Bekijk het origineel

De herders.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De herders.

Naar aanleiding van Lukas 2 : 15 — 20.

14 minuten leestijd

Gij hebt het woord van den hemel vernomen, en kent het wel, het woord: „U is heden geboren de Zaligmaker!" O, in den Naam Zaligmaker ligt opgesloten alle mogelijke genezing en verlossing van geestelijke en lichamelijke krankheid, van geestelijken en lichamelijken nood. Twee dingen zijn ons eigen : dat onze zinnen, in plaats van door de gewoonte om het "Woord te hooren geoefend te zijn, integendeel afgestompt zijn, juist omdat de wereld en het zichtbare meer in het hart des menschen woont en daar plaats vindt, dan de Heere met Zijn Woord, — en dat de mensch in plaats van te gelooven, dat hij niet alleen van brood leeft, maar van alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat, het omkeert en zegt, dat hij alleen van brood leeft en niet van het Woord Gods.
De herders hadden vernomen, wat de engel had gezegd, en het lied gehoord. Maar zij bleven eerst bedremmeld staan, en wisten niet recht, hoe zij zich dit ten nutte moesten maken. Het behaagt God nog heden. Zijne engelen te zenden, de boden des vredes, met zijn Woord. Eerst bleven wel de herders verlegen staan, maar weldra grijpen zij de gehoorzaamheid des geloofs aan, zoodat zij zeggen: L a a t ons dan h e e n g a an n a a r B e t h l e h e m , en l a a t ons z i e n h e t woord, dat e r g e s c h i e d is, h e t w e l k de H e e r e ons h e e f t verk o n d i g d .
„Laat ons gaan", d. i. alle hindernissen, die ons in den weg staan, in geloof ter zijde stellen,, de schapen schapen laten en ze den Heere bevelen; wij hebben het gehoord, nu willen wij het woord ook zien. Dat is het geloof, dat wij moeten hebben. Zij zeggen niet: „het woord, dat ons de engelen hebben verkondigd", neen, zij zeggen: „hetwelk de Heere ons heeft verkondigd"; zij hebben dus het woord der engelen aangenomen als het Woord des Heeren.
Mogen wij ons laten afhouden door de zichtbare dingen, als wij het woord van leven en troost hebben vernomen: „De Zaligmaker is u geboren" ? Maar het is ons menschen eigen, dat wij ons verlustigen in het zichtbare. Als wij eten en drinken hebben, kleeren en wat eer, dan willen wij het woord der engelen hooren. Gaat het echter om de gehoorzaamheid, ellendige menschen zijn wij dan! Zoolang wij nog met onze oogen zien, op ons vleesch, op het zichtbare, dat ons voordeel aanbrengt, op onze begeerten, zoo lang worden wij heen en weer geslingerd door enkel zorgen en moeiten en wat tot ons vervloekte ik behoort. Maar de Heere heeft ons Zijn Woord doen verkondigen, opdat wij niet op onze zonden zouden blijven zitten, maar ons in onzen nood en benauwdheid alleenlijk houden aan het Woord, dat eeuwig is, terwijl al het andere vergaat; in het Woord is hemel en aarde geschapen (Joh. 1 : 3), en als men zich aan het Woord houdt, blijft men, zoolang het Woord blijft.
„Maar — maar de wolven komen en verscheuren de schapen !" Blijf dan bij de schapen, totdat gij door de schapen zalig wordt Blijf dan bij de schapen, totdat duivel en wereld komen en u ten laatste verslinden! „Maar ik durf niet, ik ben te zondig !" Juist daarom moet gij naar dezen Zaligmaker, moet gij naar eenen verlosser! Is er wezenlijk nood, dan is er iets in het hart, dat rust noch duur laat, tot men gevonden heeft, wat de ziel zalig maakt. Zij moet naar Bethlehem, om te zien, wat daar is geschied. — Waar ligt Bethlehem? in uwe binnenkamer! in eenen hoek van uwe kamer! daar ligt het. Welgelukzalig is de mensch, die lust heeft in Gods Wet, en opgewekt wordt, om te zien, of het is, zooals de Heere gezegd heeft. Ik moet het weten, er kome van, wat wil, ik moet het wagen! Kom ik om> zoo kom ik om! God heeft mij geschapen, niet ik; Hij kan, Hij moet mij onderhouden en spijzigen, niet ik zelf Mij zalig maken moet God, niet ik. Mij van mijne zonden afbrengen moet God, niet ik. God kan alles, wat ik noodig heb, verschaffen, niet ik. God alleen kan genade geven, ook bij de menschen, ik kan liet niet. Wee mij, zoo ik eere zoek bij de menschen! God moeten wij eeren. God alleen kan wonderbaar helpen Maar het moet gewaagd worden. Welaan, het in weerwil van den duivel in Gods en Christus' Naam gewaagd, en aangegrepen de hoornen des altaars, aangegrepen Zijn Woord en Zijne belofte. Zoolang ik echter nog op de schapen zie, komt er niets van. Geene kennis kan ook maar iets baten, als ik mijnen lust niet prijsgeef. Als ik gevonden heb liefde bij de wereld, geld, eer, lichamelijk onderhoud, wat dan? Heeft niet de Heere de leliën des velds met pracht bekleed ? Onderhoudt en spijzigt niet de Heere de vogelen des hemels? Is de Heere mijn God, dan zal Hij mij wel verhoorcn, en mij geven wat ik noodig heb. Maar wat zou het mij baten, zoo ik de geheele wereld gewon en schade leed aan mijne ziel, aan mijne kostelijke ziel? (Matth. 16:26.)
De herders hebben het van de engelen gehoord, wat er geschied was; zij gaan naar Bethlehem, zjj treden den stal binnen en vinden wel getuigen van de waarheid Gods : eene koningsdochter en eenen prins. — Het geloof betoont zich als geloof, niet in een roemen van : „ik heb het reeds", maar ineen: „ik moet het zien, gelooven, smaken, de Heere heeft het gezegd". Maar zijt gij dat reeds te boven ? Ongelukkig mensch, die meent, dat hij vaststaat, dat hij het te boven is, dat het hem niet meer kan ontgaan. Menige boom reeds is door den storm gebroken, al stond hij nog zoo vast geworteld. Maar een riet, dat zich buigt, daar gaat de storm over heen. Als niet het vaderhart en de moederliefde van den Heere God u houdt en draagt dag aan dag, dan valt gij kind van de trap, dan verontreinigt gij uwe kleêren, dan breekt gij armen en beenen. Een klein zandkorreltje in het oog, en gij kunt er niets meê zien. Het geringste behoeft maar te gebeuren, en weg is de mensch, als God hem niet vasthoudt en hem uit den afgrond ophaalt.
De herders komen in den stal en vinden Jozef en Maria. Wat was dat voor eene vrouw? Was zij in zijde en fluweel gekleed? met groote kostbaarheden, met edelgesteenten en paarlen versierd? Was het eene vrouw, die de herders kon helpen, die hun vijfhonderd schapen kon teruggeven, als zij er één verloren hadden? Ach neen! zij vonden haar immers in den stal met een kindje in de kribbe op hooi neergelegd, in doeken gewonden. Maar ben ik van hetzelfde Koninkrijk, dan zet ik mij daarnaast en ben even arm en even rijk. De herders hadden gezocht, niet naar hetgeen de wereld geeft, maar naar waarheid; niet naar eene waarheid voor het verstand, om zich daarover in bespiegelingen te verdiepen, maar naar de waarheid des levens, tot behoud hunner ziel. En zij hebben het uit den mond van Maria vernomen, dat een engel haar was verschenen en gezegd had: „Uw Zoon zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem den troon van Zijnen vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn". En zij vonden Jozef, en hij verhaalt hun de geschiedenis van een arm zondaar. Hij verhaalt hun, hoe hij ongeloovig was geweest, alles in twijfel had getrokken, en achterdocht had gekoesterd omtrent de rechtvaardige maagd, zoodat hij haar had willen verlaten en zoo de eene zonde op de andere zou hebben gestapeld; hoe echter God in genade Zijnen engel had gezonden, die hem het raadsbesluit Gods had verkondigd en hem van de zonde had teruggehouden. Zij hebben van Maria, gehoord: „Mijne ziel verheugt zich in God, mijnen Zaligmaker! Want groote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam. Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. En dit Kind is de vergeving der zonden, is mijn Kind, en mijn God en Heiland". En zij zien het Kindeke in de kribber het arme Kindeke Jesus.
Wie onzer weet, of hij om zes of zeven uur nog zal leven? En indien niet, wat dan? Wat baat dan eer en rijkdom ? W a t heeft dan verdriet, nood en tegenspoed geschaad? wat al hetgeen men om des Woords Gods wil heeft geleden en gedragen? Als men sterft, is men doodarm of oneindig rijk, al naar men hierbeneden heeft geleefd. Het Kindeke in de kribbe kan niets en heeft niets, het kan niet spreken, het spreekt noch van vrede, noch van verdoemenis, het zegt niet, of de schapen in veilige bewaring zijn, of niet. En toch maakt het rijk allen, die arm zijn. God maakt arm door nood, tegenspoed, zonde enz.. Allen moeten doodarm worden, zeer klein en gansch verbrijzeld, opdat zij zien op het Kindeke Jesus in de kribbe. Dat belooft niets en brengt niets meê in Zijne handen. Maar er ligt een wonderbare vrede in Zijne oogjes en die dringt: door tot de ziel, tot het verslagen gemoed. — Het is u gezegd, o mensch! wat goed is, en wat de Heere van u eischt t houd Zijne geboden! dat is goed. Blijf bij Zijne geboden, bij Zijn Woord, dan zult gij arm en ellendig worden. Dat is het kenmerk, of het waarheid is in het hart des menschen, dat hij de geboden Gods wil. De mensch wordt wel is waar altijd zondiger, maar het gebod wordt niet prijsgegeven. Daar komt dan God de Heere, Die den mensch kent van binnen en van buiten, en geeft hem Zijn Woord, Zijne belofte, geeft hem het woord: Zie het Kindeke Jesus aan, het lacht zoo liefelijk; dan zult gij geen gebrek lijden. Hij is uwe toevlucht, al zinkt gij ook nog zoo diep in nood en zonde, zoodat tranen uwe spijze zijn dag en nacht, — alles is betaald!
Maar zal men geen gebrek lijden? — Vraag niet! Liever met Hem gebrek geleden, liever met Hem de deur uitgeworpen, de wereld uit, en aan het kruis genageld, dan willens en wetens eene eenige zonde gedaan. — Daar ligt het Kindeke in de kribbe, het spreekt niets, heeft niets, weet niets, kan niets — naar het zichtbare. Manr hoe ziet het er uit naar het onzichtbare? Eene menigte des hemelschen lieirlegers, vol lof en prijs ! Is ook het Kindeke zwak en machteloos, deze eene macht is mij het liefst, dat Hij den ganschen berg mijner zonde en schuld op Zich neemt en achter Zijnen rug in de zee werpt. Als dat zoo is, dan laat ik al het overige aan Hem over. Hij zal het wel maken! Ilij zal den dood wel weten te dooden! Hij zal den duivel wel aan de keten houden, zoodat hij wel mag blaffen, maar toch niet zal kunnen bijten; hij zal u niet hebben, gij zult er wel doorkomen.
Hebt gij Hem reeds gezien met het oog des harten, met het weenend oog vol tranen, zoodat gij niets anders meer ziet? Dank Hem en verkondig het ook aan anderen. Maar zijn er te Bethlehem ook menschen, die Hem aannemen ? Eene goddelooze stad is het! zij hebben Maria niet opgenomen, maar bij alle deuren afgewezen. Maar God had hun de oogen gesloten, omdat Hij het hun niet moeielijk wilde maken. Zij zouden Maria niets geven, het Kind niets brengen. Maar nochtans zou Hij hun Heiland zijn. De herders verkondigden alom: „De Messias is u geboren, de Zaligmaker!" — „Wat, de Messias? wat? waar is Hij? waar? w a a r ? "— „Daar in den stal ligt Hij, iu de kribbe." Weg ijlen zij en kloppen verder aan, zij hebben geenen tijd, om zich lang op te houden. Waar maar een hroeder of eene zuster is, daar snellen zij heen. Wat zal er veel gepraat, veel gesproken en verteld zijn van hetgeen geschied was. Maar dit is zeker: van de duizenden in Bethlehem zijn er een of twee heengegaan naar don stal, om te zien, of het zoo was, en om te aanbidden. Overigens gaat de wonderbare geschiedenis wel van mond tot mond, en is eenen tijd lang in de stad het onderwerp der gesprekken, maar niemand verbet er eenen voet om. En de Heere God komt en zendt nood in de huizen en lijden en tegenspoed, klopt aan met Zijnen vinger, alles uit loutere genade; maar de vogels komen en pikken van den hardgeloopen weg des harten het goede zaad weêr weg, en alles wordt weêr weggeworpen en vergeten. Zoo blijft dan de mensch in zulk eene onzekerheid, en de hemel is zoo hoog! zoo hoog! en de zonden zijn zoo vele! en zij zijn zoo diep ingeworteld! Daarbij komen er nog allerlei zorgen tusschenbeide, en de een wil dit hebben, de ander wat anders en jaagt dat na. God echter laat den mensch, dien Hij Zich heeft verkoren, geene rust, maar dringt en drijft hem, om heen te vlieden — waarheen? Naar het Kindeke in de kribbe. Hier ligt al de zaligheid verborgen. De kribbe is vol paarlen en diamanten, al ziet men het aan voor enkel stroo. Hier is het met iederen nood en iedere klacht gedaan. Wilt gij kleeding? — neem ze van Zijne doeken! Wilt gij voedsel? neem het van het hooi, waarop Hij ligt! Behoeft gij eene woning? Bouw u een huis uit Zijne kribbe! Zoo kan men wel bij dit Kindeke Jesus blijven De Heere draagt u het gansche jaar door. Hoe meer nood, hoe meer wonderen! hoe moer lijden, hoe meer bewijzen van Zijne trouw; want alle perken van ruimte en tijd zijn weggevallen, er is geene scheiding meer tusschen ons en onzen God.
Yan ons hart zullen wij eene goede bewaarplaats maken, om dit Kind op te nemen en daarin te bergen, gelijk wij van Maria lezen: Zij b e w a a r d e deze w o o r d e n a l l e te zaïnen, « v e r l e g g e n d e d i e in h a a r h a r t . Netjes bij elkaar leggen zullen wij hetgeen God ons geeft, en er spaarzaam meê zijn; wat wij vandaag niet gebruiken, gebruiken wij morgen, of wellicht overmorgen. Wederkomen, dat is de hoofdzaak. O het is zoo noodzakelijk, want de golven van twijfel en ongeloof willen alles weêr wegspoelen. Dat gaat steeds op en af Maria, wat had zij voor oogen ? Een Koningskind was haar beloofd, en als een arm Kind lag het daar voor haar in de kribbe. Rijk aan alle schatten was Hij, en toch arm en naakt. De hemelen der hemelen kunnen Hem niet omvatten, en Hij ligt daar in eenen voederbak van het vee. Vergeving van zonden zal Hij schenken en eeuwigen vrede, en Hij is een hulpeloos Kind Dit Kind is mijn Kind, mijn Heere en Heiland, Die mjj wascht en reinigt van alle zonden, — en ik moet het voeden aan de moederborst. Welk eene tegenstrijdigheid! Wat zal de duivel Maria voor gedachten ingefluisterd hebben ! Zij had de schare van engelen niet gezien, den lofzang niet gehoord. Waar blijven de aanzienlijken, waar blijven de geleerde heeren van Jerusalem ? denkt Maria. Komen er geene anderen dan die arme herders daar? En ik zit hier in nood en weet geenen raad. Jozef, mijn geld raakt op, ik heb niets meer. Er is nauwelijks nog zoo veel, als noodig is voor de besnijdenis. Wat zullen wij beginnen ?
Een jaar verdwijnt in de eeuwigheid, en daarmee onze nood ; maar het Kindeke Jesus leeft.
Zingt vroolijk, heft de stem naar boven!
Rechtvaardigen, verheft den Heer;
Het past oprechten, God te loven;
Zingt Zijnen grooten Naam ter eer.
Prijst Hem in uw psalmen
Met de schoonste galmen,
Roept Zijn weldaan uit.
Laat de keel zich paren
Met den klank der snaren;
Looft Hem met de luit.
28 December 1856.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

De herders.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken