Bekijk het origineel

De Nederlandsche Gereformeerde of Vlaamsche Gemeente te Hanau a/d Main

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Nederlandsche Gereformeerde of Vlaamsche Gemeente te Hanau a/d Main

9 minuten leestijd

7. WILLEM CHMSTOFFEL IIEIMIUS.

Er was niet aan te denken, dat een predikant uit de Nederlanden zich in den woeligen oorlogstijd naar Hanau zou laten beroepen. In de vreemdelingen-Gemeenten van Duitschland zag het er dikwijls treurig uit. Predikanten en proponenten waren eene zeldzaamheid geworden. In de nabijheid van Hanau woonde evenwel een geschikt persoon, namelijk Willem Christoffel Heimius, predikant in het naburige stedeke Windecken. Deze man, geboortig uit Runkel in het graafschap Wied-Runkel, had van 1624 tot 1627 te Herborn gestudeerd en was van daar met een zeer goed getuigschrift van den rector Alsted vertrokken. In dat getuigschrift, gedateerd September 1627, heet het: „Is enim in schola tum classica tum publica sic est versatus, ut omnibus suis praeceptoribus ad amussim satisfecerit: quando et linguas nunc usu principes, Graecam Latinamque exacte didicit". Hij bracht daarna eenigen tijd aan Nederlandsche hoogescholen door, zoodat hij de Ilollandsche taal leerde, wat hem later goed te stade kwam. Teruggekeerd en bevindende, dat in Wied, zijn vaderland, volstrekt geene vooruitzichten voor hem waren, stelde hij zich ter beschikking van den raad der Paltsische kerken, die hem als aartsdiaken te Alzei aanstelde. In het jaar 1635 moest hij echter, door de keizerlijken verdreven, in ballingschap gaan, uit hoofde waarvan hij zich naderhand dikwijls „exul palatinus", eenen verjaagden Paltser, noemde. Na langen tijd rondgezworven te hebben, vond hij ten laatste te Windecken, in het graafschap Hanau-Miinzenberg, eene plaats. Hier waren namelijk slechts weinige predikanten meer. De pest, de hongersnood en andere rampen hadden er in die dagen velen weggeraapt. Te Windecken arbeidde Heimius weinige jaren ; al spoedig, in 1642, nam hij een beroep naar Hanau aan Uit den tijd zijner ambtelijke werkzaamheid in deze laatste plaats is ons een lied, eene ode, onder de oogen gekomen, door hem vervaardigd bij gelegenheid van den dood der Hanausche gravin Charlotte Louise, die in September 1649, zonder gehuwd te zijn geweest, ontsliep. Men behoeft slechts weinige coupletten van deze (Latijnsche) ode te hebben gelezen, om daaruit te kunnen besluiten tot de beteekenis van den predikant Heimius, ook uit het oogpunt van begaafdheid des geestes.
In de Palts had men hem intusschen nog niet vergeten. Toen dan ook na eenen langen tijd van verschrikking de vrede teruggekeerd was, beriep men hem van daar uit als predikant en medelid van den Keurpaltsischen kerkenraad naar Heidelberg. In November 1649 verliet hij Hanau tot groote droefheid van zijne gemeenteleden, die allen beseften, wat zij in den degelijken man verloren. Toch was ook Heidelberg niet zijn laatste station op den weg naar de stad daarboven, die fundamenten heeft. In het jaar 1665 beriep hem de Gereformeerde Gemeente van de grootendeels Luthersche rijksstad Spiers tot haren herder. Ook hier arbeidde hij met rijkeu zegen. De gedachten des Ileeren waren intusschen anders dan die van Heimius en van zijne nieuwe en laatste Gemeente. Na eenen arbeid van nauwelijks één jaar te Spiers deed God hem ingaan in de rust, die overblijft voor het volk van God.

8. FRASTCISCUS BURMANNUS.

De geleerdste predikant der Nederlandsche Gemeente te Hanau en ook een der meest bekende, in de geschiedenis van onze Nederlandsche Kerk en Godgeleerdheid is Franciscus Burmannus, geboren te Leiden in 1628. Zijn vader, Pieter Burman, die tot aan het uitbreken van den Dertigjarigen oorlog in Duitschland Hollandsch predikant te Frankenthal was geweest, had met zijne gade, Josina Balde, voor de Spanjaarden de vlucht genomen naar Leiden, en had daar eene aanstelling gekregen. Hij had in de Palts en in het in de nabijheid liggende gebied van Hanau eenen goeden naam verworven, waarom men te Hanau gaarne zijnen zoon Frans, den 23-jarigen proponent, na het vertrek van den predikant Heimius in diens plaat» beriep Dit had den 17'1«*» Maart 1650 plaats. Franciscus (of Frans) Burmau was te Hanau werkzaam tot het jaar 1661, toen hij een beroep naar zijne geboortestad Leiden opvolgde, yan waar hij eenige jaren later als professor en als predikant naar Utrecht vertrok. Hier stierf hij den 12, l e n November van het jaar 1679.
Uit den tijd van Burman's arbeid te Hanau is nog overgebleven een Hollandseh gedicht op het overljjden van do echtgenoote van den boekdrukker Lasché, hetwelk met deze woorden aanvangt:
Terwijl Lasché hemselvs en sijne stad
Door sijne konst en persso soekt te zieren
En dwingd de wetenschappen op papieren,
Yersendende soo menig book en blad, enz..
Den grooten naam echter, dien Burman zich gemaakt heeft, dankt hij aan de plaats, die hij in de theologische wereld heeft ingenomen. Tot ons leedwezen moeten wij intusschen mededeelen, dat, ofschoon ook in onze dagen zijne geschriften vaak niet zonder nut geraadpleegd worden, hij bij zijn leven aanleiding gegeven heeft tot hevige twisten, vooral in de Kerk en aan de academie te Utrecht. Te Utrecht heerschte tot op zijne komst de goede Gereformeerde leer naar de orthodoxe methode van Gijsb,ertus Voetius, den grooteu Godgeleerde. Zuiverheid in de leer was daar overal; slechts met betrekking tot het leven zelf openbaarde zich bij Voetius en zijne volgelingen een overhellen tot do Puriteinen, een zeker methodistisch streven naar heiligmaking, zooals wij in onze dagen zeggen zouden. Burman nu was zeker de meest begaafde onder de leerlingen van Johannes Coccejus, laatstelijk professor in de theologie te Leiden, die eene zoogenaamde leer van verbonden Gods met de menschen (foederaal-theologie) verkondigde en in overeenstemming daarmede het Woord Gods des Ouden Testainents in zijne beteekenis ten aanzien van de heilsgeschiedenis zeer op den achtergrond plaatste. Eigenlijk werd door Coccejus de weg bereid voor liet Rationalisme en de moderne theologie Schijnbaar stond bij hem de Bijbel wel hooger dan de kerkleer, doch van hem geldt, wat van alle kettersche theologen van onze dagen mag gezegd worden, nml. dat zij hunne dwaalleeringen onder het vijgeblad „bijbolsch" verbergen willen, maar in waarheid is het er toch anders meê gesteld, dan zij voorgeven.
Te Utrecht had men tot op dien tijd de Coccejanen verre van zich zoeken te houden. Daardoor was men te dier plaatse nog buiten den onzaligen strijd over den sabbat gebleven. De Coccejanen wilden namelijk het vierde gebod als ceremoniëele wet zonder meer niet verbindend voor de Christenen beschouwd hebben en veroorloofden zich allerlei arbeid op den dag des Heeren, gelijk heden ten dage in Luthersche landstreken van Duitschland in vele huizen, zelfs in pastorieën, op dien dag genaaid of gebreid wordt. De Voetiauen wareu daarover terecht verontwaardigd en wilden den Zondag zeer streng geheiligd zien Nauwelijks was Burman te Utrecht, of hij bracht, als jeugdig ijveraar voor zijne partij, het vraagstuk van den Zondag op den kansel en deed daardoor een hevig twistvuur ontbranden. Hij poogde wel is waar later in oen geschrift omtrent deze aangelegenheid do menigte te onderrichten en mogelijk ook gerust te stellen, doch het geschil liet zich niet meer bijleggen. Zijn voornaamste tegenstander was de beroemdo professor Essenius, wiens heldere en juiste betoogen hem handen vol werks gaven.
Wat echter Burman als geleerde het meeste aanzien bezorgde, dat was zijne „ S y n o p s i s th e o l o g i a e", eene grondige en geleerde dogmatiek of geloofsleer, naar de grondstellingen van zijnen leermeester Coccejus. Het Coccejaansche denkbeeld of begrip van v e r b o n d staat daarin op den voorgrond. Hij bedient zich hier, evenals de meeste Coccejanen, van de wijsgeerige methode, min of meer die van Descartes. Nochtans valt niet te ontkennen, dat Burman in dit geschrift het Coccejanisme poogde te verbeteren, inzonderheid met betrekking tot de profetische Boeken der Heilige Schrift, welke Coccejus op al te willekeurige typische wijze verstaanbaar maakte en uitlegde.
Een zeer schoon werk van Burman daarentegen is zijne „Verk l a r i n g o v e r de H e i l i g e S c h r i f t van G e n e s i s tot E s t her", (vijf kwarto-deelen), mits men het met recht verstand en terzijdestelling van het wezenlijk dwalend Coccejaansche er in weet te gebruiken. Men vindt daarin zeer bruikbare verklaringen en goede toepassingen, en leeraars kunnen daaruit zeer dikwijls goede gedachten bij de voorbereiding tot hunne predikatiën putten, terwijl ook gewone gemeenteleden daarin menige opwekking tot heilzame overdenkingen zullen aantreffen. Zoo geldt dan ook ten opzichte van dit werk van Burman het woord des Apostels: „ A l l e s is u w e , hetzij Paulus, hetzij Apollos", 1 Cor. 3 : 21 en 22. O. a. heeft de ontslapen herder en leeraar Kohlbriigge, een man Gods, die duizenden en nog eens duizenden een wegwijzer ter zaligheid geworden is, en zulks in onzen tegenwoordigen verwarden tijd nog eerst recht wordt, ofschoon liet nu spoedig reeds een twintigtal jaren geleden is, dat hij tot de rust zijns Gods is ingegaan, ook veel uit Coccejus' werken geput, hoezeer ook juist hij met zijnen helderen blik het valsche en verkeerde er in onderkend had. Doch tegen het valsche van Voetius en zijne school, het zelf willen werken naar zelfgekozen voorschriften, waarschuwt hij ook ernstig in al zijne getuigenissen der waarheid. Immers, waar de vrije genade Gods alleen alles in allen werkt, daar schept men geen behagen in geschriften als de „ N a v o l g i ng v a n C h r i s t u s ' ' door T h o m a s a I t em p i s , welke Voetius aanbevolen heeft, een geschrift dat vol is van regelen van gemaakte monnikachtige vroomheid.
Deze uitweiding hebben wij ons veroorloofd, als in onzen tijd bijzonder passend en dienstig voor onze Gereformeerde mede-Christenen, opdat zjj in de onbevangenheid van het ware geloof volstandig moge blijven ten einde toe en zich niet laten vervoeren door de werkheiligheid van het hedendaagsch Christendom.
De geschiedenissen der Gemeente laten ons weinig of in het geheel geene gelegenheid, om in te gaan op de geschiedenis der harten, die eertijds in haar midden geklopt hebben. Evenwel, onze harten en de harten dergenen, die na ons komen, moeten daarbij niet gevoelloos blijven, en daarom óf opwekkend en bevestigend, óf waarschuwend en terechtwijzend bearbeid worden. En dit laatste was het inzonderheid, dat wij bij de behandeling der geschiedenis van Burman op het oog hadden. (Wordt vervolgd.)


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De Nederlandsche Gereformeerde of Vlaamsche Gemeente te Hanau a/d Main

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken