Bekijk het origineel

Overdenking van Psalm 103 : 1—5. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Psalm 103 : 1—5. (Slot.)

12 minuten leestijd

„Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen iu mij is, Zijnen heiligen Naam; loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden; Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, Die al uwe krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; Die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends."

Waar David vanwege de traagheid zijner ziel zichzelven aanklaagt, en de Geest hem wakker maakt, om des te meer al wat binnen in hem is tot den lof des Heeren op te roepen, daar brengt de Geest hem de weldaden des Heeren te binnen en daar houdt hij zelf ze voor aan zijne ziel. Welk een God is de Heere voor allen, die Hem vreezen! Hij is een God, „ D i e al uwe o n g e r e c h t i g h e i d v e r g e e f t , Die al uwe k r a n k h e d e n g e n e e s t ; Die uw l e v e n v e r l o s t van h e t v e r d e r f , Die u k r o o n t met g o e d e r t i e r e n h e id en b a r m h a r t i g h e d e n ; Die u w e n mond v e r z a d i gt m e t het g o e d e , uwe j e u g d v e r n i e u w t als eens a r e n d s " . Ja, deze weldaden heeft de Heere voor allen, die Hem vreezen, en schenkt ze hun voor en na in dit leven.
Die echter Hem vreezen, zijn in zichzelven niets dan zondaars, en juist de vreeze des Heeren ontdekt hun hunne ongerechtigheden en doet hen bekennen: „Ik heb Uwe Wet geschonden".
Maar de Heere vergaf hun de ongerechtigheid, Hij is hun God, bij Wien vergeving is, en tegen al hunne zonden en gedurige dwalingen hebben zij niet hunne rechtvaardigheid vast te houden, maar hebben van Godswege het Artikel, dat, hoe zwaar ook vast te houden, nochtans hun grootste schat is: „Ik geloof de vergeving der zonden". „Om het genoegdoen van Christus wil God aan al mijne zonden, ook aan mijnen zondigen aard, waarmede ik mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome."
Deze weldaad Gods houdt David allereerst aan zijne ziel voor, want daaruit komen al de andere weldaden voort. Dit is de groote schat van Gods Gemeente: zij heeft eenen God, Die haar de zonden vergeeft Ook tot de goddeloozen strekt zich Gods weldadigheid uit, maar de ze weldaad ontvangen zij niet; daarom genieten zij ook de weldaden Gods niet zooals de Gemeente des Heeren, zij hebben de rechte vrucht niet. Maar de goddeloozen toonen hierin hunne goddeloosheid, dat zij wel de gave Gods voor dit leven ontvangen, doch geene behoefte hebben aan een goed geweten voor God, geene behoefte, dat hun in dit leven vergeving der zonde geschiedt. Zoo mag de blinde mensch zichzelven rechtvaardigen, hij zal toch God niet loven, noch eenige ware dankbaarheid bewijzen, want hoe zal het hart God loven, als het moet verwachten, dat God het zwaard tegen hem trekt. Neen, niemand begeert zelfs God te loven, zoo hij niet van harte bedroefd over zijne zonden in de genadige zondenvergeving zijnen troost heeft gevonden. Daarom houdt David, om zijne ziel en al wat binnen in hem is tot den lof Gods, tot hoop op God op te wekken, zich den Naam des Heeren voor en zegt: „Die al uwe ongerechtigheid vergeeft".
Die genadige vergeving, door het Evangelie gepredikt, door het Heilig Avondmaal verzegeld, moet moed geven aan het hart, dat anders op zijne zonden ziet, ja moet het hart versterken, het zwakke hart, om ook te midden van bedruktheid den lof Gods in zulke woorden te verkondigen: „Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken". En dat is de lof, dien de Heere wil van Zijne duurgekochte Gemeente; wordt Hem die lof bestreden door ons eigen vleesch en bloed, door onze zonden en door den duivel, die niet wil, dat wij met een vertrouwen des harten tot den Naam des Heeren vluchten, — als het verbroken hart door den Geest zich dat woord ziet voorgehouden: „Die al uwe ongerechtigheid vergeeft", dan ziet zij het harte van haren God en Heiland en geeft Hem al juichend eer met ziel en zinnen.
Dat hart haars Gods verschijnt haar, waar de Geest getuigt: „Hij geneest al uwe krankheden''. Hoe krankisGods Gemeente, hoe zwak en bedorven! Hoe geneigd tot kwaad, tot dwaalwegen, gelijk elk schaap! Hoe moet zij zelve daaronder steeds lijden en is zelve de oorzaak, dat zij mat en moede wordt! Hoe is zij tot hinken en zinken ieder oogenblik gereed, en moet gedurig de kastijding der zonde dragen ;
O hoe zou het hart van alle kinderen Gods bezwijken en de mond immer gesloten blijven, zoo niet de Geest haar in David en in een iegelijk arm zondaar wijst op den Heere, Die Zelf onze krankheden op Zich heeft genomen, Die ons reinigt met Zijn bloed, Die met Zijnen Geest ons leidt en bestraft en vertroost, en alzoo alle onze krankheden geneest. Zoo opent de Heere Zelf de lippen der stommen, opdat zij Zijnen lof vermelden, als zij Zijne ontferming aanschouwen en hopen mogen op Zijnen heiligen Naam. Is de Heere, Die ons verschenen is in Zijn Woord, Die ons tot Zich getrokken heeft door Zijnen Geest, niet een God, Die uw leven verlost van het verderf? Is Hij Zelf niet de Goël en Losser van Zijne schuldige bruid? Was haar leven niet een buit geworden van het verderf, van eeuwigen ondergang in de macht der zonde en der hel?
En zoo zij al genade vond in de oogen des Heeren en de Heere Zich harer ontfermde, zal daar toch niet het verderf de overhand behouden wegens hare zwakheid? „Loofden Heere, mijne ziel", zegt David, „en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam; loof den Heere, mijne ziel, eu vergeet geene van Zijne weldaden", want Hij, die getrouwe God en Heiland, zal aan eenen iegelijk der Zijnen het woord waarachtig maken, dat Hij gesproken heeft: „Yerlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden". Die verzoening, is zij niet volkomen, is de losprijs niet algenoegzaam, de prijs van Christus' eigen ziel? Zoo heeft de Heere dan met Zijn eigen bloed uit het verderf teruggekocht, wie zich om niet hadden verkocht, en de Geest richt daarop het oog en hart van Gods arme zondaars.
Ja, de weldaden der genade over allen, die tot God zijn bekeerd, zij nemen geen einde. De Heere laat niet ontbreken, Hij kroont ons met goedertierenheid en barmhartigheden. Gij zijt daarvan omringd, van achteren en van voren en aan alle zijden, zoo roept David zijner ziel toe. Wel is waar schijnt het menigmaal, alsof God het op Zijne arme zondaars heeft gemunt en moeien zij klagen: „Door uwen toorn vergaan wij, en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt", nochtans dit hebben alle ware kinderen Gods geklaagd, omdat zij zonder de gunst des Heeren niet leven konden, en zich zoo gewond gevoelden door de zware hand des Heeren. Leert hun echter de Geest, waartoe dit alles dient, en wel, opdat zij met de wereld in den aanstaanden wereldbrand niet zullen vergaan, geeft de Heere met de beproeving ook de uitkomst en daaronder den troost des Woords en des Geestes, dat Christus het voor ons heeft opgenomen, en nu aan de Rechterhand eens almachtigen Yaders is gezeten, zoodat het eindelijk ten goede moet gedijen voor allen, die zich onder de hand des Heeren vernederen, — zal dan niet al wat binnen in ons is den Heere loven als eenen God, Die ons kroont met goedertierendheid en barmhartigheden? Zette de wereld ons dan eene kettermuts op en de duivel eene spotof doornenkroon, zoo zien wij ons door het geloof reeds hier met goedertierenheden gekroond, terwijl de kroon daarboven is weggelegd voor hen, die den loop geëindigd, den strijd gestreden en het geloof behouden hebben.
Zoo mag dan David door den Heiligen Geest het wel zichzelven en der gansche Gemeente Gods voorhouden, dat de Heere een God is, „Die uwen mond verzadigt met het goede en uwe jeugd vernieuwt als eens arends". Als de Heere Zelf zorgt, dat Zijne Gemeente zulke woorden van den Naam Gods, van Zijne ontferming, trouw en alvermogen verneemt, zal het der hongerige ziel dan niet gaan als den Profeet Jeremia, die getuigt: „A.Is ik Uw Woord gevonden heb, heb ik het opgegeten" ? Zal zulk een Woord, waar het valt, niet allen honger en kommer vanwege de zonde stillen en wegnemen?
Daarom houdt de Geest der Gemeente zulke weldaden voor in Woord en Sacrament, en die ooren heeft om te hooren, die hoore! Zal dit niet meer vreugde geven in het arme hart van Gods kinderen, dan wanneer de goddelooze zich het koren en den most en alle wereldsch goed vermenigvuldigd ziet?
En waar het uitzicht is om eeuwig verzadigd te worden met het beeld des Heeren, dat hier reeds de Geest ons voorhoudt tot vertroosting der oprechten, daar zal de lof des Heeren in al onze zwakheid nochtans hier aanvangen, en zulk een lof, zelfs uit den mond van kinderkens, zal de sterkste muren des Satans omverwerpen.
Zal dan de tijd ons kunnen schaden? Neen, wel zal een zondaar vervloekt worden, al wordt hij honderd jaren oud, en de jaren voeren eenen iegelijken onbekeerden mensch naar zijne verschrikking ; maar de jaren kunnen niemand schaden, die een goed toeverzicht heeft tot God door Jesus Christus, den Heere, neen niemand, die God vreest, maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot in eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen. Al is het ook, dat de Gemeente Gods moet betuigen : „Door Uwen toorn vergaat ons kwijnend leven", als het hart verblijd wordt door Gods goedertierenheid, door Zijn Woord en belofte, als de Geest hare oogen afwendt van zichzelve en richt op den heiligen Naam des Heeren, dan bljjkt het, dat de Heere een God is, „Die uwe jeugd vernieuwt als eens arends".
De Heere kent Zijn Israël, ook als het moede en mat is en dit hoe langs zoo meer zou worden. De duivel drijft des Heeren volk, gelijk Farao Israël in Egypte. IIet volle getal tichelsteenen moet opgebracht worden, de duivel jaagt hen met de wet, en sluit het oog voor de aangebrachte gerechtigheid van Christus. Zoo ontvangen zij slagen van de wet en den duivel, totdat zij moede en mat zijn en gansch terneêrgebogen en verslagen. Maar als de Geest het oog der moeder richt op den Heere, Die al onze zonden heeft weggenomen, Die al onze krankheden geneest door den losprijs des Lams, als onder het opgelegde kruis het oog geopend wordt voor de kroon, die daar hangt aan het einde van de loopbaan, dan wordt hunne kracht vernieuwd en zij zijn frisch, al gaan de dagen daarheen, zij zullen opvaren mot vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden.
Gelijk de arend krachtig en sterk is, ook in den ouderdom, zoo is de Heere een God, Die hun kracht geeft in zwakheid, Die hen verkwikt door Zijn heil. O, dat dan de Gemeente des Heeren, die geborgen is in den Heere Jesus Christus, bekeerd tot Hem, den grooten Herder en Opziener der zielen, hare oogen opheflfe, hare sterkte aantrekke, en den Geest tegen hare zonde en zwakheid, tegen hare krankheden en vertwijfelingen zich late voorzingen en voorspelen van dezen Naam des Ileeren en van Zijne genadegaven voor haar bereid. Dat zij zich door Woord en Sacrament late wijzen op de offerande van Christus, aan het kruis volbracht, waarin al deze weldaden besloten liggen, en aanschouwe de schatten, die de hemelsche tabernakelen voor haar bevatten, om haar daarvan op aarde reeds te schenken.
Wat zal het dan zijn, als eens alle tranen zullen gedroogd zijn en de dood zal overwonnen wezen, als de eerste dingen zijn weggegaan, nml. rouw en gekrijt en moeite, als de volken zullen wandelen in het licht van God en van het Lam! Dat zich dies verheugen allen, die God vreezen, dat zij loven met al wat binnen in hen is den heiligen Naam des Heeren. En allen, die daar nog rusten in een loven Gods met de lippen, zonder dat het hart tot God is bekeerd, o dat zij zich bekeeren, opdat zij den troost in leven en sterven niet mogen missen, opdat zij de deur des hemels niet gesloten vinden, opdat zij niet eene prooi der hel mogen worden, want dit is gewis: de zonde en de helsche macht laat niemand los en hare banden vallen niet af, tenzij men door den Heiligen Geest met David leere zingen: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheden vergeeft, Die al uwe krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; Die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Overdenking van Psalm 103 : 1—5. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken