Bekijk het origineel

Overdenking van Psalm 146

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Psalm 146

22 minuten leestijd

Halelujah! O mijne ziel! prijs den Heere! Ik zal den Heere prijzen in mijn leven; ik zal mijnen God psalmzingen, terwijl ik nog ben. Vertrouwt niet op prinsen, op des menschen kind. bij hetwelk geen heil is. Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijne aarde; te dienzelven dage vergaan zijne aanslagen. Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijne hulp heeft, wiens verwachting op den Heere, zijnen God, is; Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid. Die den verdrukte recht doet, die deu hongerige brood geeft; de Heere maakt de gevangenen los. De Heere opent de oogen der blinden; de Heere richt de gebogenen op; de Heere heeft de rechtvaardigen lief. De Heere bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande ; maar der goddeloozen weg keert Hij om. De Heere zal in eeuwigheid regeeren ; uw God, o Zion! is van geslacht tot geslacht. Halelujah!"


Een heerlijke Psalm is het, dien wij hier ter overdenking gekozen hebben. Het is een lied, waarin geloofd en geprezen wordt de Heere, de groote, eeuwige God, onze Schepper en Regeerder, onze almachtige en getrouwe Heiland. Allereerst vinden wij hier dan ook de opwekking om den Heere onzen God te prijzen; daarop volgt de vermaning, om zich niet te verlaten op menschen; en de aanwijzing van het onbedrieglijke van het vertrouwen op God.
Onze Psalm begint met een „ H a l e l u j a h " . Dit woord komt gedurig in de Psalmen voor. Het beteekent: Loof den Heere. Het voor ons liggend lied begint en eindigt met het „Halelujah". Dat roept ons met allen nadruk toe: Mensehenkind! loof uwen God; in Zijne eere ligt uwe zaligheid! Dat leert ons, onszelven op het diepst te vernederen en God op het hoogst te verhoogen. En ja, in de Gemeente des Heeren is geen andere lof dan de Naam Gods. Wie roemt, roeme in den Heere, dat leert de Heilige Geest. — „O m i j n e z i e l! p r i j s den H e e r e ! " zoo wekt de Psalmist zichzelven op, en het luidt in zijn hart en komt over zijne lippen: „Ik zal den I I e e r e p r i j z e n in m i j n l e v e n ; ik zal m i j n e n God p s a l m z i n g e n , t e r w i j l ik nog ben". Zóó dringt de Heilige Geest heel de Gemeente en eenen iegelijk der Zijnen in het bijzonder tot den lof des Heeren, om al Diens werken te vertellen.
Zeker, de Heere God wil het gemeenschappelijk loven; maar ook dat stille, alléén door Hem gehoorde zingen des harten is Hem aangenaam. Ja, dat leert Hij eenen ieder van Zijne kinderen.
En zoo wordt de een na den ander door Zijn Woord en Geest geleerd, opdat zij allen verzameld worden tot die ééne groote lofaingende Gemeente, de honderd vier en veertig duizend verzegelden, waarvan wij in het Boek der Openbaring van Johannes lezen: „Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor den troon van God en dienen Hem dag en nacht in Zijnen tempel".
Intussclien, wie hier het prijzen des Heeren niet geleerd heeft, zal het hierna óók niet doen. Terwijl ik dus nog ben, nog toeve in dit leven, moet ik mijnen God psalmzingen. Nu, waarin bestaat dat? en hoe gaat dit toef — Wij leeren het niet uit onszelven; en men gaat er ook niet, om zoo te spreken, eens voor zitten, om den Heere een lied te zingen. De wereld komt te zamen tot muziek en dans; en de naamchristenen plegen wel op Christelijke feestdagen en op eenen oudejaarsavond ter kerke te gaan, oin nu toch óók eens gezangen en psalmen te zingen, — maar, eert de wereld daarmee God niet, de naam-Christen looft ook den Heere niet, — het is een holle klank, een ijdel godsdienstvertoon Neen, het loven Gods heeft men niet in eigen hand, en het is geene zaak van het „doe dat"; maar het is het ongedwongen, door den Heiligen Geest in hart en mond gelegde lied, het prijzen van Gods genade, trouw en macht, van de wonderen Zijner ontferming, dat geleerd wordt in wegen van nood en druk, van ziele- en lichaamslijden. Het is de openbaring, de uiting van het door den lleere vertroost en bemoedigd hart. In den nacht van zonde, zwakheid, angst en zorgen is het licht Gods opgegaan in de ziel, de heerlijkheid des Heeren heeft ons omschenen, en dat doet zingen van des Heeren hulp en sterkte. Het is een den Heere prijzen, zijnen God psalmzingen, niet omdat het naar het zichtbare alles zoo goed en voorspoedig gaat, maar omdat te midden van ellende, onder kruis en tegenheden, de arm, het heil des Heeren ons geopenbaard wordt. Slaan wij maar onzen Psalm nauwlettend gade, dan zien wij, dat het een lied is in liet aangezicht van nood en dood. Hulpeloosheid, verlorenheid is voor oogen. Elke zichtbare steun is ontvallen. Maar terwijl hier de wereld de Gemeente Gods begeeft, wordt deze door Hem getroost. De ziel haalt adem, Behept lucht, grijpt moed in haren God, waar de Heilige Geest haar voorzingt; en zóó roept zij uit, dat de Heere goed is en te prijzen in der eeuwigheid. Maar, den Heere te prijzen, onzen God te psalmzingen, te betuigen en te roemen, dat de Heere God is, dat Hij goed is, Hij alléén, daartegen komt alles op, wat niet uit God is. De duivel, de wereld en ons eigen vleesch kunnen dat niet uitstaan. Och, daardoor worden ook te schande gemaakt de wijsheid en kracht, de eere en grootheid der wereld en van den vorst der duisternis; en wij worden tot ellendige menschen, tot arme zondaars gemaakt; en, niet waar ? wij willen zoo gaarne iets zijn, iets beteekenen, voor den Heere?! Zoo houdt ons dan een geweldige, driehoofdige vijand af van den lof Gods. Waarlijk, het is niet zonder reden, niet zonder noodzaak, dat wij worden opgewekt, om den Heere te zingen. O, onze lippen zouden zich in eeuwigheid niet openen tot Gods lof, ons hart bleef gesloten voor het prijzen Zijns Naams. — Doch de Heere Heere is Zijner Gemeente genadig, en Hij leert haar nochtans Hem te zingen, en voor dat gezang wijkt de vijand ; — zie ! hart en mond worden door des Heeren almachtige genade geopend; en verstaande en ervarende, wie de Heere is voor Zijne ellendigen, prijzen wij Zijnen Naam, loven Hem, Die is Die Hij is, de algenoegzame, onveranderlijke en getrouwe God.
Wat zal ik loven in mijne ziel? waaraan zal ik mijne vreugde hebben in dit korte, ras voorbijgaande leven? Ach, het is alles ijdelheid hierbeneden, en ik kom in deze ijdelheid om, zoo Gij, Heere! niet zijt mijn God en mijn heil... Maar ja, Heere! Gij, eeuwige God! Gij zijt de eeuwige steun, waaraan ik mij klemmen mag en kan, de rust, die mij overblijft in dit moeitevolle, onrustige leven. U zal ik prijzen en psalmzingen. „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Kotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid!'' zoo juicht Asaf in den 738'1'" Psalm. Maar nu volgt er : „Ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan ; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert". In overeenstemming daarmee komt dan ook hier de hoogst ernstige vermaning tot ons*. „ V e r t r o u w t n i e t op p r i n s e n, o p des m e n s c h e n k i n d , b i j h e t w e l k g e e n h e i l is. Z i j n g e e s t g a a t u i t , h i j k e e r t w e d e r o m t o t z i j ne a a r d e ; te d i e n z e i v e n dage v e r g a a n z i j n e aans l a g e n".
Wat is do mensch in al ziju doen? Ach, hij vertrouwt op het zichtbare. Alle vleesch steunt op den arm des vleesches. Wij menschen hebben tallooze afgoden: geld, macht, aanzien en wat dies meer zij. Och, het is ons zoo eigen, ons te laten leiden door wat invloed heeft en een grootsch aanzien, een ieder in zijnen kring; en er is menig volksleider, op wien de menigte zich verlaat, van wien zij heil verwacht. Maar veroordeeld wordt door ons Psalmwoord aller menschen wijsheid en kracht, de sterkte en de grootheid van alle vleesch. De mensch, hoe hoog, aanzienlijk en vermogend hij ook bij de wereld staat aangeschreven, hoe sterk en machtig hjj zelf zich ook waant, ja, hoe verstandig en vroom hij ook schijnt, — het staat op het heilig Bijbelblad: de mensch is ijdelheid. Och, hoe menig overmoedig vorst op zijnen troon, wat al mannen van naam, wat al machtigen in Kerk en Maatschappij zijn door God verijdeld in hunne aanslagen tegen Zijn Woord en door Hem ternedergeworpen! En zoo handelt de Heere in Zijn rechtvaardig oordeel met elk mensch, die zich tegen Hem stelt. Och, wat is een menschenkind, een zoon van Adam, die God verliet! Is er heil bij Hem, zoodat men zich op hem kan verlaten? Kind der zonde en des doods zijnde, zaait en maait hij slechts ijdelheid en verderf. En toch, wij vertrouwen van nature allen op het schepsel en op de werken onzer handen, wij sterken ons in onze vijandschap tegen God, wij vereenigen ons allen te zamen tegen den Heere en willen onszelven eenen naam maken en God niet noodig hebben. Zoo bouwt alle vleesch nog heden eenen Babelstoren. God echter uit den hoogen komt neder en verwart de sprake, en — daar ligt de mensch met zijne hoogten terneêrgeworpen; en de hel slaat haren slag, grijpt hare prooi en spot er meê.
O, erkennen wij in het doen van alle vleesch onze zonde, onze dwaasheid, onze wederhoorigheid, onze afgoderij, onze schuld en goddeloosheid. O, dat wij gelooven, dat al de glans en de heerlijkheid des menschen en alle aanslagen en vonden des vleesches zullen vergaan. De wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid, — en in den dood houdt alle zelfmisleiding op! Alleen God blijft en Zijn Woord houdt eeuwig kracht. En alles, wat daarnevens is, vergaat, en wat zich daartegen stelt, komt om in het gerichte Gods. Elke hoogte en sterkte des vleesches zinkt ineen voor den adem des Almachtigen. Geen heil, geen behoud bij eenig menschenkind. Alleen in God is het heil; Zijn Koninkrijk heerscht over alles. In Zijne handen zijn wij veilig en welbewaard. Die God is onze zaligheid — Wij letten nu in de derde plaats op het onbedrieglijke van het vertrouwen op God, zooals onze Psalm dit luide verkondigt in hetgeen er verder volgt: „ W e l g e l u k z a - l i g is h i j , die den God J a k o b s t o t z i j n e h u lp h e e f t , w i e n s v e r w a c h t i n g van d e n H e e r e , z i j n en G o d , is".
Is de aartsvader Jakob beschaamd geworden, als hij om den zegen in de belofte van den Oliristus het ouderlijke huis moest ontvluchten, daar Ezau hem haatte om dien zegen, en hem wilde dooden? Is hij beschaamd geworden, als hij met God op weg ging, en van den Heere zijn heil verwachtte? Hoewel het met hem ging door veel druk en lijden, door nooden en angsten heen, in ellende en zwakheid, — de Heere God heeft hem gezegend en behoed, hem uiterlijk en innerlijk met goedertierenheid omringd, met weldaden overladen. Wij kennen zijne geschiedenis. Welnu, de God Jakobs, de God des levens en aller weldadigheid, de God van volkomen zaligheid voor al Zijn volk, Die hen in Christus Jesus begenadigd heeft met eeuwige liefde, Hij is de God-met-ons, Die nooit beschaamt allen, die op Zjjne goedheid bouwen, Die zalig doet zijn in Zijne gemeenschap, door Zijne eeuwige ontferming. — In Zijnen Naam staat onze hulpe; van Hem is onze verwachting; Hij is ons hei! alleen, — zóó getuigt elk, wiens kracht is verbroken in de worsteling met den Heere en die juist in de verbrijzeling door des Heeren hand de overwinning wegdroeg.
Welgelukzalig zijn wij, als deze God onze Heere en God is, als ook wij geleerd hebben tot den Christus Gods te zeggen: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij gezegend hebt", ja

Zalig hij, die, in dit ieven,
Jakobs God ter hulpe heeft;
Hij, die, door den nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop in 't hachlijkst lot,
Vestigt op den Heer, zijn' God,


Dan is het voorwaar met ons vertrouwen op onszelven, op onze wijsheid en kracht gedaan, en wij zinken krachteloos in Zijne sterke armen, en wij worden door Hem gedragen door den vloed van zonde, nood, dood, wereld en hel heen. Of zal deze vloed Hem, den Heere, te machtig zijn ? ! Neen, neen, Hij is de almachtige God, „Die den h e m e l en de a a r d e gem a a k t h e e f t , de zee en al wat in d e z e l v e is". Het gansche heelal gehoorzaamt op Zijne wenken; al het geschapene hangt van Hem af. Wij kunnen geen kruidje doen uitspruiten, — God is het, Die aan al wat leeft het leven geeft en het onderhoudt. En Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. Wat zou IIem dan in den weg staan, om Zijne nooddruftigen te helpen? O, Hij zorgt voor lichaam en ziel beide, en helpt ia allen, allen nood. Jesus Christus, onze Zaligmaker, heeft den vloek der aarde willen dragen, opdat wij in Hem gezegend zouden zijn met alle geestelijke zegening in den hemel. O, al het volk, dat, met zichzelven te schande geworden, geleerd heeft naar Boven te zien, op te zien tot den Onzienlijke, ervaart het, dat het te doen heeft met eenen almaclitigen God, Die wonderen doet, ja Hij alléén. En of wereld en hel verschrikken, —- hare listen en lagen worden verijdeld door des Heeren hand, Die den ellendige bevrijdt en den verdrukker verbrijzelt. — En, gelijk Hij de Almachtige is, zoo is Hij ook de Getrouwe, Die het werk Zijner handen niet laat varen, „Die t r o u w e h o u d t in d e r e e u w i g h e i d ". Dat waarborgt ons, dat niemand Hem Zijne schapen uit de hand zal noch kan rukken. In Zijne hoede zijn zij-volkomen veilig en als zij ook afdwalen, Hij rust niet, voordat Hij het verloren schaap teruggevonden heeft. Ja, Hij, Wiens Naam Heere is, blijft getrouw, al zijn wij ook ontrouw. Zijne trouw kan niet door onze ontrouw te niet gedaan worden. O, hoe zeer moet ons dat verteederen! wat heerlijke zaak toch! welk eene ondoorgrondelijke liefde in God! Zjjne trouw houdt mij bij Hem; in mijne afkeerigheden en afdwalingen, in mijn zondigen dag bij dag laat Hij mij niet aan mijzelven over, maar zoekt mij op, tuchtigt, kastijdt mij, brengt mij weder op den weg der gerechtigheid en des eeuwigen levens! Wondere genade, macht en trouw onzes Gods. Zoo helpt Hij in Zijne barmhartigheden op allerlei wijze. Ja, vernemen wij, wat onze Psalm ten dezen van Hem zegt: „Die d e n v e r d r u k t e r e c h t d o e t , Die d e n h o n g e r i g e b r o o d g e e f t ; de H e e r e m a a k t de g e v a n g e n e n los. De H e e r e o p e n t de o o g e n der b l i n d e n ; de H e e r e r i c h t de g e b o g e n e n op; d e H e e re b e w a a r t de v r e e m d e l i n g e n ; H i j h o u d t den w e e s e n d e w e d u w e s t a a n d e
Als iemand in de wereld verdrukt wordt, en hij den Heere niet kent, dan zoekt hij in het zichzelven wreken heil, en geweld wordt tegenover geweld gesteld. Als echter een mensch om der gerechtigheid wille in de wereld verdrukking lijdt, dan moge de wereld schijnen te triumfeeren, in waarheid is de zwakke, de geplaagde, de verdrukte overwinnaar, want Christus Jesus heeft de wereld overwonnen. En deze Koning zal den verdrukten recht doen. Hij hoort hunne klacht, en staat tot hunne hulp gereed. En toeft Hij al in Zijne lankmoedigheid, Hij kent Zijnen tijd en komt gewisselijk. Ondertusschen kan het er voor dengene, die bij de wereld geene opname vindt, maar door haar veracht en verguisd wordt, donker uitzien, zóó zelfs, dat hem het dagelijksch brood niet gegund wordt. Ook kan er algemeene ellende zijn door duurte van levensmiddelen of door gebrek aan werk. Bij den Heere God is evenwel uitkomst. In duren tijd of hongersnood weet Hij te helpen, te voeden, te verzadigen. — „Des rechtvaardigen brood en water zijn gewis. Het goud en zilver is des Heeren, mitsgaders het vee op duizend bergen", zóó staat er geschreven, en dat woord Gods handhaaft zich tot op heden. Och, dat de geest van ontevredenheid en opstand, van morren en schelden, waarmede men de overheid vloekt en God lastert, — ook in onze dagen zoo veelvuldig, — eens veranderde in een schuldbesef en schuld belijden voor God, in een smeeken en roepen tot den Heere. Dat zou baten! O, dat wij allen, die ook door deze ellende onzes tijds beroerd worden, te zamen ons als schuldigen voor Gods Aangezicht stellen; want wij zijn van den Heere en van Zijn Woord afgeweken, en daardoor komt al die ellende. Terug tot den Heere en Zijn Woord, dat alléén zal redding brengen! — Of zal iets voor den Heere te wonderlijk zijn? Geen ding zal bij God onmogelijk wezen. Hij, Dio gevangenen vrijheid schenkt en aan hunne ellende denkt, kan door geenerlei macht belemmerd worden; maar op Zijn bevel moeten alle boeien, letterlijk en figuurlijk, breken. Geene boeien konden eenen Petrus, geen kerker eenen Paulus en Silas gevangen houden, toen de Heere Zijnen engel uitzond, om te verlossen. Met geene banden van leugens kon Rome de Hervorming Gods beletten; — en nog heden zal geene macht der duisternis den loop van Christus' Evangelie kunnen stuiten !
Maar er is nog een gevangen zijn, waarover de kinderen Gods klagen, als het hun nml. gaat naar de woorden uit den 116de" Psalm: „De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis". — Ja, dat is de aanvechting des Satans, en o, hoe heftig kan deze zijn! maar ook hier geldt des Heeren woord van Zijne genadige verlossing, zoodat elk, die tot God schreit: „Och Heere! bevrijd mijne ziel", weldra zingen zal:
Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder;
Gij zijt verlost, God heeft u welgedaan!

Zeker, er is in den Heere redding uit alle ellende. Hier zendt Hij eenen gebondene heen in vrijheid, daar opent Hij eenen blinde de oogen, hetzij lichamelijk, of geestelijk, of in beiderlei opzicht. Hier beschermt en bewaart Hij de vreemdelingen, de eenzamen en verstootenen in de wereld; ginds helpt Hij den wees en de weduwe, die tot Hem roepen, en

Wie in 't stof lag neergebogen,
Wordt door Hem weer opgericht.

Van den Heere Jesus staat geschreven, dat Hij de kranken van alle ziekten en kwalen genas, toen Hij hier op aarde rondging, aluin goeddoende. Dat geldt nog heden van Hem. En als wij in de Heilige Schrift lezen van eene weduwe te Sarepta, wier olie in de Hesch niet ontbrak, en wier meel in de kruik niet verminderde, dan staat dat tot moed en troost van elke weduwe, die tot God roept, ons beschreven. En allen, die het verstaan, wat het is, hier in deze wereld vreemdelingen te zijn, die weten, dat zij hier geene blijvende stad hebben, maar zoeken de toekomende, — zij mogen op hunnen pelgrimstocht er van verzekerd zijn, dat de Heere hen bewaart op de reis naar 't eeuwig, hemelsch Vaderland.
O, als de Heilige Geest ons de oogen opent, om te aanschouwen de heerlijkheid des Heeren, Wie Hij is voor Zijne armen en ellendigen, — hoe neergebogen, gedrukt, hoe troosteloos en verlaten wij ons ook bevinden, dan kunnen wij niet zwijgen van Zijnen Naam, Zijne groote daden, maar wij betuigen het: Bjj den Heere is hulpe en redding, genezing en vertroosting, uitkomst en verlossing, leven en overvloed, eene volheid van heil. Met Hem kan en zal ons niets ontbreken. Maar ook dit weten wij, dat het hierop aankomt, dat wij in des Heeren wegen gaan en Zijn Woord bewaren. Zoo toch getuigt onze Psalm: „De H e e r e h e e f t de r e c h t v a a r d i g e n l i e f ; . .. m a a r der g o d d e l o o z e n weg k e e r t H i j om". Dat is het doorgaand getuigenis der Heilige Schrift; God heeft scheiding gemaakt tusschen zondte en gerechtigheid, tusschen leugen en waarheid, tusschen dood en leven. En Hij kent den weg des rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan. — Doch. wie is rechvaardig? wie is goddeloos? Bij deze vraag gaat het om de toepassing op onszelven. En dan kan met de hand op den Bijbel niet anders geantwoord worden, dan: Al wie aan God den Heere zijne goddeloosheid klaagt, die is rechtvaardig. God rekent dezen schuldige, dezen goddelooze de gerechtigheid van Zijn Lam, van Zijnen Christus toe. En alle anderen, hoe rechtschapen en braaf zij ook bij zichzelven en de wereld heeten, zijn goddeloos. Voorwaar, zóó is het naar het oordeel Gods. En dat gaat over ons allen, over heel de wereld, want de Heere is Koning. „De H e e r e zal in e e u w i g h e i d r e g e é r e n ; uw G o d , o Z i o n ! is van g e s l a c h t tot g e s l a c h t . " Hij kent de Zijnen, Zijne rechtvaardigen, Zijne gunstgenooten, allen, die Zijnen Naam vreezen. Zij zijn het Zion des levenden Gods, de geheiligden in Christus Jesus, de door Zijn bloed gerechtvaardigden; en deze bede ligt in hun aller hart, en het zal nog in de stervensure hunne verzuchting zijn: „O God! wees mij zondaar genadig!" Dit gebed heeft de Heere Zelf hun geleerd, want de regeering van Zions Koning is eene genade-heerschappij. Doch, Zijne genade heerscht door gerechtigheid. Daarom zullen sterven in hunne zonden allen, die de gerechtigheid van Christus versmaad zullen hebben, maar leven, eeuwig leven zullen allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad „Die in den Heere gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem." Dit welbekende getuigenis is het oordeel van den Allerhoogste, van God, met Wien wij allen te doen hebben. Naar deze uitspraak Zijner Majesteit keert Hjj der goddeloozen weg om, en doet des rechtvaardigen pad uitlopen op de eeuwige heerlijkheid.
De Heere is gezeten op den troon Zijner heiligheid. Hij regeert met genade, gerechtigheid en waarheid. Hij slaat aller menschen wegen gade. En niets is verborgen voor Zijn oog. Hij kent al onze paden, ook onze verborgene zonden. Hij kent óók ons lijden en onzen strjjd, onze zorgen en nooden. En onze tijden zijn in Zijne hand; geheel ons levensboek ligt voor Hem open. — De Heere regeert. God is, God leeft, God zorgt. Hij is en blijft genadig, Hij is almachtig en getrouw, geene zonde, geen dood of hel, — niets kan Zijn Rijk verstoren. „De Heere zal in eeuwigheid regeeren; uw God, o Zion! is van geslacht tot geslacht. H a l e l u j a h " , — loof den Heere!


Dr. H. F. Kohlbrügge.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Psalm 146

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken