Bekijk het origineel

V. De Brief aan de Gemeente te Sardis. (Openb. 3:1—6) (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

V. De Brief aan de Gemeente te Sardis. (Openb. 3:1—6) (1ste Gedeelte.)

Verklaring van de Brieven aan de zeven Gemeenten in Azië.

11 minuten leestijd

Het is een zeer troostrijk en kostelijk woord in het Evangelie, dat er blijdschap is in den hemel over eenen zondaar, die zich bekeert. Een zondaar is naar de Schrift een mensch, die het recht Gods heeft geschonden, de gaven en weldaden zijns Scheppers heeft misbruikt, de lankmoedigheid en den ernst, de macht en hoogheid van zijnen Rechter heeft veracht. Een zondaar is een mensch, die alle geboden Gods overtreden heeft en overtreedt, wiens denken en doen, wiens gansche gezindheid eene onophoudelijke beleediging is van den heiligen en alleen goeden God. En als nu zulk een zondaar plotseling de oogen opent, op eens stilstaat, tot zichzelven komt, op zijne borst slaat en, uitroepende: „O God, ontferm U mijner!" op zijn aangezicht valt, dan verblijdt zich al wat in den hemel woont. Daarentegen, hoe ontzettend droevig is het daar gesteld, waar zulk een zondaar, die het Woord des Evangelies met blijdschap heeft gehoord en het heil in Christus heeft gevonden, zich daarna weder van de waarheid Gods, van Zijne genade afkeert en weder wandelt op de paden des doods en des verderfs! Ja het snijdt door merg en been, waar het bij den Profeet Jesaia heet: „Hoort, gij hemelen! en neem ter oore, gij aarde! want de Heere spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden." Zoo onze harten niet zoo hard waren, zij moesten wel breken bij het hooren van de klacht des Ileeren: „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden!"
Christus te hebben gekend als Dien, Die de opstanding en het leven is, en dan Hem weder verlaten, welk een val, — uit het leven in den dood! En in dien dood meent men het leven te hebben in zichzelven, — welk een zelfbedrog ! Doch is zoo iets mogelijk bij degenen, die Christus hebben aangenomen ? De Schrift getuigt het ons, en wij zien het ook uit den Brief, welken Hij, Die te midden der zeven gouden kandelaren wandelt, door Zijnen dienstknecht laat schrijven aan de Gemeente te Sardis, en welke zoo ernstige en aangrijpende woorden bevat.
Wanneer wij nu dien Brief lezen, dat wij dan niet denken: Dat gold alleen die Gemeente; want wat de Heere schreef aan eene bepaalde Gemeente, spreekt de Geest tot de Gemeenten van alle tijden, en maakt nog heden scheiding tusschen hen, die zich onder het Woord buigen, en hen, die zich daartegen handhaven.
Die zich daartegen handhaven, zullen hun oordeel dragen; die zich daaronder buigen, zullen in het Woord der bestraffing erkennen het hart van den Heiland, Die niet bestraft, om te verwerpen en te verdoemen, maar om weder te brengen en te behouden, ja, Die afvalligen weder bij Zich doet wonen en dooden levend maakt, Die verslagenen opricht en de zwakken versterkt.
„En s c h r i j f a a n den e n g e l d e r G e m e e n t e , die t e S a r d i s is: Dit z e g t , Die de z e v e n G e e s t en G o d s h e e f t en de z e v e n s t e r r e n " , zoo lezen wij hier in Vers 1. „Die de zeven Geesten Gods heeft." Zoo schrijft Johannes ook Hoofdstuk 1 : 4 van de zeven Geesten, Die voor Zijnen Troon zijn, gelijk de oostersche vorsten zeven raadsheeren voor hunnen troon hadden. Hier zijn nu niet bedoeld zeven persoonlijk onderscheidene Geesten, maar het is de ééne Heilige Geest in Zijne zevenvoudige werking, waarvan wij o. a. lezen Jes. 11 : „Er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Ileeren". Daar wordt gesproken van den Heiligen Geest, Die op den Heere Jesus rusten zou en Hem toerusten met alle gaven, opdat Hij den Raad Gods tot onze verlossing ten uitvoer zou brengen. Zoo had ook de kandelaar in den tabernakel, zijnde een beeld van Christus, zeven lampen. En Openb. 4 : 5 lezen wij: „Zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods".
Deze zeven Geesten worden ook genoemd de zeven oogen des Heeren, Openb. 5 : 6 : „En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen", om allen tegenstand, die zich tegen hetzelve verheft, te verbreken, „en zeven oogen, dewelke zijn de zeven Geesten Gods, Die uitgezonden zijn in alle landen", zooals het ook op eene andere plaats heet: „Des Heeren oogen doorloopen de gansche aarde", en: „Waar zal ik henenvlieden voor Zijnen Geest?" — De Heilige Geest, de Geest des Heeren, is het, Die den ganschen Raad Gods in de wereld en in de Gemeenten van Christus volvoert. Gelijk de Heere Christus in de dagen Zijns vleesches door dezen Geest, Die op Hem was, den Naam des Yaders verheerlijkt, den wil des Yaders gedaan en Zichzelven opgeofferd heeft Gode tot eenen lieflijken reuk, zoo deelt ook wederom deze Geest de gaven uit, die Christus verworven heeft; Hij geeft de verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het Aangezicht van Christus; Hij werkt het geloof, Hij schept het leven in de doodsbeenderen, Hij werkt alleen wat Gode welbehaaglijk is. De Heere heeft dezen Geest; Hij heeft Hem ten goede Zijner Gemeente, die Hij Zich gekocht heeft. Als de Erfgenaam van alles heeft Hij den ganschen Raad Gods in Zijne hand. Hij kan den Geest Gods uitstorten en Dien mededeelen, aan wien Hij wil.
Wie dorst heeft, wie bekommerd is om troost van Boven, wie arm en ledig is, hij roepe Dien aan, Die den Geest heeft en gaarne geeft uit Zijne volheid, gelijk Hij den Geest beloofd heeft aan Zijne discipelen als den Leeraar, Die hen in alle waarheid zou leiden, als Trooster in alle droefheid naar God; en zoo heeft Hij Hem immers ook uitgestort op den Pinksterdag, om geloof en bekeering te scheppen in de harten dergenen, die het Woord hoorden. Doch is Hij het, Die den Geest heeft, zoo zijn wij het niet, die den Geest hebben of kunnen vasthouden ; Hij kan Hem ook weder nemen, weder terugtrekken, waar de Heilige Geest Gods bedroefd wordt, waar tegen dien Geest gezondigd wordt, of waar men zich tegen Zijne bestraffing op den duur blijft verzetten en verharden. Menigeen beroept zich op ontvangene genade, op ontvangenen Geest, en blijft niet in Christus; zoo heeft hij dan ook den Geest niet, wat hij zich ook moge inbeelden, want van Hem alleen, Die het Hoofd is, komt de zalving neder op de leden, en wij worden die deelachtig alleen uit genade, alleen door het geloof. Is het dan uit genade, zoo gaat het er voor ons om, dat wij in de genade blijven; is het door het geloof, zoo is het niet door de werken, en gaat het er voor ons om, dat wij in het geloove blijven.
Gelijk Hij de zeven Geesten heeft, zoo heeft Hij ook de „zeven sterren", d. i. de opzieners der zeven Gemeenten en daarmede ook de Gemeenten zeiven. Indien Hij ze niet houdt, worden zij, gelijk het in den Brief van Judas heet, tot dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. Hij heeft de zeven sterren, niet zij hebben Hem in hare hand en macht, om met Hem te kunnen doen, wat zij willen, of om Zijne waarheid te kunnen wenden en keeren naar hun eigen goeddunken. Dat Hij de zeven sterren heeft, voorzeker, het is tot troost gezegd van ben, die krachteloos zijn in zichzelven, bekennende, dat zij geen oogenblik tegen hunne vijanden kunnen bestaan. Hij beschut en bewaart hen voor alle vijandschap der wereld en des duivels, voor alle bestrijding van buiten en van binnen, zoodat niemand hen uit Zijne hand kan rukken; maar ook, zoo iemand mocht denken: Ik ben een kind des Koninkrijks, ik ben uitverkoren, ik ben begenadigd, en intusschen, gerust zijnde in zichzelven, zou wandelen naar het goeddunken zijns harten en de genade Christi verlaten, zoo moet hij het weten: niet de sterren hebben den Heere, maar Hij heeft de sterren, en Hij is vrij en souverein in Zijne genade, Hij kan de sterren wegwerpen, als men zich tegen de genade kant, gelijk zij genade is Zoo schrijft ook de Apostel Paulus (Rom. 11 : 18 —22) aan hen, die in den olijfboom Christus ingeënt en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijn geworden : „Roemt niet tegen de takken, die afgebroken zijn; gij draagt den wortel niet, maar de wortel u; zij zijn door ongeloof afgebroken en gij staat door het geloof; zijt niet hooggevoelende, maar vreest, want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, ziet toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare. Ziet dan de goedertierenheid, en de strengheid van God: de strengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden".
Dat de Heere Zich hier zoo noemt, gelijk wij gezien hebben, dat is geheel overeenkomstig den toestand van de Gemeente te Sardis, zooals wij dien leeren kennen uit hetgeen Hij aan die Gemeente schrijft. Wat toch zegt H[j, Die de zeven Geesten Gods heeft en de zeven sterren? „Ik weet uwe w e r k e n ".
De Heere begint hier met dezelfde woorden als in de andere Brieven : „Ik weet uwe werken", Ik zie al uw doen, al wat gij uitricht en tot stand brengt en weswege gij allerwegen geprezen wordt; dat is Mij niet onbekend, en gij zoudt verwachten, dat ook Ik u prijzen zou, — doch neen! de Heere voegt er aan toe: „dat gij den naam h e b t , dat g i j l e e f t , en g ij z i j t d o o d ! " Yreeselijk woord des Heeren over eene apostolische Gemeente en over zoo velen, die voor de menschen, voor de geloovigen den naam hebben, dat zij leven, en toch naar het oordeel des Heeren dood zijn. „Gij hebt den naam", den roem, „dat gij leeft", anderen zien u als zoodanig aan, overal onder de Christenen, waar men van u weet, houdt men het er voor, dat gij uit den dood overgegaan zijt in het leven, dat gij waarlijk bekeerd zijt, dat gij de ware kennis, het ware leven hebt; men komt tot u, om van u te leeren, om aan uw licht de eigene lamp, die niet meer branden wil, te ontsteken, om door uw leven het vuur, dat dreigt uit te gaan, weder aan te wakkeren; uw naam staat in het Rijk Gods bovenaan, gij staat er voor bekend, dat gij met alle gaven des Geestes vervuld en toegerust zijt, dat gij in uw midden de ware leer, het rechte Evangelie hebt, dat gij er in geworteld zijt en bloeit en de beste, de schoonste en heerlijkste vrucht draagt. De Gemeente van Sardis moet wel heerlijk begonnen hebben met de belijdenis van den Naam van Jesus Christus en er veel voor gedaan en geleden hebben, om zulk eenen naam te hebben, en toch, de Heere zegt tot haar: „Gij zijt dood". Hoe is dat mogelijk? Wij lezen hier niets, zooals in de vorige Brieven, van Nikolaïeten, niets van zulken, die afgodenoffer eten en hoererij bedrijveü, niets van Bileams leer en Jezabels verleiding.
Naar het uiterlijke schijnt alles er in de beste orde geweest te zijn; de Heere oordeelt anders, dan de menschen oordeelen.
De Gemeente te Sardis deed vele werken, werken, die goede werken genoemd en algemeen voor teekenen van leven gehouden werden en worden, doch de Heere zegt tot haar (Vs. 2): „ I k heb uwe w e r k e n n i e t vol g e v o n d e n voor G o d '.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

V. De Brief aan de Gemeente te Sardis. (Openb. 3:1—6) (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken