Bekijk het origineel

Daniël Tossanus de Oudere en Paul Tossanus (1e gedeelte)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Daniël Tossanus de Oudere en Paul Tossanus (1e gedeelte)

6 minuten leestijd

-Daniël Tossanus de Oudere, een uitstekend apologeet der gereformeerde leer, die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt ten aanzien der kerkelijke aangelegenheden in de Keurpalts, werd geboren te Mömbelgard, het tegenwoordige Montbéliard, den IS0 "1 Juli 1541, en overleed te Heidelberg den ÏO'1'" Januari 1602. Zijn vader, Peter Toussain uit St. Laurent in Lotharingen, een vriend van Calvijn en Parel, werkte als Hervormer te Metz, in eenige plaatsen in Zwitserland en Frankrijk en in het Wurtembergsche graafschap Mömbelgard; ten tijde van het Interim echter, en later tegenover de Luthersche strooming, bracht hij zich door zijne vredelievendheid bij do Gereformeerden in verdenking. Niettemin wist Jakob Andreae hem in 1571 uit zijn ambt te stooten om zijne gereformeerde gezindheid; twee jaren later werd hij in zijn ambt hersteld, maar hij mocht zich hierover niet lang verheugen: hij stierf kort daarna.
Daniël Tossanus ontving zijne wetenschappelijke opleiding aan de universiteiten te Bazel en Tiibingen. In laatstgenoemde plaats genoot hij eene toelage van graaf Georg van Wurtemberg, die sinds 1553 bezitter was van het graafschap Mömbelgard. Deze ondersteuning zou hem in latere jaren echter veel leed veroorzaken. Nadat hij als Meester in de vrije kunsten in 1557 Tiibingen had verlaten, ging hij eenigen tijd naar Parijs, om zich in de uitspraak van de Fransche taal te bekwamen ; vervolgens ging hij naar Orleans, waar hij i n ' t openbaar onderwijs gaf in het Hebreeuwsch; in 1562 werd hij tot predikant der Gereformeerde Gemeente aldaar beroepen. Hier had hij eenen rijk gezegenden werkkring tot het jaar 1569, toen hij om de vervolgingen van de zijde der Roomschen, waaraan zijne geloofsgenooten waren blootgesteld, moest vluchten. Hij nam met de zijnen de wijk naar Montargis, waar hij bij hertogin Renata van Perrara voor eenigen tijd eene schuilplaats vond; van daar ging hij naar Sancerre, van waar hjj naar zijnen vader te Mömbelgard ging, wien hij een vol jaar in zijn ambt behulpzaam was, toen er weder rustiger tijden voor Frankrijk waren aangebroken en hij daarheen vertrok. Gedurende zijn verblijf te Mömbelgard kwam Tossanus door zijne dogmatische richting in conflict met de Wurtembergsche theologen, die te dier tijd de ubiquiteitsleer aanhingen en zich zeer ruw tegenover de Gereformeerden gedroegen. Hij was dus van harte blijde, toen hij in Augustus 1571 weer naar Orleans kon terugkeeren. Hij was inmiddels bij zijne Fransche geloofsgenooten zeer in aanzien gestegen, vandaar dat hij op de nationale synode te Rochelle (1571) mede in de commissie werd gekozen, die de Gereformeerde Belijdenis tegen hare vijanden schriftelijk zou verdedigen. De provinciale synode te Sancerre (1572) koos hem zelfs tot president. De gruwelen van den Bartholomeüs-nacht, die o. a. ook te Orleans navolging vonden, verdreven Tossanus spoedig voor altijd van daar. Als door een wonder ontkwam hij er met zijn gezin aan, en weder vond hij voor korten tijd eene schuilplaats te Montargis, van waar hij naar Bazel ging.
In Maart 1573 werd hij van hier door den keurvorst van de Palts, Frederik III, tot hofprediker beroepen In deze nieuwe positie, waarin hij het volle vertrouwen van zijnen vorstelijken heer genoot, zag hij zich weldra in allerlei strijd met de Lutherschen en later ook met de Roomschen gewikkeld; hoe vredelievend hij overigens ook was, vooral jegens de laatsten was hij alles behalve gunstig gezind; in zijne uitdagende polemiek tegen de Roomsche Kerk legde hij steeds den nadruk op de eenheid van al de Protestanten. Met het wereldlijk medelid van den kerkeraad Otto van Griinrade belast met de invoering van de Gereformoerde Belijdenis in de Bovenpalts, vond hij vooral bij de burgers van de stad Amberg, de residentie van den Luthersch-gezinden prins Lodewijk, stadhouder van dit afgelegen deel der Keurpalts, denzelfden tegenstand als vóór hem Olevianus had gevonden. De „Christliehe erinnerung an einen Ersamen Rath vnd Gemeinde der Churfürstlichen Pfaltz Slatt Amberg, von wegen jüngster mit jhnen gepflogener handlung zu fortpflantzung vnd erhaltung Gottseliger einigkeit in Kirchen vnd Schulen", een werk, dat Tossanus in 1575 in het licht gaf, trachtte op eene zeer bezadigde wijze duidelijk te maken, dat hun geen nieuw geloof zou opgedrongen worden, maar dat het der overheid er daarentegen om ging, dat de onderdanen naar behooren onderwezen werden. Zijne welmeenende woorden vermeerderden intusschen slechts de spanning. Welhaast verscheen ter bestrijding van zijn geschrift een van bijtende woorden overvloeiend boek, getiteld : „Wahrhaffter Bericht, Eines Erbarn Burgermeisters, innern vnd üuszern Rats, der Churf. Pfaltz Stad Amberg, das in jrer angehörigen Kirchen vnd Schule, die christliche, reine Lere, nach inhalt Gottes Worts, vnd der rechten waren Augsp. Confession gefüret, vnd die hochwirdigen Sacramenta gereichet, auch alle andere actus Ecclesiastici verrichtet werden. Ynd Welcher gestalt sie bey gedachter Lere vnd Kirchenordnung gelassen zu werden, jeder zeit vnd noch, vnterthenigst gebetten vnd bitten ".
Keurvorst Frederik III vatte nu het voornemen op, ten einde deze aangelegenheden beter te kunnen regelen, zijne residentie voor eenigen tijd naar Arnberg te verleggen. Zijn spoedig daarop gevolgd overlijden (26 October 1576) bevrijdde de bewoners der Bovenpalts van de van overheidswege aangestelde Gereformeerde predikanten. Tossanus, die in de laatste uren den keurvorst met den troost van het Woord Gods had ter zijde gestaan, zag zich na diens afsterven door den nieuwen landsheer, den Lutherschen keurvorst Lodewijk YI, achteruitgezet, die hem zelfs bij de teraardebestelling niet de lijkrede liet houden. Alleen aan de tusschenkomst van paltsgraaf Johan Casimir had hij het te danken, dat hij 's daags daarna den overledene in eene openbare prediking in de Heilige-Geestkerk mocht gedenken. Wel is waar bleef hij nog tot het voorjaar van 1577 te Heidelberg, dewijl de nieuwe vorst tot op dien tijd buiten de hofstad vertoefde, doch zoowel hem als den anderen Gereformeerden theologen werd eerlang de uitoefening van hun ambt verboden, en toen hij nochtans, zonder bewilliging van het Luthersche ministerie, den 3aen Februari 1577 in de Peterskerk eene leerrede hield over de woorden, waarmede Christus het Avondmaal heeft ingesteld, werd dit het sein tot eene meêdoogenlooze vervolging van de Gereformeerde theologen, die zich nog te Heidelberg bevonden. Uitgebannen vond hij echter te Neustadt (a. d. Hardt), dat met de bezittingen op den linker Rijnoever den gereformeerd gezinden paltsgraaf Johan Casimir was ten deel gevallen, eene hem waardige positie De paltsgraaf benoemde hem namelijk tot generaal superintendent over alle kerken en scholen van zijn landje.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Daniël Tossanus de Oudere en Paul Tossanus (1e gedeelte)

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken