Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 12. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 12. (Vervolg.)

13 minuten leestijd

Nadat Ezechiël nu, in gehoorzaamheid des geloofs, des Heeren last heeft volbracht, geschiedt het Woord des Heeren den volgenden morgen wederom tot hem. En des m o r g e n s, zegt hij, g e s c h i e d d e het W o o r d des H e e r e n tot m i j , z e g g e n d e : M e n s c h e n k i n d , h e e f t n i e t het h u i s I s r a ë l s , h e t w e d e r s p a n n i g h u i s , t o t u g e z e g d : W a t doet g i j ? (Vers 8 en 9.) God heeft die vraag gehoord, of ze in het hart des volks gelezen. Niet als de vraag van een verslagen hart, maar veeleer als de vraag van een weêrspannig, van een verhard hart, dat, hooggevoelend als het is, vraagt, wat dit doen van den Profeet thans weêr beteekent? Heeft de Profeet die vraag gehoord, dan is hij er het antwoord zoo lang op schuldig gebleven, als hij op het antwoord uit 's Heeren mond inoest wachten. Hij blijft getrouw aan het bevel, niet anders te spreken tot Israël, dan 's Heeren woorden. (Hoofdst. 3 en 4.) En die woorden komen. De Heere spreekt:
Vers 10. Zeg tot hen: Alzoo zegt de H e e re HEERE: D e z e l a s t is t e g e n den v o r s t te J e r u s a l em en het g a n s c h e h u i s I s r a ë l s , dat in h e t m i d d en v a n hen is. „Alzoo zegt de Heere HEERE", — niet ik, wil Ezechiël zeggen, maar Jehovah Zelf, Die onveranderlijk is, en Heer van hemel en aarde, van Wien alle koningen afhangen en door Wien het lot aller stervelingen wordt bestierd, — Hij spreekt; daarom hebt gij er geloof aan te hechten en de openbaring als het Woord Gods te ontvangen! De zware last, het oordeel geldt den koning, alsmede de vorsten van Juda en het volk Hetgeen dan Mijn Profeet zinnebeeldig gedaan heeft voor uwe oogen, dat zal Zedekia en de vorsten, die rondom hem zijn, en het volk, dat te Jerusalem is, iu waarheid ervaren. Zeg, lezen wij verder in Vers 11: Ik b e n u l i e d e r w o n d e r t e e k e n ; g e l i j k als ik g e d a an h e b , a l z o o zal h u n g e d a a n w o r d e n ; zij z u l l en door w e g v o e r i n g in de g e v a n g e n i s h e n e n g a a n; gelijk als ik niet mocht blijven in mijn huis, alzoo zullen zij niet mogen blijven in de stad des Heeren, in Jerusalem ; zij ook zullen in tijden van benauwdheid hunne huizen en hunne stad moeten verlaten, van hunne vrijheid worden beroofd, en als gevangenen naar Babel worden gevoerd- Jerusalem zal zeker worden belegerd en ingenomen.
Vers 12. En de v o r s t , die in h e t m i d d e n van h en is, zal het g e r e e d s c h a p op den s c h o u d e r d r a g en in d o n k e r , en hij zal u i t g a a n ; zij z u l l e n door d e n wand g r a v e n , om hem d a a r d o o r u i t te b r e n - g e n ; hij zal z i j n a a n g e z i c h t b e d e k k e n , o p d a t h ij met h e t oog de a a r d e n i e t zie.
Bij de inneming der stad zal koning Zedekia nog trachten te ontvluchten. Bij die vlucht zal hij doen, gelijk ik gedaan heb; hetgeen hij nog denkt te kunnen medevoeren, zal hij zelf als de geriugste dienstknecht op den schouder moeten leggen en medenemeu, en dat zal geschieden in het donker, bij het vallen van den nacht Ook zal hij Jerusalem niet door den gewonen weg, d. i. door eene der poorten, kunnen verlaten. De vorsten, die nog bij hem zijn, zullen daarom op de slechtst bewaakte plaats zoeken door te breken, nadat zij door eene geheime poort tusschen de twee muren, die aan des konings hof zijn, gevloden zijn, en een gat in den stadsmuur graven. Alzoo zal de koning nog trachten te ontvluchten met bedekt aangezicht, hetzij uit schaamte, of om zich bij zijne vlucht onkenbaar te maken, of misschien wel om beide redenen te gelijk; hij zal des Heeren hand evenwel niet ontkomen.
Zoo is dan aan het volk niet alleen aanschouwelijk voorgesteld, maar ook letterlijk verkondigd, hetgeen eerlang aan hunnen koning Zedekia en zijne vorsten en aan het volk te Jerusalem onder het rechtvaardig oordeel Gods geschieden zal. De letterlijke vervulling dezer profetie lezen wij in 2 Koningen 25.
Daarbij echter zal het niet blijven; ook de ontvluchting zal niet gelukken, want I k , zoo spreekt de Heere God in Yers 13, z a l ook M i j n n e t o v e r h em u i t s p r e i d e n , d a t h i j in M i j n j a c h t g a r e n g e g r e p e n w o r d e ; en I k zal h em b r e n g e n in B a b y l o n i ë , h e t l a n d d e r C h a l d e ë n, ook zal h i j d a t n i e t z i e n , h o e w e l h i j d a a r s t e r v en z a l . Vergelijk Hoofdstuk 17:20, alwaar de Heere met dezelfde woorden het gevangennemen van Zedekia uitdrukt, en Hoofdstuk 32 : 3, alwaar Hij die woorden bezigt, om den ondergang van Farao te voorzeggen. Zedekia dan zal niet ontkomen, en hoe zou dat ook kunnen, aangezien op hem, omdat hij zich aan het Woord Gods, door den mond van Jeremia meer dan eens tot hem gesproken, niet wilde onderwerpen, het oordeel Gods rust? En op wien dat rust, dien achterhaalt het zeker. De Chaldeën merken zijne vlucht, jagen hem na, grijpen hem en brengen hom voor Babels koning. Het schrikkelijk oordeel, dat deze tegen hem uitsprak, lezen wij 2 Kon. 25 : 7. Men verblindde Zedekia de oogen, en gebonden met twee koperen ketenen werd hij als gevangen man naar Babel gevoerd. Het land zijner ballingschap zag hij dus niet, ofschoon hij er bleef tot aan zijnen dood toe.
Kon de Heere God wel klaarder en duidelijker en zekerder tot Israëls gevangene kinderen spreken, dan Hij hier deed? en mocht er nog onzekerheid bij hen bestaan omtrent het lot van het volk, hetwelk met hunnen koning zou trachten te ontkomen, ook daarvan onderricht hen het woord der profetie.
Yers 14. En a l l e n , d i e r o n d o m h e m z i j n t o t z i j ne h u l p , en al z i j n e b e n d e n zal I k in a l l e w i n d en v e r s t r o o i e n , en I k z a l h e t z w a a r d a c h t e r h e n u i t - t r e k k e n .
Aan de vorsten en hovelingen, die gewoonlijk rondom den koning zijn, alsmede aan de hulpbenden, die den koning in zijne vlucht behulpzaam waren, en die, ware het mogelijk, zijnen persoon ook wel tegen den vijand zouden hebben verdedigd, zou echter do moed daartoe ontzinken, wanneer zij het heir der Chaldeën, dat hen achternajaagde, zouden zien. Niemand hunner zou stand houden, maar allen zouden van bij hem verstrooid, mede gevangengenomen of gedood worden door het zwaard. Zij, die den koning gestijfd hadden in zijn verzet tegen Babels vorst en tegen het Woord des Heeren, en tot het uiterste toe met hem hadden volgehouden, zouden met hem ook in hetzelfde oordeel vallen. En dit is recht bij God. Staan wij iemand, die in openbaren opstand leeft tegen het Woord des Heeren, ter zijde, helpen wij hem daarin getrouw, offeren wij daarvoor alles op, meenende daarin tijdelijk en eeuwig heil te vinden, zoo zullen wij ook met hem den loon der ongerechtigheid deelen, wanneer God Zich opmaakt, om de rebellie tegen Hem te bezoeken. Dit is het loon van alle trouwe dienaren des Satans ten laatsten dage, gelijk de Heere in tegenover gestelden zin vergelding zal doen aan allen, die met volharding in goeddoen, dat is in trouw aan het Woord des Heeren en aan hen, die het in waarheid verkondigen, heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid hebben gezocht.
En dat oordeel komt, opdat God gerechtvaardigd zij in Zijn richten.
Yers 15. Alzoo z u l l e n z i j w e t e n , zoo predikt Ezechiël verder, d a t I k de H e e r e ben, w a n n e e r Ik hen o n d er de H e i d e n e n v e r s p r e i d e n en h e n in de l a n d en v e r s t r o o i e n zal. Het volk Israël zal het dan met schande en schaamte moeten bekennen, dat Jehova waarlijk God en geen menschenkiud is; dat Zijn dienst niet straffeloos wordt verlaten, dat Zijn Woord niet straffeloos wordt versmaad; dat zullen zij moeten doen met of tegen hunnen wil, wanneer de vijand, als volvoerder van 's Heeren oordeel, over hen zal heerschen en met hen doen zal al hetgeen hem behaagt, terwijl Hij hen onder de Heidenen verspreiden en in de landen verstrooien zal. Zoo zal ook het Christenvolk, dat in afval van het geloof en van den Christus Gods zijn heil heeft gezocht, niettegenstaande de aanhoudende vermaningen van 's Heeren dienstknechten en de bedreigingen Zijns Woords, met schande en schaamte het moeten erkennen, dat de God en Vader onzes Heeren Jesus Christus waarlijk God, en Zijn heilig Woord werkelijk de waarheid is, wanneer Hij Zich opmaken zal, om door Zijne gerichten dat Woord tot eere te brengen voor aller oog.
Genade is het, dat de Heere God Zich te midden Zijner oordeelen een overblijfsel behoudt. Dat overblijfsel bekent schuld, eer het te laat is.
Yers 16. Doch I k , zegt God, zal v a n h e n — nml. van Israël — w e i n i g e l i e d e n d o e n o v e r b l i j v e n van het z w a a r d , van den h o n g e r en van de p e s t i l e n t i e; o p d a t zij al h u n n e g r u w e l e n v e r t e l l e n o n d e r de H e i d e n e n , w a a r h e n e n zij k o m e n z u l l e n ; en zij z u l l e n w e t e n , d a t I k de H e e r e ben.
Dat overblijfsel zal God rechtvaardigen voor de oogen der Heidenen; zij zullen hunne gruwelijke ongerechtigheden, het verlaten van den God hunner vaderen voor dezen niet kunnen en ook niet willen verzwijgen, als zij onderzoek zullen doen naar de oorzaak hunner ellende, alzoo dat ook bij hen op der vijanden beschimping hot God rechtvaardigende antwoord niet zal ontbreken, dat hun dit alles is overkomen om hunner zonde wil. Dat overblijfsel der genade, dat naar de verkiezing het ware Israël Gods is, hetwelk God Zich te allen tijde behoudt, heeft onder het oordeel, dat over hen komt, de belijdenis van den moordenaar in het hart en op de lippen : „Wij toch lijden straffen, waardig hetgeen wij gedaan hebben", en de bede: „Heere, gedenk mijner!" kan dan ook niet uitblijven.
Bij Israël was, naar wij lezen in de profetieën van Jeremia, Hoofdstuk 43 en 52, tweeërlei overblijfsel: het eene. dat gevoerd werd naar Babel, het andere, dat gelaten werd bij Gedalia te Mizpa, doch dat na diens verraderlijken dood, tegen het uitdrukkelijk woord des Heeren in, naar Egypte de wijk heeft genomen. Op dit laatste kan niet in gunstigen zin het woord van Ezechiël worden toegepast, als wij letten op Jeremia's profetie : Ziet, Ik (de Heere) zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn. (Hoofdst. 44.) Zijn zij dus van het zwaard en den honger in Jerusalem ontkomen, het zal hen daar in Egypteland achterhalen, omdat zij volharden in de verwerping van Mijn Woord, hoe trouw en genadevol hun dat ook is voorgehouden.
Die zich dan onder het overblijfsel rekent, heeft acht te slaan op het Woord, dat hij zich daaraan onderwerpe, opdat hij niet blijve wederstreven en met de wederstrevers verga. (Slol volgt.)




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 12. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken