Bekijk het origineel

Uit den Schat der Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit den Schat der Kerk

12 minuten leestijd

Aanteekening op Hosea 14 : 2.

Bekeer u, o I s r a ë l , tot den I I e e r e , uwen God, toe; want gij zijt g e v a l l e n om uwe ongerecht i g h e i d . „Bekeer u", wend u tot Mij, keer u om, en zie uwen God, Schepper en Weldoener, Hem, bij Wien al uw heil is, in het vriendelijk aangezicht; — waarom keert gij Hem in boosheid en vijandschap den rug toe? — Bekeer u! Een woord, gelijk de zon aan den hemel. Het is het woord des Heiligen Geestes, Hij werkt daarmee, wanneer, hoe en waar Hij wil, anders zou de mensch zich wel spoedig aan dit woord onttrekken, al wordt hij er ook door getroffen. — De bekeering is van den Hecre; Hij komt met dit woord krachtig en onwederstaanbaar, liefelijk manend echter achtervolgt Hij de Zijnen en is hun met dit „bekeer u" telkens weder op de hielen, op al hunne wegen, en laat hun geene rust, totdat zij roepen: „Bekeer Gij mij, zoo zal ik bekeerd zijn". Des menschen wenschen zijn velerlei, zijne gebeden zijn om allerlei, — maar van de honderd zijn er helaas negen en negentig, die de bekeering niet van noode hebben. Immers dat moest des menschen eerste wensch en hoofdgebed zijn: Bekeer Gij mij! Immers moest hij vóór alle dingen luisteren naar het woord: Bekeer u! Immers, deze vermaning wil zeggen: Gij, in de woestijn, kom in Mijnen hof, en zie, wat Ik daar voor de Mijnen en voor u heb geplant en ook laat groeien, opdat gjj eet van zijne edelste vruchten.
Hoe machtig is de liefde Gods tot Zijn volk, tot mij afvallige! Hij is, hoewel wij Hem toch met onze zonden hebben vertoornd, steeds de Eerste, Die ons de hand der verzoening reikt. Telkens is Hij de Eerste, om ons weder te halen. Als Hij spreekt: „Bekeer u!" dan is er immers afvalligheid, dan is er immers een afgekeerd zijn. Hij echter breekt alzoo den meest onbekeerden zin.
Dit „bekeer u" zal zijne vrucht voortbrengen. Dit woord zal doen, waartoe het wordt gezonden. Door vermaning, tucht en bekeering bereidt de Heere de Zijnen toe. Dezulken zullen niet tegenwerpen: „Ben ik dan niet bekeerd?" maar antwoorden: „Spreek, Heere, Uw knecht hoort". Hoe ellendig staat het met hem, wiens oog en hart zoo vervuld is van de wereld, dat hij op des Heeren wegen en middelen om hem tot bekeering te brengen geene acht geeft!
„Bekeer u." Waar dit woord werkt, werkt het daar niet alzoo, dat de mensch stilstaat op zjjnen zondigen weg, dat hij den afgrond ziet, die aan zijne voeten is, en daarvoor terugdeinst, en dat hij zich afwendt van zulk een verderf, zich ter aarde werpt en roept om verlossing, om ontferming?
0„ Israël". Hoe noemt God Zijn Volk hier, hoe noemt Hij u hier? Israël, gij, zoo hoog verheven in den zegen en in de kracht en trouw des Heeren, gij vorstenzoon, gij, die eens met God worsteldet, gij, die u eens aan het eeuwig Verbond der genade overgaaft, om naar lichaam en ziel gezegend en verlost te zijn door uwen God, den God, Die den hemel en de aarde geschapen heeft, zoudt gij, een zoo uitverkoren volk, blijven zitten in het slijk der zonde, in het diensthuis, in de gevangenis des Satans? wilt gij nog langer andere goden voor Mijn Aangezicht hebben en uwen God haten ? O Mijn volk, zult gij u niet schamen, dat gij al uwe heerlijke voorrechten hebt opgeofferd aan den wil des duivels en de begeerlijkheid uws vleesches? O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, waaraan heeft het u bij Mij ooit ontbroken ?
Bekeer u „tot den Heere uwen God". Zoo is er dus alle grond, om te hopen, dat u al uwe afvalligheid zal worden vergeven, als gij slechts wederkeert.
„Tot den Heere", den getrouwen Verbondsgod, Die Zijnen Naam en alzoo Zijne heerlijkheid op u liet leggen, Die van uwe ontvangenis en geboorte aan voor u heeft gezorgd, Die ook nu nog niet is veranderd, maar zoo goedertieren jegens u is, Die alleen u wel wil, en Die ook alleen uwe toekomst in handen heeft en daarover beslissen kan.
„Tot den Heere", bij Wien alleen de fontein uws levens is, Die alleen uw hoogste goed is, j a Die de goedertierenheid zelve is.
„Uwen God", Die alleen uwe Hulp en uw Schild, alleen een God van volkomene zaligheid is.
O Israël, gij hebt maar éénen God, Die was de U w e ; Hij wil de U w e zijn en zal de U w e zijn. Wat doet gij onder de vreemden? O, wat al rijkdom der goedertierenheid Gods! hoe machtig is Zijne ontferming, dat Hij Zich met Zijnen ganschen Naam als o n z e n God bekend maakt, ja nog o n z e God wil zijn, nadat wij IIem den rug hebben toegekeerd!
„Want gij zijt gevallen." Het Hebreeuwsch zegt eerst: Gij hebt u gestooten, namelijk aan de Rots uws heils; vervolgens: gij zijt gevallen, diep gezonken, zwak, krachteloos geworden. Jes. 3 : 8 : „Want Jerusalem heeft aangestooten, en Juda is gevallen, dewijl hunne tong en handelingen tegen den Heere zijn, om de oogen Zijner heerlijkheid te verbitteren". Welaan, indien gij weer mocht willen opstaan, dan niet nog verder van den Heere afgeweken, maar bekeer u tot IIem. Zoo laat ons God, onze God, Zijne ontferming verkondigen, als wij, in den afgrond der verlorenheid liggende, nog dieper zinken en onszelven volstrekt niet meer kunnen helpen, maar reddeloos moeten vergaan.
Gij zijt gevallen „om uwe ongerechtigheid". Uw God draagt er niet de schuld van. Israël zal weten, wat de oorzaak is van zijnen jammer en zijne ellende, — het wordt aldus gestraft, opdat het zich vernedere onder Gods hand, en des te vuriger beginne te verlangen, om terug te keeren tot den Heere, en des te vlijtiger Zijne genade begeere. Dit nu is ongerechtigheid: de oogen der heerlijkheid des Heeren verbitteren, —• eene ongerechtigheid, waarvan David belijdt in den 51ste" Psalm: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren". (Vers 7.) Daar zij ons dus van jongs af aankleeft, hoe noodig is het ons dan, in de woorden des Heeren te blijven, en ook hoe noodig, wanneer wij gevallen zijn, weder op te staan en tot den Heere te gaan, met de belijdenis: Ik heb gezondigd, daarom is het zoo slecht met mij.
De Heere God heeft te allen tijde Zijn waar Israël, dat Hij telkens redt; ook dan, als het meerendeel aan het verderf verkocht is, zal het telkens weder heeten: „Gij zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden". De gansche wereld moge daarom in het verderf omkomen, de uitverkorenen kunnen niet omkomen, want Christus' Rijk, dat bestaat uit Zijne uitverkorenen, zal wel blijven bestaan. Zoo worden dus de uitverkorenen steeds weder terechtgebracht.
Dit geschiedt echter in den weg van waarachtige bekeering, welke bekeering de Heere met kracht in hen werkt door Zijn Woord en Zijnen Heiligen Geest. Al wat in den mensch is, zijn gemoed, wil, gedachten, neigingen, — dat alles wordt vernieuwd naar den wil Gods, den Zijnen in Zijn Woord geopenbaard.
Het begin van waarachtige bekeering bestaat in een gevoel van het ernstig en rechtvaardig oordeel Gods en van Zijnen toorn; daarbij komt het gevoel van eigene onwaardigheid, en een wezenlijke haat tegen alle zonden, omdat deze tegen de goedertierenheid Gods begaan zijn. Ware bekeering en waarachtig berouw komt voort uit eene grondige kennis der zonde en oprechte vreeze Gods.
Het moet ieder, die zich van harte tot God wenscht te bekeeren, moed geven, dat hij voorzeker in genade zal worden aangenomen, wijl toch de Heere zegt: „Tot uwen God"; zoo iemand moet het weten, dat alle zonden, die hij heeft begaan, en alle onweders van het oordeel Gods, die over zijn hoofd gaan, den Heere niet kunnen hinderen, om het Verbond Zijner genade te handhaven voor den terugkeerende. „Bekeer u tot den Heere", heet het; immers heeft Hij gezworen: „Het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen", Jes 54.
Zij, die waarlijk gelooven, dat de Heere hun deel is, zinken weg voor Zijn Woord; dat God hun recht geeft op het kindschap en op de eeuwige erfenis, maakt hen niet overmoedig, maar zij aanvaarden het met eenen verbroken geest en een verslagen gemoed, zeggende, Is Hij m i j n God, zooals Hij zegt, welaan, dan tot Hem heen!
Al ligt gij nog zoo diep in den afgrond uwer verlorenheid, en al zijt gij nog zoo verbrijzeld aan al uwe leden, zoodat er aan geen opstaan te denken is, — gij zult u wel tot Hem keeren, waar gij ligt op den bodem uwer verlorenheid. Zijn woord : „Bekeer u", zoo dikwijls tevergeefs gehoord, doet het, dat keert u om, dat bekeert u in den dag der genade, zoodat gij den 130't e n Psalm aanheft.
Ach, hoe verwoest ons de zonde, in welke afgronden des duivels voert zij ons! Maar o, welk eene olie in het verslagen gebeente, welk eene macht, om in een oogenblik uit te rukken, waar het woord in het harte werkt: „Bekeer u tot den Heere uwen God!" In dit „ H e e r e " , in dit „ u w e n G o d " ligt voor den berouwvolle de macht der bekeering. Zoo is de trekking des Vaders tot Christus honen.


Aanteekening op Zacharia 8 : 23.

A l z o o z e g t de H e e r e d e r h e i r s c h a r e n : H e t zal i n die d a g e n g e s c h i e d e n , dat t i e n m a n n e n uit a l l e r l e i t o n g e n der H e i d e n e n gr i j p e n z u l l e n , ja de s l i p g r i j p e n z u l l e n v a n e e n e n J o o d s e h e n m a n, z e g g e n d e : W i j z u l l e n met u l i e d e n g a a n , w a n t wij h e b b e n g e h o o r d , d a t God m e t u l i e d e n is.
De Profeet Zacharia profeteerde in den tijd, toen de tempel te Jerusalem herbouwd werd. Zeer liefelijk profeteerde hij, hoe de dienst van God in Geest en waarheid zou bloeien, hoe de zaligheid en de ware leer dus van de Joden zou uitgaan en over de volken komen, zooals wjj lezen Jes. 2 : 3. Duidelijk profeteert hij van den komenden Christus, als den Heere Zijner Gemeente, als Hoogepriester en Koning en als Uitvoerder van den eeuwigen vrederaad of den Raad Gods tot onze zaligheid. Bij zijn prediken staat hij echter op het standpunt van zijnen tijd, opdat het Joodsche volk zijne voorzeggingen van den komenden Christus zou verstaan, en daar heeft hij dan geschikte typen voor zich. In zijne profetie is de hoogepriester Josua een type van Christus als Hoogepriester en Koning, de tempel, de plaats van de levende prediking des Evangelies, Jerusalem een type der eerate Christengemeente. De Joden, d. i. de geloovigen uit de Joden, staan bij hem bovenaan als volk Gods. Als hij schrijft van eenen Joodschen man, dan bedoelt hij zulk eenen Joodschen man, als Paulus hem beschrijft Rom. 2 : 29. Het is dus een waarachtig bekeerde, een, die gelooft, dat Jesus is de Christus, en die door den Heiligen Geest bekwaam is gemaakt, om van Christus te getuigen, om te getuigen, dat de zaligheid is in geenen ander. Zulke Joodsche mannen waren inzonderheid de Apostelen en de drie duizend, die op den eersten Pinksterdag tot den Heere bekeerd werden. Tot zulk eenen man nu zouden onbekeerden uit de Heidenen met allen ernst komen, om van hem den weg ter zaligheid te vernemen. De Heidenen zouden hem bij de slip van zijn kleed vasthouden en hem dus niet loslaten, aleer zij de woorden des levens van hem hadden gehoord; en wel zouden het Heidenen zijn uit allerlei tongen. — Het getal tien wordt in de Heilige Schrift herhaaldelijk genomen •voor het hoofdgetal eener bepaalde soort, bijv. in de gelijkenis van de tien maagden en in de geschiedenis van de tien melaatschen.
De toepassing van dezen tekst voor de Gemeente is: 1) Dat God, in weerwil van al het tegenstrijdige, het Koninkrijk yan dhristus zal handhaven, dat naar den Raad Zijns vredes de Heere steeds in het midden Zijner Gemeente zal zijn, dat Hij er voor zal zorgen, dat het predikambt steeds onderhouden blijft, en Christus' Koninkrijk en Gemeente voortdurend uitgebreid en gebouwd wordt; dat Christus als Hoogepriester en Koning den Raad Gods tot onze zaligheid zal volbrengen, en ook zelfs uitwendige welvaart zal aanbrengen. 2) Wordt der Gemeente voorgehouden de heerlijke vrucht der wedergeboorte, dat men uit den dood der zonde overgaat in het leven der genade, om dan uit geloof in de vreeze Gods, in de liefde tot Christus te getuigen van de genade der vergeving van zonden; want dat juist zal dan de vrucht zijn, dat wij, hetzij wij leeraar zijn of gewoon gemeentelid, toch ook anderen zalig maken, die uit de onbekeerden, hongerenden en dorstenden door den Heere tot ons worden gedreven. Zij zullen ons als het ware aan de slip van ons kleed vasthouden en niet loslaten, ten einde de woorden des levens van ons te vernemen, dus door ons vertroost te worden met het troostwoord, waarmede God ons •door Jesus Christus vertroost. 2 December 1871.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Uit den Schat der Kerk

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken