Bekijk het origineel

Woorden in de moedertaal van onzen Heere Jezus Christus en Zijne Apostelen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Woorden in de moedertaal van onzen Heere Jezus Christus en Zijne Apostelen

17 minuten leestijd

I I . „SIMON B A R - J O N A — KEPHAS".

Naar aanleiding van Johannes 1 : 35—43 en Mattbeüs 16 : 13—18.

Wij lezen in de profetieën van Jesaia, Hoofdstuk 43 : 1 : „Alzoo zegt de Heerè, uw Schepper, o J a k o b ! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt Mijne", en Hoofdstuk 45 : 4 : „Ik riep u bij uwen naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet". Yerder in Openb. 3 : 5 : „Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleederen; en Ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het Boek des levens, en Ik zal zijnen naam belijden voor Mijnen Vader en voor Zijne engelen", en Hoofdstuk 19 : 9 : „Hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het Avondmaal van de bruiloft des Lams".
Deze getuigenissen houden wij in onze gedachten, nu wij nogmaals een woord uit de moedertaal des Heeren overwegen. Is „Abba" het teederste en innigste, het eenvoudigste en toch diepste, het gewoonste en toch verhevenste, thans vangen wij uit den mond onzes Heeren een paar van die namen op, met welke degenen, die geroepen zijn tot de bruiloft des Lams, opgeschreven zijn in de gedachtenis huns Gods.
Het is treffend, dat, waar ons medegedeeld wordt, dat de Heere den Parizeër Saulus van Tarsen uit den hemel toeriep: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?" er uitdrukkelijk wordt bijgevoegd, dat dit geschiedde in de Hebreeuwsche taal. Zekerlijk geschiedde het niet slechts daarom in de Hebreeuwsche taal, opdat Saul het des te beter zou kunnen verstaan.
Zoo zijn het dan twee namen in de landstaal van Kanaan, welke wij hier wenschen te behandelen, t. w. S i m o n B a r- J o n a en K e p h a s.
Tot Jeremia zeide de Heere: „Gij dan, gord uwe lendenen, en maak u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla. Want, zie, Ik stel u heden tot eene vaste stad, en tot eenen ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gansche land" (Hoofdst. 1 : 17 en 18); en tot Ezechiël zeide Hij : „Zie, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hunne aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd. Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan eene rots: vrees hen niet, en ontzet u niet voor hunne aangezichten" (Hoofdst. 3 : 8 en 9). Zoo heeft de Heere de boden Zijner gerechtigheid en genade tot steenrotsen gemaakt. Hij heeft hen bekleed met zoodanige wapenrusting, en ook op hunne aangezichten zoodanige verschrikking gelegd, dat zij, hoezeer ook in zichzelven zwak en versaagd, de boodschap huns Gods desniettemin durfden en konden overbrengen, ook aan een wederspannig huis. De teederheid en weekheid van eenen Jeremia maakt plaats voor de vastigheid en beslistheid van hem, die weet, dat God Zijne raadsbesluiten in weerwil van alles ten uitvoer legt; de schuchterheid van eenen Ezechiël maakt plaats voor de onversaagdheid van hem, die weet, dat met hem meer zijn, dan er met de tegenpartijders zijn.
Zoo is ook uit Simon, den zoon van Jonas, eene steenrots geworden.
„Zie, het Lam Gods!" Dat woord was in het hart van de twee discipelen van Johannes den Dooper, die hem dat hoorden spreken, gevallen als het zaad in eene goede aarde. Jesus keert Zich om en ziet hen volgen. Wij denken hierbij aan Hagar, die den Naam des Heeren noemde: „Gij God des aanziens!" want zij zeide: „Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?" (Gen. 10: 13.) „Rabbi, waar woont Gij?' vroegen de twee discipelen. „Komt en ziet!" was het antwoord. Zij kwamen en bleven dien dag bij Hem. De discipelen zijn te huis. De een is Andreas, de ander wordt niet bij name genoemd, doch wij gissen, dat hy het is, die ons deze geschiedenis beschrijft, t. w Johannes, de Evangelist, die ook elders zijnen naam verzwijgt en zijnen persoon aanduidt met de woorden : „dien de Heere liefhad", of: „die ook in het Avondmaal tegen Zijne borst was gevallen". En deze gissing wordt zekerheid, als ons later verhaald wordt, dat Andreas de eerste was, die zijnen eigen broeder vond, om hem de blijde tijding over te brengen, dat hij den Messias gevonden had. Waaruit wij moeten besluiten, dat ook de ongenoemde tweede discipel van Johannes den Dooper eenen broeder had, dien hij dan op zijne beurt ook tot den Heere Jesus geleid heeft. Inderdaad zijn in de evangelische geschiedenis vooral twee broederparen bekend, t. w. Johannes en Jakobus, en Petrus en Andreas. Dus lijdt het geenen twijfel, of deze vier broeders worden in dit verhaal bedoeld.
Er wordt ons van het gesprek, dat nu volgde, in het geheel niets medegedeeld. Slechts dit blijkt ons uit het verhaal van den Evangelist Johannes, dat de woorden, die de Heere tot de twee discipelen gesproken heeft, op hen dusdanigen indruk gemaakt hebben, dat Andreas, het eerst z i j n e n broeder vindende, hem de blijde boodschap moet toeroepen: „Wij hebben den Christus gevonden!" Het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt, — zij weten het nu, dit Lam is de Christus. „Wij hebben gevonden den Christus", — dus zij hebben Hem vooraf g e z o c h t . Zij hebben Zijne belofte wel gelezen in de Schriften, zij zijn wel opgevoed in de hope, die het geheele volk der twaalf stammen koesterde; meer nog, zij hadden het van hunnen meester Johannes vernomen, dat Hij Zich reeds midden onder hen bevond, Die met den Heiligen Geest zou doopen, —doch tot dusverre kenden zij Hora nog niet. Nu is de blijde ure gekomen. Zij hebben Hem gezien; hun meester heeft zijne laatste taak vervuld, hij heeft hen gewezen op het Lam, Dat de zonde der wereld wegneemt. En ziet, de Heere heeft hen niet van Zich gestooten, Hij heeft hen ontvangen; „komt en ziet", — waar is ooit eene vriendelijker noodiging gehoord ? Zij zijn gekomen en zij hebben gezien Hem, Dien de vaderen •en de Profeten onder het Oude Testament slechts konden b e g e e r e n eens te zien.
„Wij hebben gevonden den Messias!" Wie zal beschrijven de blijdschap des harten, die in deze woorden zich uitspreekt, -de zaligheid, die gesmaakt wordt door wie zoo spreekt, den volkomen vrede, die het hart vervult, dewjjl het eindelijk niet meer van noode heeft te zoeken, want het doel is bereikt! Hoezeer verblijdt zich niet de rekenaar, die eindelijk eene fout vindt, waarnaar hij dag en nacht gezocht heeft, omdat die fout, bleef ze staan, hem zijn geheele bestaan zou kunnen kosten! Hoezeer verblijdt zich niet de man, die toevallig in zijnen akker eenen grooten schat vindt. Doch meer dan dezen hebben zich de discipelen verblijd. „Wij hebben gevonden den Messias." Zij zullen het wel later nog eens leeren, dat de Heere hen gevonden heeft. Maar Hij, Die ootmoedig van harte is, geeft ook hierin h u n als het ware de eer, — z i j hebben Hem gevonden, — gelijk Hij dan ook tot hen, die Hij genezen heeft, soms zegt: „Uw geloof heeft u behouden".
Dat is £de geboortestond van nieuw leven, als wij kunnen zeggen: „Ik heb den Heere gevonden". Die ure zal hare vrucht in der eeuwigheid niet missen, zij zal in ons leven sporen achterlaten, die nooit weder uitgewischt kunnen worden, — en wat is ons geheele leven van die ure af anders, dan eene blijde belijdenis door woord en daad, dat nu niet meer wij onszelven toebehooren, maar Hem, Die ons gekocht heeft met Z|jn bloed, dat niet meer wij leven, maar dat Christus leeft in ons, en dat, wat wij nu in het vleesch leven, wij door het geloof des Zoons van God leven, Die ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven. (Gal. 2 : 20.) Zeggen wij dan maar: „Ik heb den Heere gevonden"; wij zullen ook wel leeren, het om te keeren, en te zeggen: „De Heere heeft mij gevonden".
Andreas wil den schat niet voor zich behouden. Wie den Heere gevonden heeft, — kan het anders, dan dat hij, gered door den Heere, gesmaakt hebbende de liefelijkheden der genade des Heeren, Die niemand van Zich stoot, die tot Hem de toevlucht neemt, gesmaakt hebbende den troost, waarmede de Heere vertroost de ziel, die naar Hem vraagt, — kan het anders, dan dat deze mensch dan ook den broeder tot den Heere leidt ? Ach, Andreas weet het, uit wat nooden en ellenden ook zijn broeder tot den Heere heeft geroepen, — hij weet, dat zijne boodschap een open oor zal vinden. Zie, daar leidt bij Simon, zijnen broeder, tot Jesus.
Waar zijn de broeders te vinden, van welke, wie het eerst den Heere gevonden heeft, zijnen broeder medeneemt, om hem tot den Heere te leiden? waar die echtgenooten, van welke de een aan den ander eveneens den weg tot den Heere wijst?
Jesus ziet hen, die daar tot Hem komen, maar inzonderheid valt thans Zijn oog op den nieuwen discipel. O, deze zal nog eens op eeneu anderen tijd de kracht van den blik des Heeren ondervinden, zoodat hij daarover bitterlijk zal weenen; nu hoort hij slechts den liefelijken groet, waarmede de Heere hem begroet: G i j z i j t S i m o n , de zoon van J o n a s , gij z u l t gen a a m d w o r d e n K e p h a s . (Joh. 1:43.) Hoe eenvoudig is die groet, en hoe veel bevatten die weinige woorden, vooral als wij ons de beteekenis herinneren, die deze woorden in de moedertaal van den Heere en Zijne Apostelen hadden. „Simon" wordt het eerst in de Heilige Schrift genoemd de tweede zoon van Lea, de vrouw van Jakob; zóó noemt hem zijne moeder reeds bij de geboorte, en ook de reden vernemen wij daar. Lea zegt nml.: „Dewijl de Heere g e h o o r d heeft, dat ik gehaat ben, zoo heeft Hij mij ook dezen gegeven". (Gen. 29: 33.) Simeon (of Simon) beteekent „verhooring". Het lijdt geenen twijfel, of ook bij de geboorte van dezen Simon had eene verhooring van gebeden plaats, waarvan dan de herinnering bewaard werd in den naam van dit kind. En welgelukzalig, wie er telkens aan mag herinnerd worden, dat er eene verhooring van gebeden is. Simon had deze herinnering in zijnen naam. „Zoon van Jonas." Zijn vader had den naam van Jonas of Johannes, hetgeen beteekent: „De Heere is genadig". Ligt niet reeds in deze twee namen eene geheele prediking? Onze Heere, die twee namen eerst overnemende, met welke de broeder van Andreas door allen genoemd werd, neemt ook die prediking over. En wie zal ontkennen, dat Hij die woorden met eenen gansch bijzonderen inhoud vervuld heeft, en, toen zij over Zijne lippen kwamen, hunne beteekenis voor oor en hart van de hoorders heeft doen herleven. Immers, het waren geene vreemde klanken, maar woorden, die door het oor van wie ze hoorden en de taal kenden, werden opgenomen met den ganschen zin, die er in lag : „Verhooring",— „de Heere is genadig". Zoo neemt de Heere den discipel op, zoo als hij daar tot Hem komt, als Simon, zoon van Jonas. Maar juist zóó doet Hij Simon Zijn hart vinden, wekt zijn vertrouwen tot Hem. Er zijn opene armen, welke hem, die tot Hem gevlucht is, opnemen. De Heere is de Kenner der harten. Hij doorgrondt met Zijnen blik dezen Simon. Hij weet, dat Zijn Vader Hem dezen nieuwen discipel — het is de derde, — brengt; Hij ziet, dat Zijn Vader uit dit weifelende en twijfelende schepsel zal maken eenen volhardenden beljjder Zijns Naams. Hij kende hen allen; en Hij had niet van noode, dat iemand getuigen zou van den mensch, want Hij Zelf wist, wat in den mensch was. (Joh. 2 : 24 en 25.) Hij wist ook, dat Zijn Vader het gebed verhooren zou, wanneer Hij voor dezen nieuwen discipel, die tot Hem geleid werd, zou bidden, dat zijn geloof niet mocht ophouden. Het is daarom, dat Hij nu reeds hem den nieuwen naam, dien hij eens voeren zal, mededeelt, en hem bij voorbaat reeds daarmede noemt, zeggende: G i j z u l t g e n a a m d worden K e p h a s , h e t w e l k overgezet wordt Petrus. De Evangelist Johannes laat den naam zoo staan, als hij het eerst over de lippen des Heeren gekomen is. Wij hebben hier het woord in de moedertaal onzes Heeren. Immers in de Arameesche taal, die te dier tijd de landstaal van Kanaan was, beteekent „Kephas" eene rots. Ziedaar de onbeschrijfelijke liefde des Heeren, Die, ziende tot aan het einde van den geheelen weg, welken Simon Petrus zal afleggen, hem noemt met dien naam, dien hij toonen zou uit des Heeren kracht met woord en daad te hebben gehandhaafd en bewaard door geheel zijn leven.
Door dit woord wordt het riet, dat door den wind ginds en weder bewogen wordt, eene steenrots. Want waar de Heere aldus eenen naam geeft, daar geeft Hij ook met den naam het wezen en de werkelijkheid. De benaming bedoelt niet sleehls eene uiterlijke onderscheiding, maar heeft ook betrekking op het wezen en de natuur. Zoo geeft dan de Heere niet dien naam aan den Apostel Petrus ook de natuur van de steenrots; hij zal niet bezwijken noeh verzinken. Hij, die Zijne engelen maakt winden en Zijne dienaren eene vlam des vuurs, verkiest Zich hier Zijnen bode, en rust hem uit met die vastigheid en volharding, welke hij, om Hem na te volgen, zou van noode hebben. Hij maakt hem tot eene vaste stad, tot eenen ijzeren pilaar en tot koperen muren, — ja, Hij maakt zijn voorhoofd als een diamant, harder dan eene rots. Het Woord schept, wat het uitdrukt. Simon, de zoon van Jonas, i s van nu af een Kephas, eene steenrots; — desniettemin wordt hij het ook nog.
Willen wij weten, waardoor de discipel eene steenrots geworden is, dan slaan wij op Matth. 16 : 13-—18. Het is duidelijk, dat de belijdenis van Christus, den Zoon des levenden Gods, het middelpunt in deze Verzen is. Bij andere gelegenheden was de belijdenis van Jesus van Nazareth als den Zone Gods onmiddellijk en oogenblikkelijk uitgelokt door daden en woorden van Goddelijke macht en majesteit en liefde. „Rabbi, Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls!" had Nathanaël uitgeroepen, overweldigd door den blik en het woord van den Kenner der harten. „Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!" hadden allen geroepen, die in het schip waren, toen de Heere den wind stilde. (Matth. 14 : 33.) Hier had in naam van de overige Apostelen Simon Petrus in eenvoudige woorden hun geloof uitgesproken, waarop zij wilden leven en sterven, zeggende: „Gij zijt de Gezalfde, de Zoon des levenden Gods''. Daarop verneemt hij dan uit den mond des Heeren dit woord: Z a l i g z i j t g i j , S i m o n, B a r - J o n a !
Het onwrikbare en vaste der overtuiging ligt niet in hem, in zijnen persoon; hij is en blijft Simon, Bar-Jona. Hier hooren wij den geheelen naam in de moedertaal van den Heere en Zijne Apostelen. „Bar" beteekent: zoon; het is ook in verscheidene andere namen van het Nieuwe Testament terug te vinden, bijv in Bartholomeüs, Barnabas, Bartimeiis, Barabbas. Waarom deelt Mattheüs hier den naam juist in de woorden der moedertaal mede? De Heere wijst uitdrukkelijk op het geschenk der genade, waarvan Hij hem verzekert, terwijl HÜ hem zegenende toespreekt. Dat doet de Evangelist ten duidelijkste uitkomen met de woorden : „Zalig zijt gij", — doch gij blijft Simon Bar-Jona. De zaligheid hebt gij u niet toegeëigend, zij wordt u geschonken, Bar-Jona! Blijf dan maar Bar-Jona, blijf als arme zondaar in dit woord, dat gij beleden hebt, Simon Bar-Jona! — hoort gij niet de taal der moeder? Zoo zijt gij zalig! Wees dan welgemoed, — zoo, met uwen naam, dien gij van uwe geboorte af draagt, zijtgjj opgeschreven in het Boek des levens. „Vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is." Waardoor is hij nu eene steenrots geworden? Waardoor anders, dan door deze belijdenis, die het geheele Evangelie in zich bevat, en op welke, als op de steenrots, de Heere hier Zijne Gemeente belooft te zullen bouwen. Hij Zelf is dan de Bouwmeester. Hij Zelf sticht Zijne Gemeente. Hij geeft haar het fundament der belijdenis Zijns Naams Op dat fundament bouwt Hij dan levende steenen tot eene woning Gods in den Geest. Van die belijdenis is wederom Hij Zelf het middelpunt en het een en al. Zoo zegt dan ook de Apostel 1 Cor. 3 : 11, dat onze Heere Zelf het fundament is, en dat niemand een ander fundament kan leggen. De poorten der hel, d. w. z. alle vestingen en machten der hel, zullen niet bestand zijn, zegt de Heere, tegen Mijne Gemeente, die op die steenrots gegrondvest is.
Petrus, de Apostel zelf, was er van overtuigd, dat hij in het geheel van het gebouw slechts een der vele steenen was, waaruit het huis Gods werd samengesteld. Vandaar dat wij bij hem, inzonderheid in zijnen eersten Brief, Hoofdstuk 2, zoo nadrukkelijk deze gedachte vinden uitgesproken, dat de Heere de Hoeksteen, de kostelijke Grondsteen is, en dat wij allen levende steenen zijn, die worden samengevoegd, om één huis Gods te vormen. Hij moest ook indachtig blijven, welk een broos mensch hij in zichzelven bleef. Onmiddellijk nadat de Heere hem zalig gesproken had, moest hij het hooren, dat de Heere tot hem zeide: „Ga weg achter Mij, Satanas!" En later zou, had de Heere niet voor hem gebeden, zijn geloof geheel hebben opgehouden. En nog later, toen hij zich van de zonde der verloochening van Zijnen Heere bekeerd had, moest hij, blijkens den Brief aan de Galaten, van Paulus het verwijt hooren, dat hij niet naar de waarheid des Evangelies, niet recht wandelde, maar geveinsdelijk.
Nog eens, door de belijdenis van den Heere Jesus Christus, den Zoon des levenden Gods, heeft God Simon tot eene steenrots gemaakt; door het geloof, waarvan de Apostel Paulus zegt: „Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid"; door de belijdenis, waarvan dezelfde Apostel zegt: „Met den mond belijdt men ter zaligheid". (Rom. 10 : 10.) „Indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jesus, en met uw hart gelooven, dat Hem God uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden." (Vers 9.)
Ongetwijfeld nam Kephas onder zijne mede-Apostelen eene bijzondere plaats in. H i j was de oudste in jaren. De jongste discipel, Johannes, zat zoo dikwijls, als zij aanzaten, ter rechterzijde des Heeren, zoodat zijn hoofd tegen de borst van den Heere viel, naar de gewone oostersche orde van zitten in dien tijd, en Petrus kan niet wel de bekende gesprekken bij de laatste avondmaaltijden, waarbij de Heere mede aanzat, met Johannes gehad hebben, zoo hij niet ter linkerhand des Heeren heeft gezeten, — dat was de eereplaats van den oudsten der discipelen. Zoo antwoordt hij dan hier op eene vraag des Heeren, die tot allen gericht was. En zoo is hij meermalen de mond der schare van jongeren, o. a. ook op het Pinksterfeest. Intusschen was de onderscheiding, die Petrus genoot, de eere, die men hem bewees, geenszins eene, die hem krachtens zijn ambt toekwam. De belijdenis, die hij hier aflegt, is die van allen, en zoo is ook de zaligheid, waarvan de Heere hem verzekert, voor allen, die met hem dat geloof belijden: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods!" „Vrees niet, gij wormken Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is de Heilige Israëls." (Jes. 41 : 14 ) Hij maakt van eenen Simon Bar-Jona nog heden eene steenrots, — eenen Kephas. F.W.J.D

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Woorden in de moedertaal van onzen Heere Jezus Christus en Zijne Apostelen

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken