeft Hij doorgemaakt en nu zegt Hij: „In de wereld zult gij verdrukking hebben". Deze d i n g e n heb Ik tot u g e s p r o k e n , o p d a t g i j in Mij v r e d e h e b t . Hij is meer dan de wereld, Hij vermag met Zijnen pink meer dan alle duivelen samen; Hij is de Koning der koningen, de Heer der heeren; Hij spreekt, en het is er, Hij gebiedt, en hot staat er Welk eeneu vrede zullen dan de discipelen in llem hebben? Hij heeft gezegd: Vrede laat Ik u. Mijnen vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geefr, geef Ik hem u Uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd". (Joh. 14:27.) Welk eenen vrede geeft Hij dan? Den vrede met God, waarvan de Apostel Paulus schrijft in zijnen Brief aan de Romeinen, Hoofdstuk 5 : 1 : „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jesus Christus".
De duivel heeft gelijk en wil ook volstrekt gelijk hebben. De wereld had gelijk en zou het laatste woord hebben, toen de Heere van het kruis genomen en in het graf gelegd werd, en zij zeide : „Heer! wij zijn indachtig, dat deze Verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan; beveel dan, dat hot graf verzekerd worde tot don derden dag toe, opdat Zijne discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de dooden". (Matth. 27: 63 en 64; 28: 13.) De wereld zal het laatste woord hebben tegenover God, en de arme kinderen, die God aanhangen, weten van geen twisten, om gelijk te hebben, en als zij zoo aangeklaagd en veroordeeld worden, wie zal dan hun recht handhaven? Er is geen vrede in de wereld; „de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede" (Jes. 5 7 : 2 1 ) , zij huichelen dien, en het zal openbaar worden, als het laatste uurtje komt. Zjj zal ook geenen vrede hebben. Maar waar is deze vrede te zoeken, opdat het 'nart stil worde voor God ? — In Christus Jesus! Alles op Hem geworpen, alles bij Hem gezocht; bij Hem zullen wij het vinden, want een goed geweten voor God hebben wij door de opstanding van Jesus Christus uit de dooden. Veroordeelt evenwel het geweten den mensch, God is meerder dan ons hart, en weet alle dingen, weet ook, wat de begeerte des harten is, wat het gezocht heeft. De vrede in IIein is geen zichtbare vrede, geen vrede in de dingen dezer wereld, maar een vrede, om tegen dood en duivel te zeggen: „Dood, waar is uw prikkel! hel, waar is uwe overwinning?" — een vrede, waarbij men vroolijk den dood iu de oogen ziet, en de engelen Gods dragen den mensch over in de eeuwige heerlijkheid; een vrede, waarbij men zingen kan: »Wij zullen niet vreezen, al veranderde de aarde hare plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën; laat hare wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren door derzelver verheffing. Sela. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten". „Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; m a a r h e b t g o e d e n moed, Ik h e b de w e r e ld o v e r w o n n e n " , — Ik heb het gesproken, Ik, de Heere en Koning, en zoo blijve het verzegeld! (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Johannes 16 : 33,

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken