Bekijk het origineel

Daniël Tossanus de Oudere en Paul Tossanus (2e gedeelte)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Daniël Tossanus de Oudere en Paul Tossanus (2e gedeelte)

5 minuten leestijd

Toen paltsgraaf Johan Casimir, vooral op aanraden van Tossanus, den ls l m April 1578 te Neustadt eene Gereformeerde hoogeschool opende, beriep hij daaraan behalve de meeste professoren, die tot hiertoe aan de Heidelbergsche hoogeschool gewerkt hadden, ook Tossanus, waarbij deze echter het oppertoezicht, waarvan wjj den vorigen keer gewaagden, ook verder uitoefende. Bovendien bediende hij eenigen tijd de naburige Waalsche Gemeente St. Lambreebt, die destijds zonder eenen eigen herder was. Bijzouder veel moeite gaf hij zich voor de vreemdelingengemeenteu in deze landstreek, evenals vroeger en ook later voor die in de Keurpalts. Hij bezocht gewoonlijk haar synoden, ja van die te Frankenthal in 1582 was hij zelfs president. Zoo was hij als het ware de rechterhand van zijnen tegenwoordigen landsheer, ook naast Ursinus zijn hegeleider op zijnen tocht naar het leger van keurvorst Gebhard van Keulen. Daar stierf de Paltsische keurvorst Lodewijk YI den 12llen October 1583, en Johan Casimir moest als voogd van den negenjarigen keurprins Frederik IV en regent van het land uit den Keulschen oorlog terugkeeren. Bij deze gelegenheid verplaatste hij de onder den naam Casimirianum bekende Neustadtsche hoogeschool naar Heidelberg, nadat hij eerst tevergeefs getracht had in den minnelijken weg tot een vergelijk met de Luthersche theologen aldaar te komen. Tossanus, die als hofprediker dadelijk met den paltsgraaf was teruggekeerd, werd allerwegen met vijandige blikken door de Luthersche theologen begroet, die nu eiken Zondag van den kansel af de Gereformeerde leer lasterden. Ook een twistgesprek, 4 April 1584, door Johan Jakob Grijnaeus, uit Bazel daartoe ontboden, bleek nutteloos; tegen het besluit van Johan Casimir betreffende het weren van de lasteringen (19 Februari 1584) dienden de Luthersche predikanten der hoofdstad zelfs eene resolutie in. Zij bleven volharden bij hun openlijk lasteren van de Gereformeerde leer van het Avondmaal en van den Persoon van Christus. Daarom volgde ten slotte in Juli van genoemd jaar hun ontslag. Intusschen werd Tossanus als raadsman van Paltsgraaf Johan Casimir door Lukas Osiander den Oudere, die hem reeds om zijn in 1578 uitgegeven „Trostschrifft an alle guthertzige Christen, so von wegen der reijnen, vnd vom Papistischen sawerteig gesäuberten Lehr der Sacramenten, vnd besonders des H. Abentmals angefochten werden" met Johan Marbach te Straatsburg en Nikolaas Cancerinus, superintendenten van het graafschap Harburg en de heerlijkheid Reichenweiler in den Elzas had aangevallen, (waarop Tossanus zich grondig verdedigt), en door Jakob Andreae in diens „Confutatio disputationis J. J. Grynaei, Tubing. 1584" op eene schandelijke wijze te gelijk met zijnen vader beschimpt. Hij zelf zweeg over deze lage behandeling, die hij en Grvnaeus ondervond. Het antwoord echter, dat de Heidelbergsche predikanten gaven in „Epistola Consolatoria ad rever. et gravissimos Theologos, D. Jac. Andreae: et D. Lucam Osiandrum 1584", was de schitterendste rechtvaardiging van zijnen persoon Eenige jaren later begon Samuël Huber uit Bern, dien de zucht naar grootheid tot de Luthersche Kerk had gedreven, welke zijn vaag universalisme zelfs niet kon dulden, met Tossanus den strijd over de leer der praedeslinatie. Niemand heeft zeker dezen twistzieken mensch beter beoordeeld dan Tossanus in zijn antwoord.
Het heftigst echter was de polemiek, waarin hij zich met verscheidene Jezuïeten gewikkeld zag, vooral met Petrus Thyraeus, die in allen ernst de Evangelische predikanten indringers noemde. Tossanus trad op als hun pleitbezorger en trachtte op grond der Heilige Schrift en der Kerkvaders het recht eener Christelijke overheid, om de dienaars der Kerk te beroepen of ook hunne beroeping te bekrachtigen, met verwerping van de uitsluitende bevoegdheid der bisschoppen aan te toonen in zijn geschrift: „De Jure Yocationis et Missionis Ministrorum Evangelicorum, Theses apologeticae" (Heidelb. 1587). Het tegenschrift der Jezuïeten: „De ratione examinandi et examine apologeticarum thesium nuperrime a Thyraeo edito", is ovemjk aan persoonlijke beleedigende uitdrukkingen en behandelt Tossanus als eenen schoolknaap. In een hierop openbaar gemaakt geschrift: „Epistola nouthetice sive admonitoria", antwoordt Tossanus op eenen doorgaans kalmen en gepasten toon, maar gaat op de geschiedenis van eenige pausen in, waardoor nu Thyraeus geprikkeld wordt, om de tot hiertoe verschenen geschriften van hem en zijnen tegenstander te verzamelen en van eene scherpe voorrede voorzien in 1589 te Mainz uit te geven. Tossanus brak hierop de rechtstreeksche polemiek af, maar gaf in zijn een jaar later verschenen „Pastor Evangelicus, sive de legitima Pastorum evangelicorum vocatione, officio et praesidio" eene voortreffelijke wederlegging van alle schijngronden van genoemden Jezuïet.
Yan gelijke blijvende waarde zijn de geschriften, die Tossanus tegen de ketterijen van Kaspar Sehwenkfeld, die in de Keurpalts destijds nogal verspreid waren, schreef. Hij heeft daarmee het verwijt, dat ten onrechte der Gereformeerde Kerk tot op heden zoo dikwjjls gemaakt wordt, als zou zij in hare leer te spiritualistisch zijn, geheel ontzenuwd, en aangetoond, dat deze integendeel Bybelsch, nuchter en van alle dweperijen subjectivisme afkeerig was.
Maar niet enkel in geschriften voor het volk, waaronder wij ook verscheidene bundels leerredenen ontmoeten, maar ook in geleerde disputaties, die de studenten in de theologie onder zijne leiding hielden, en in andere verhandelingen ijverde hij in het algemeen voor de waarheid der Schrift en de zaak van het Protestantisme, in 't bijzonder voor de Gereformeerde Belijdenis.
In het jaar 1586 verwierf Tossanus den titel van doctor in de theologie. Als doctor werd hem destijds het eerste professoraat aan de hoogeschool te Heidelberg opgedragen. Ook was hij medelid van den kerkeraad van de Keurpalts. Diep schokte hem het verlies zijner eerste gade, van geboorte eene Covet van Parijs, den 28stc" Maart 1587. Yan zijne twee hem overlevende zoons was Daniël een geleerde van naam, die de letterkundige nalatenschap zijns vaders met passende voorreden heeft uitgegeven. Verscheidene dochters huwden met beroemde mannen, o. a. Renata, die als echtgenoote van het kerkeraadslid Joh. Wigand Spannheim de moeder werd van de beroemde geleerden familie Spanheim; en Johanna, gehuwd met Joh. Fr. Schloer, uit welk huwelijk de geleerde theologenfamilie Mieg voortkwam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Daniël Tossanus de Oudere en Paul Tossanus (2e gedeelte)

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken