Bekijk het origineel

Bij de jaarswisseling.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bij de jaarswisseling.

(Naar aanleiding van 1 Samuël 7 : 12c.)

11 minuten leestijd

„Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen."

Wij staan weèr aan den uitgang des jaars. Wat hebben wij al gezien en ondervonden en doorleefd! Wie heeft ons tot hiertoe gebracht, geleid en geholpen? Het antwoord der wereld, óók waar zij nog godsdienstig wil zijn, is: „God helpt, die zichzelven helpen". Die spreuk rekent niet met G-ods Woord, niet met 's Heeren maeht, genade en trouw. Eigene wijsheid en kracht, 's menschen willen en loopen wordt geëerd en gevierd; men maakt God den Heere afhankelijk van Zijne schepselen. Ach, een nietig mensch stelt zich boven zijnen Schepper, den Allerhoogste, Die onzen adem wegneemt en — wij sterven.
Die spreuk kan dan ook niet bevredigen dengene, die weet, dat hij een mensch, een arm, zwak mensch is, die het ervaren heeft, dat bij een menschenkind geen heil is. En gewis, waar zij ter redding wordt aangegrepen, stort zij te dieper in den nood. Gods Woord geeft dan ook een ander antwoord, vlak tegenovergesteld aan dat der wereld; het schrijft in het hart van allen, die niet uit de wereld zijn en toch in haar midden den raad Gods moeten uitdienen, eene andere spreuk, die getuigt niet van 's menschen kracht en wijsheid, maar van des Heeren almachtige genade en onwankelbare trouw, tot lof en prijs van Zijnen Naam alleen. Deze luidt: „Tot h i e r t oe h e e f t ons de H e e r e g e h o l p e n ".
Die woorden wrerden gesproken door den ziener Samuël, eenen man Gods, die jaren lang het volk Israël gericht heeft, die als een getrouw knecht des Heeren hun voorging en hen leidde in de vreeze Gods naar Zijne heilige geboden. In de zending van dezen getuige en richter onder Israël bewees de Heere God, dat Hij Zijn volk niet begeven noch verlaten had, óók waar zij van Hem verre afgeweken waren God had hen weleer uit Egypteland, uit den diensthuize, uitgeleid door eenen sterken arm en groote gerichten; maar zij hadden die weldaad snood vergeten, waren van den Heere, den God huns levens en hunner verlossing, afgevallen en dienden vreemde goden. De gevolgen bleven niet uit: in hunnen gruwelijken afgodendienst ging het hun zeer kwalijk. De Heere gaf hen in Zijnen rechtvaardigen toorn over in de hand hunner vijanden. Maar, als het volk, in de benauwdheid, in de engte gedreven, de afgoden wegwierp en tot den levenden God riep, o, toen hoorde de Heere hun geroep, en met innerlijke barmhartigheid bewogen verloste Hij hen uit allen nood.
In de dagen van Samuël was het volk zuchtende onder de zware hand der Filistijnen; dezen hadden hun ook de ark des Verbonds ontnomen, die Gods volk eene getuigenis was van de verzoening hunner zonden, van genade, leven en vrede bij God. De vijanden echter konden om de plagen Gods over hen de ark niet behouden, zij moesten haar terugzenden ; en zoo kwam zij eerst te Beth-Sémes en daarna te Kirjath-Jearim.
Aldus bewees de Heere, dat Hij is, dat Hij leeft en blijft zorgen voor Zijn volk, en toonde Hij krachtelijk, dat Hij God is, en niemand meer, dat Hij, de Allerhoogste, te vreezen is. Doch Israël sloeg geene acht op 's Heeren daden; het bleef in afwijking van Jehova volharden; het bleef wandelen naar het goeddunken van het booze, afgodische hart. Zoo zou het zich hebben verdorven in zijnen goddeloozen weg, ware niet de Heere Zijns Verbonds gedachtig gebleven. In Zijne lankmoedigheid en goedertierenheid schudde de Heere door Zijne oordeelen het zoo liard slapende volk wakker, en zij leerden onder de tirannie hunner vijanden verstaan, dat een afgod niets is, en van het vleesch geen heil is te verwachten. Door den Profeet Samuël ontdekte de Heere hun hunne zonden, en het gansche huis Israëls klaagde den Heere achterna. „Toen sprak Samuël tot het gansche huis Israëls, zeggende : Indien gijlieden u met uw gansche hart tot den Heere bekeert, zoo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoth's ; en richt uw hart tot den Heere en dient Hem alleen, zoo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken" (1 Sam. 7 : 3). En zij gehoorzaamden aan het Woord des Ilecren, zij deden belijdenis van hunne zonden, zij deden de afgoden weg en dienden den Heere alleen. Doch, als straks de Filistijnen tegen hen optrokken, konden zij toen vol moed en vertrouwen, steunende op hunne bekeeriug, den vijand te gemoet trekken? O neen; zij vreesden voor het aangezicht der Filistijnen, en zij riepen tot Samuël: „Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den Heere onzen God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen" (Ys. 8).
Wat deed nu Samuël ? Yleide hij hen met hunne bekeering ? Geenszins; maar hij nam een lam en offerde het geheel den Heere tot een brandoffer, en toen riep hij tot den Heere voor Israël, en de Heere verhoorde hem. Het offer alleen kon aan het volk moed en hope ter verlossing geven; om het offer verhoorde en verloste de Heere. Vragen wij, welk offer hier door God werd aangezien, het antwoord geeft ons het Evangelie van het Zoenoffer van Jesus Christus, het Lam Gods, Dat geslacht is van de grondlegging der wereld.
Als nu de Filistijnen door den Heere verslagen werden voor het aangezicht van Israël, en de Heere Zijn volk verlost had, nam Samuël eenen steen en stelde dien tusschen Mizpa en tusschen Sen, (de plaats, waar God Zijne wonderen groot gemaakt had), en hij noemde zijnen naam „E b e n - H a ë z e r " , want, zeide hij: „Tot h i e r t o e h e e f t ons de H e e re g e h ol p e n " .
Als wij nu met deze geschiedenis keeren tot onzen tijd, als wij aan het einde van dit jaar met dat „Eben-Haëzer" den blik werpen op ons land en volk, dan denken wij aan G o ds doen .en aan o n s doen. G o d s doen getuigt van Zijne genade en trouw; o n s doen getuigt van onze zonde en schuld. Ons land en volk, God de Heere heeft het van ouds zoo wonderbaar gered, zoo rijk gezegend; gered uit menigen nood, gezegend met menigen zegen; verlost van de leugenleer, uit den afgodendienst; beweldadigd met het Woord der waarheid, met het Evangelie van Zijnen Christus. Ons land en volk, z i j hebben het ganschelijk verdorven, den Heere verlaten, Zijne weldaden vergeten; Gods Woord is verworpen, Zijne Wet versmaad; van alle zijden heeft zich de haat geopenbaard tegen de eeuwige waarheid; allerwegen verheft zich steeds driester de antichrist, om aan den Christus Gods de plaats Zijner eere, Zijner rechten, Zijne Koninklijke heerschappij te ontzeggen, — in Kerk en Maatschappij, in School en Huisgezin. Ach, donkerheid en nacht is er trots al het geroep over de verlichting en beschaving onzer eeuw! Aan wien de schuld ? Tot ons land en volk behooren ook wij; de hand in onzen boezem gestoken ! en wie zal ze er rein uit tevoorschijn halen? Aan o n s de schuld: dat zij onze belijdenis voor den Heere ; zeker, bij het ontdekkend licht des Heiligen Geestes zullen wij moeten betuigen: Wij, w i j hebben misdaan, wij hebben gezondigd en trouwelooslijk gehandeld.
Als God de Heere zegt: „Mijn volk heeft zich van Mij afgekeerd, het heeft zich andere goden naar zijnen lust verkoren' , — wat zal hun antwoord zijn ? Wat anders zal liet kunnen zijn dan een stamelen, een schreien, een roepen van : „Ontferm, ontferm U, Heere! vergeef, vergeef onze ongerechtigheid. Keer U niet af in toorn; keer weder, o Heere ! Behoud om Uws Naams wil!" Nochtans, tot hiertoe heeft de Heere verschoond, gespaard, niet met ons gedaan naar verdienste.
Hoewel Zijn toorn van den hemel geopenbaard wordt over alle goddeloosheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid tenonder houden, blijft Hij te midden des toorns Zijner barmhartigheid gedenken. Ofschoon Hij met Zijne oordeelen op aarde is, en Zijne bezoekende hand ook dit jaar over ons was uitgestrekt, (wiens oogen door den Heere geopend zijn, hij ziet het en merkt het op), — evenwel is Hij Zijns Yerbonds gedachtig, en roept nog heden land en volk toe: Belijdt uwe zonden, werpt uwe afgoden weg, de goden van eigen wijsheid en kracht, van eigene eere en vroomheid, de houten en steenen, de gouden en zilveren afgoden, en bekeert u tot Mij; erkent, dat ik de Heere God ben, en Ik zal u verlossen uit de macht der duisternis, uit de banden der leugen, van bij- en ongeloof, van alle wetteloosheid en zeden- en zielenbederf. Gewis, in den weg van verootmoediging en bekeering zal Gods waarheid ons weêr regeeren, zullen wij weer deelen in het geloof, dat de wereld overwint, weêr genieten de vrijheid, waarmede Christus Zijne Gemeente heeft vrijgemaakt. S t e u n e n d e op d e o f f e r a n d e v a n J e s u s C h r i s t u s , niet aflatende met smeekingen aan den troon der genade, niet zwijgende, als een volk, dat bidden geleerd heeft, zullen wij recht en gerechtigheid zien bloeien, Gods Woord en Wet heerschappij oefenen tot behoud van land en volk, en de werken des Satans zullen verstoord zijn. Dat brengt toch alléén winste, niet slechts voor de eeuwigheid, maar ook voor den tijd, als Gods Woord en geboden de eerste plaats bij ons bekleeden, als Zijn licht der waarheid en genade in Christus Jesus op den kandelaar is geplaatst. Dat licht verdooft den glans der wereld, maakt openbaar en te schande de begoocheling, waarmede de God dezer eeuw de zinnen der ongeloovigen verblind heeft. Wezenlijke beschaving en vooruitgang, zegen en welvaren is er alléén bij het houden van Gods geboden, in de vreeze van 's Heeren Naam, bij het wandelen in de paden Zijns Woords.
Als wij nu stilstaan bij de algemeene ellende, den nood van land en volk, en wij met beschaamdheid des aangezichts moeten belijden: Ach, van ons kan het nog niet heeten, wat wij van de kinderen Israëls lezen: „En het gansche huis Israëls klaagde den Heere achterna", — ach, dan beeft de Kerke God9 en vreest, dat de Heere Zich in toorn afkeeren zai en zij met land en volk zal te gronde gaan. Toch, de Heere vertroost Zijne Gemeente en geeft het haar in het hart, om nochtans te zeggen : „ T o t h i e r t oe h e e f t o n s de H e e r e g e h o l p e n ! " Nog heeft Hij Zich niet ganschelijk van ons afgewend. Neen, Hij is niet geweken met Zjjnen Geest, met Zijne waarheid, met Zijne genade en trouw. Nog schenkt Hij ons Zijn Woord tot onze vermaning, bemoediging en vertroosting Tot hiertoe heeft Hij ons land en volk gedragen in Zijne lankmoedigheid om Jesus Christus' wil. Wat ook tegen Zijn Woord zich verhief, of ook de gansche macht der duisternis zich heeft opgemaakt tegen het eeuwig Evangelie onzes Gods, — de Heere Heere blijft Zijne waarheid handhaven óók onder ons; en naar Zijn eeuwig vreêverbond, vastgemaakt in het bloed des Lams, zal Hij haar handhaven voor al het volk, hetwelk door dat bloed gekocht en verlost is.
En tegen de aanslagen der hel, van de geweldhebbers dezer eeuw en de booze geesten in de lucht, hebben de armen en ellendigen Gods eene veilige schuilplaats bij Hem, wiens Naam is „een sterke toren, waarheen de rechtvaardige vliedt, en hij zal in een hoog vertrek gesteld worden". De Koning, Christus Jesus, de Heere, waakt met eeuwige zorgen over Zijne zwakke en verdrukte Gemeente, doet haar ondervinden, dat Zijne is de sterkte en de overwinning; en aan het voor het aangezicht hunner vijanden vreezende volk toont Hij Zijne verlossende hand, o, in allen, allen nood, en Hij legt hun een „Eben-Haëzer ' in het hart en op de lippen. En zoo betuigen zij, Zijnen Naam, Gode en het Lam ter eere, door den Heiligen Geest: „Tot h i e r t o e h e e f t o n s de H e e r e g e h o l p e n '. Dies getroost zetten zij welgemoed den staf verder. Hij, Die tot hiertoe alles welgemaakt heeft, zal het verder weimaken. Hij is getrouw en machtig; Zijn Naam is J e h o v a h , de H e e r e , Die is, Die was en Die zijn zal, Die in eeuwigheid niet laat varen het werk Zijner handen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 december 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Bij de jaarswisseling.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 december 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken