Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit den Schat der Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit den Schat der Kerk

20 minuten leestijd

Aanteekening op Zacharia'13 :7,

Z w a a r d ! o n t w a a k t e g e n Mijnen H e r d e r en t e g e n den Man, Die Mijn M e t g e z e l is, s p r e e kt de H e e r e der h e i r s c h a r e n ; sla dien H e r d e r , en de s c h a p e n z u l l e n v e r s t r o o i d w o r d e n ; maar Ik zal Mijne hand tot de k l e i n e n wenden. Zie de aanleiding tot de vervulling Luk. 22 : 36 — 38, en de vervulling zelve Yers 49 en 50, gelijk ook Matth. 26 : 51. —- „Tot de kleinen", — de uitlegging geeft de Heere met de woorden: „Ik zal u voorgaan naar Galilea" ; Hij zegt niet: naar Jerusalem.


Aanteekeningen op"Zacharia 14.

Yers 1. Z i e t , geeft er acht op, merkt er op, gij geplaagden, de dag komt, — zeer stellig en spoedig, — den H e e r e , tot roem en prijs van Zijne macht en trouw, van Zijnen Jesus-Naam, ook door Hem besteld, — den Sterken God Jakobs, in Wiens oogen het bloed en de tranen der ellendigen dierbaar zijn. — Uw r o o f , al wat u de wereld en de duivel ontroofd hebben, zult gij honderdvoudig met de vervolgingen terugontvangen, Ps. 6 8 : 1 3 ; Ezech. 39:10. — U i t - g e d e e l d w o r d e n , 1 Cor. 12:11.
Yers 2. A l l e H e i d e n e n , — afgodendienaars en eigengerechtigen, vijanden van het Woord der vrije genade. -— I T e g e n J e r u s a l e m , d. i. tegen de algemeene Kerk, waarin vijanden, huichelaars en oprechten. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. 1 Petr. 4:15—18. — Ten s t r i j d e , — tot vervolging, niet tot eindelijke overwinning. Hand. 9 : 1; 12:1. — En de s t a d , de uitwendige Kerk benevens den Staat; meermalen letterlijk vervuld, inzonderheid ten tijde van Vespasianus en Titus. — De h u i z e n z u l l e n geplund e r d en de v r o u w e n g e s c h o n d e n w o r d e n ; dit is dikwijls in godsdienstoorlogen geschied. — De h e l f t , — die niet op den berg des Heeren, niet op den heuvel Zion woont. — I n de g e v a n g e n i s , in des duivels net en dwaalleer. — Het o v e r i g e des v o l k s , — de uitverkorenen, die de Heere Zich doet overblijven. — N i e t u i t g e r o e i d , Ps. 48; Esth. 6:13. — U i t de s t a d , Jes. 54 : 1 ; Matth. 16:18; Jes. 44:26.
Yers 3. De H e e r e , Christus, — zal u i t t r e k k e n, met Zijn Woord, het Evangelie Zijns Koninkrijks en Zijne oordeelen. — Hij zal s t r i j d e n ; Zijne krijgsknechten zijn Zijne predikers, die Hij uitzendt, en voorts donder, hagel, sneeuw, stormwinden enz.; Ps. 148; de wapenen zijn Zijn Woord, 2 Cor. 10:4 en 5; Ps. 45:4—6. — G e l i j k ten d a g e , als Hij g e s t r e d e n h e e f t , ten dage des s t r ij d s. Wonderbaar gaat het daarbij toe! dan gaat het, gelijk wij zingen: „Het was een wonderlijke strijd, Toen dood en leven streden; Het leven echter won het pleit: Het heeft den dood vertreden". Luk. 12:49—53; Richt 7:13.
Vers 4. Zijne v o e t e n , de doorboorde voeten van Christus; de kracht Zijns lijdens, Zijner opstanding en voornamelijk Zijner hemelvaart, Zijne toekomst met de getuigenis er van. — Z u l l e n , — dat alles zal zeker zijn. — S t a a n , — onverwrikbaar en met alle kracht om te vertreden; wat Simson met zijne handen deed, toen hij de beide pilaren in den tempel van Dagon aanvatte, doet Hij nog geheel anders met Zijne voeten. — Op den O l i j f b e r g ; versta daaronder den Joodschen tempel, en de geheel valsche Kerk, die door de overpriesters tot eenen kuil der moordenaren gemaakt is — In t w e e ë n g e s p l e t e n , — gelijk een schip tegen de rots, gelijk Judas midden opgebarsten is. Hand. 1 : 18. Daar helpt geene poging tot herstel meer; het laat zich niet meer aan elkander voegen. In Matth. 27 : 51 begint hij te splijten. -— Voor J e r u s a l e m , zoodat men de stad Gods niet zien, noch tot haar geraken kon. — L i g t , — der prediking van de vrije genade in den weg. — T e g e n het o o s t e n , zoodat degenen, die in de stad op den Opgang uit de hoogte wachtten, dezen opgang van de Zon der gerechtigheid niet konden zien. Luk. 1 : 78; Mal. 4 : 2 . — N a a r het o o s t e n en naar het w e s t e n , opdat de stad Gods van zeer verre gezien moge worden, en gij eene vrije, opene baan hebt tot het hemelsche Jerusalem, van uwe eerste bekeering af tot aan den avond uws levens. — Eene z e e r g r o o t e v a l l e i , — zij zullen u niet meer benauwen, gij zult alle ruimte hebben, om er heen te komen en naar den Geest te wandelen. — N o o r d e n , zuid e n , — zoo moeten ook de beide helften nog dienen tegen duisternis en toorn, tegen aanvechting en hel. Rom. 8 : 28.
Vers 5. V l i e d e n , dat is: u ijlings opmaken, u haasten om uws levens wil. — Door; in het Hebreeuwsch staat hier geen voorzetsel. Er zijn er, die vertalen (zie: Critici Sacri): t o t of door het dal. Hier wordt bedoeld het dal, dat de Heere gemaakt heeft door het splijten van den Olijfberg, en het dal tusschen de bergen, waarop het huis des Heeren en Zion s t o n d . — M i j n e r b e r g e n . Drusius verklaart: „De bergen des Heeren zijn Zion en Moria. Tusschen beide lag het dal Millo. Daarheen zult gij vlieden en ijlen". De zin is diensvolgens: gij zult u spoeden, om u in de ware gerechtigheid en heiligheid te bevinden, en u legeren in de nederigheid der ware broederlijke liefde. — W a n t deze v a l l e i , de spleet van den Olijfberg, zal r e i k e n , naar Luther: „zal tot zeer nabij reiken", zal ulieden, die eertijds verre waart, nabij brengen. Ef. 2 : 13 en 14. — A z a l . Luther's overzetting heeft: „tot dicht bij Azal". Clericus: „Een oord buiten den Olijfberg". Gesenius: „Een oord in de omstreken van Jerusalem". „ Azal": vereeniging in een en hetzelfde geloof; dal dus tusschen Moria en Zion. — De aardbev i n g in de d a g e n van U z z i a , — op den dag, toen de melaatsche Uzzia gestorven was en de kroon aan zijnen zoon Jotham kwam. Zie omtrent deze aardbeving en hare beteekenis Jes. 3 („de posten der dorpels bewogen zich"). Zoo gaat eene aardbeving door de harten, zoodat men vanwege zijne melaatschheid roept: „Wee mij". (Jes. 6 : 5 ) — Dan zal de H e e r e , m i j n G o d , komen. Jesus, mijn God en Heere, Gij komt in het hart met Uwe heerlijkheid. — Al de heil i g e n ; Hij geeft Zijnen heiligen het gebed; zoo komt Hij met hen. Wat gelooft gij van de gemeenschap der heiligen?
Bovendien met Zijne heiligen engelen. Hebr. 1 : 14; vergelijk Jud.: 14; Openb. 1 : 7 ; Ps. 96 : 13.
Yers 6. Niet het k o s t e l i j k l i c h t ; het zal geene zaak van aanschouwen of zien zijn, maar alles eeniglijk zaak des geloofs. 2 Cor. 4:18. — En de d i k k e d u i s t e r n i s ; bij Luther: „Maar koude en vorst". Geen leven of heil in eigen hand; geene warmte in het eigen bloed, geene eigene macht, veeleer aanvechting, vervolging, nood en dood; in allerlei gestalte. Rom. 4:19; 7:14; 17:23 en 24; 8:11, 23, 24, 26 en 36; Ps. 119 : 143 en 175.
Yers 7. Den Heere bekend, 1 Petr. 1 : 10 en 11, ofschoon de aangevochtenen meenen, dat hun droevige en koude dag, op welken niets groeien kan, maar veeleer alles van koude verstijft, niet slechts den menschen, maar ook den Heere onbekend en verborgen is. — Noch dag, want het heil wordt niet gezien en schijnt verre van den mensch te zijn, — wat moet daarvan worden?—Noch n a c h t , want het geloof houdt niet op, Jes. 42 : 3; 40 : 27 ; 29 : 18; 42 : 16; 50 : 10; Micha 7 : 8 ; Ps. 27 : 1; 18 : 29. — Ten t i j d e des avonds, —als het gedaan schijnt met alle geloof en hoop en een eeuwige nacht ons bedreigt. — L i c h t : volkomene uitredding. Luk. 24 : 29—32; 2 Tim. 4:7, 8 en 13.
Yers 8. Het zal te dien dage geschieden. Hab. 2 : 3 : „Het gericht zal nog tot eenen bestemden tijd zijn; dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen: zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven." — „Te dien dage", waarvan bij Mal. 3 : 2 ; 4:1; Matth. 28 : 19; Mark 16 : 15 en 16. — D at er z u l l e n v l i e t e n , of uitgaan, borrelend uitstroomen met onweerhouden, onwederstaanbaren loop. Joh. 15:26; Hand. 2:1. — Levende, — in de stad des verderfs waren er voor ons stilstaande, kwalijk riekende wateren. — W a t e r e n: bronnen, beken en stroomen. Joh. 19:28: „Mij dorst!" Joh. 4 : 10 en 14; 7 : 38; Matth. 5 : 6 ; Ps 22 : 16 ; 69 : 22 ; 42 : 1; 46:5; 36:9 en 10; 65:10: 84:7; 63:2; 143:6; Zach. 9 : 11 ; Jes. 12 : 3 ; 41 : 18; 43 : 20 ; 49 : 10; 55 : 1; 58 : 11; Ps. 117:2; Rom. 5:20: „Daar is de genade veel meer overvloedig geweest". — U i t J e r u s a l e m , allereerst uit de werkelijke stad; zie Handelingen, Jes. 2 : 3 ; voorts in beeld uit de Godsstad, welke ten deele boven ligt, ten deele hierbeneden. Ezech. 47; Openb. 22 : 1 en 17; 7 : 17. — De h e l f t; 1 Cor. 12:11; Hand. 2 : 3 : „Yan hen werden gezien verdeelde tongen (kleine vlammen) als van vuur." De eene helft een gekrookt riet, de andere helft eene rookende vlaswiek, Rom. 8 : 26. De Heilige Geest beweegt Zich naar twee zijden heen: naar de ellendigen en naar de ellendigsten. Naar de oostzee, naar de Doode Zee; als die wateren er echter in komen, zullen de visschen levend worden (Ezech. 47 : 9), en zal alles gezond worden, waar deze stroom heenkomt. Ef. 2. Naar de achterste zee, de zee (de wereld) der onbesnedene volkeren: Klein-Azië, Griekenland, Italië, Egypte, en dan de Filistijnen aan deze Zee, Askalon, Gaza, Asdod, Ekron; Zach. 9 : 5—7. Cesarea, waar Filippus, de Evangelist, woonde, en Cornelius, de hoofdman. Hand. 10 : 1 ; Ef. 2. — Des zomers en des winters. Zij zullen niet ophouden. Luk. 22 : 32; Joh. 4:14; 10: 27 en 28; Rom. 8 : 30; Jes. 55 : 11; Hebr. 6:17; Jes. 40 : 8; 59 : 21 ; Filipp. 1 : 6. „Des zomers": Jer. 17:8; „des winters": Ps. 92:15.
Yers 9. En de Heere — Christus — zal tot K o n i ng z i j n , — Hand. 2:36; Matth. 28:19; Joh. 18:37; 19:14; Matth. 25:32—34; 1 Cor. 15:25. — Over de gansche aarde, Ps. 2 : 6 en 8; 97 : 9; 93 : 1; Ps. 24; Zef. 2 : 11, dus ook waar de Mijnen, waar Ik woon. — Eén, — en daar ik dezen Eénen aanriep, zoo is hij, die eenen anderen Christus heeft, een antichrist. 1 Joh. 5 : 20; 2 Cor. 11 : 4; 1 Cor. 8 : 6 ; Gal. 1:9; Ef. 4 : 5 : „Eén Heer, één geloof, één doop". Joh. 10:16. — En Z i j n Naam één. Hand. 4:12; Filipp. 2 : 9 — 11; Zef. 3 : 9.
Vers 10. Dit gansche land zal rondom als een v l a k veld gemaakt worden, zoodat men volkomen veilig en zonder aanstoot naar alle zijden en allerwegen kan heengaan in vrede met God door Jesus Christus, als op eene effene baan, met ruim uitzicht in de verte en in de gelukkige toekomst van eeuwige heerlijkheid. Jes. 30:21; 35: 8 en 9; 30:23; 33 : 17. — Ge ba: wat bultig, oneffen is, waar men lichtelijk struikelt. — R i m m o n , weg van scherpe, kantige rotsblokken, steil, gevaarlijk rotspad, waarop men lichtelijk valt en te pletter vallen kan. — Z u i d w a a r t s : hitte, onverdraaglijk op een rotspad. — Des k o n i n g s w i j n b a k k e n , Jes. 63. Vers 11. Wonen, Matth. 16:18. — Geene verbann i n g , Gal. 3 : 13. — Zeker wonen, Matth. 28: 18 en 20; Rom. 8:30, 31, 38 vv.; Hand. 9:31; Jes 26:1.
Vers 12. En d i t i s : — eene aanwijzing als met den vinger; daaraan zal men de plage kennen, dat het eene plage is van den Heere, omdat men de rechtvaardigheid, die voor God geldt en die uit het geloof tot het geloof komt, niet wil. De plage, — veelmaal in de Schrift voorkomende, om pestilentie of plotselinge sterfte aan te duiden. Vergelijk Ex. 19: 15; Num. 14: 12 en 36; 16 : 48—50; 1 Sam. 6 : 4 , vergelijk 5 : 11; 2 Sam. 24:21; Ps. 106: 29 en 30; Ezech. 24: 16. — W a a r m e d e de Heere p l a g e n zal, — Openb. 12: 17 en 18; 16: 1—3, — al de volken, Openb. 18: 3. — Tegen J e r u s a l e m , d. i. tegen Christus en Zijne Gemeente. Gal. 4 : 26 ; Openb. 17: 13—-15. — H i j zal eens i e g e l i j k s vleesch, daar hij op zijne voeten staat, doen u i t t e r e n en e-ens i e g e l i j ks oogen z u l l e n u i t t e r e n in hunne holen en eens i e g e l i j k s tong zal in z i j n e n mond uitteren. Wij hebben dit ten deele letterlijk op te vatten, als gevolg van eene booze pestziekte; immers heeft de Heere de vervolgers van Zijne Kerk, zoowel de legeraanvoerders, als de volkeren, en de verachters van Zijne genade en lankmoedigheid, menigmaal met zulk eene plaag bezocht, zooals blijkt uit de geschiedenis, inzonderheid uit die der Kerk. Hand. 12 : 23 Wij hebben het echter ten deele ook figuurlijk te verstaan. — „Vleesch", — alle zoogenaamde goede werken, welke tegen Christus en de vrije genade gedaan en hoog gehouden worden, als waren zij Geest; voorts alle macht en sterkte van dit vleesch. — „Oogen", — verstand, Schriftkennis, misbruikt, om Christus, het Licht der wereld, uit het midden weg te doen. Hand. 13:37. — „Tong", —welsprekendheid tegen de eenige waarheid. — „Daar", of (1 Cor. 1 : 20; Rom. 1: 21) juist daar, waar „hij op zijne voeten staat", juist daar, waar zij zich beroemen, dat het nu alles vaststaat en dat zij niet vallen zullen, en dat de eeuwige hoogten hunner zijn! — „In hunne holen", „in den mond", — waar zij meenen, dat zij de middelen hebben om de Kerk van Christus te vernietigen, op de rechte plaats, en derhalve geheel te hunner beschikking. — „Eens iegelijks vleesch." Vergelijk Hand. 4 : 6 ; 5: 17 en 21; voorts 4 : 14; 5 : 24. De Heere straft al Zijne vijanden, wie zij ook zijn mogen. Dit alles komt, zoo in het algemeen als in liet bijzonder, in de onderscheidene tijdperken der wereldgeschiedenis uit. Zoo meer onmiddellijk vóór de geboorte van Christus: Sulla, Crassus, Pompejus, Antonius, de Germanen, de Galliërs, de volken van Azië in dien tijd, Ilerodes en de hoogepriesters, Caesar, Octavianus enz.; in den tijd der Apostelen en toen Jerusalem verwoest werd; in de vierde eeuw; ten tijde der Hervorming en onmiddellijk vóór en in die eeuw; ook in deze laatste jaren sedert 1830.
Yers 13. Yan den H e e r e . Dit alles komt dus van den Heere. — E e n g r o o t g e d r u i s c h , — zoodat alles over elkander en het onderst boven gaat, niemand aan zulk eene algemeene beroering kan ontkomen en niemand die kan doen ophouden; eene wezenlijke verwarring bij regeeringen en volkeren. Zulks wordt door het Woord uitgewerkt, dat zijnen onbelemmerden loop hebben wil, en door den Heiligen Geest, Die de wereld bestraft. — O n d e r h e n , Hagg. 2 : 8 : „Ja Ik zal al de Heidenen doen beven"; Hagg. 2 : 2 2 . — Z o o d a t zij e e n i e d er z i j n s n a a s t e n h a n d z u l l e n a a n g r i j p e n , d. i. zoodat zij met elkander overhoop zullen liggen en krijg voeren. 2 Kron. 2 0 : 2 3 ; 1 Sam. 14 :-20. — En e e n s i e d e r s h a n d zal t e g e n de h a n d z i j n s n a a s t e n o p g a a n , d. i . : zij zullen elkander machteloos maken, zoodat de een al even weinig zal kunnen uitrichten of baat daarbij hebben als de ander. Zij zullen elkander als het ware de handen afkappen. Zoo zal dan niemand tot macht geraken, maar veeleer alles opgelost worden, opdat de macht en de heerschappij van Christus zij. Hoofdstuk 2 en 3.
Vers 14. Ja, het komt allerwegen tot zulk eene omkeering, dat ook in de uitwendige Kerk strijd zal zijn. E n o o k , d. w. z.: daarom, dientengevolge, of: en zelfs, ja ook. — J u d a , Gen. 48 : 8 ; Deut. 33 : 7. „Juda", d. z. dezulken, die de zuivere leer brengen, dat de rechtvaardige uit het geloof leven zal. — T e J e r u s a l e m , d. i. tegen dat Jerusalem, waarvan Paulus schrijft, dat het dienstbaar is met hare kinderen, Gal. 4 : 2 5; Richt. 1 : 8. „Jerusalem" zijn dus zij, die zich met werken afgeven. — S t r i j d e n , nml. met het zwaard des Geestes, met de getuigenis van Jesus, strijden naar Gal. 4 : 30. — H e t vermog e n a l l e r H e i d e n e n r o n d o m zal v e r z a m e l d w o r d e n, d. w z. het vermogen der Joden, die teekenen begeeren, en der Grieken, die wijsheid zoeken, en die beide Christus, de wijsheid Gods en de gerechtigheid en heiligheid in Hem verworpen hebben. — G o u d , z i l v e r , k l e e d e r e n enz., dat alles valt der ware Kerk in den schoot; dit heeft altoos plaats, waar het Evangelie aangenomen wordt. Vergelijk de geschiedenis van het Nederlandsche volk, van de Zwitsers, van het Engelsche volk en van de Duitsche volkeren, die het Evangelie omhelsd hebben. Ps. 68: 13: „Zij, die tehuis bleef", — de huisvrouw, de zwakke vrouw, de Debora's der Kerk van Christus, — „deelde den roof uit." Ezech. 39: 10.
Vers 15. P a a r d e n , m u i l e n , k e m e l e n , e z e l e n , — strijdkrachten en snelle middelen van verkeer, middelen, waarvan gebruik gemaakt wordt bij de correspondentie, vooral door de diplomatie, en waarvan de volkeren zich tegen het Rijk van Christus en voor het rijk des duivels bedienen; deze zullen door den Heere met pestilentie geslagen worden, vergaan, in verval komen, niets meer uitrichten of kunnen uitrichten. Ps. 33: 17; 147 : 10. — En a l l e r b e e s t e n , — d. i. van al dergelijke middelen. — Die in d i e z e l v e h e i r l e g e r s g e w e e st z u l l e n z i j n : zij zijn met hoopen tegen mij geweest; Ps. 83: 6—9 (elf machtige volkeren tegen een enkel). „In diezelve legers", nml. in de heirlegers en in den dienst van de vijanden des Evangelies, des volzaligen Gods.— G e l i j k g e n e r p l a ge g e w e e s t i s , nml. als die der volken en regeeringen in Vers 12. Het is hier eenerlei plaag. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Uit den Schat der Kerk

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 november 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken