Bekijk het origineel

Op het feest der opstanding van Christus, (Markus 16 : 1 — 8.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Op het feest der opstanding van Christus, (Markus 16 : 1 — 8.)

29 minuten leestijd

Het is Evangelie, wat wij hier bij Markus lezen. Het is niet maar bloot eene geschiedenis, alleen meegedeeld, opdat wij zouden weten, wat er gebeurd is, maar het is eene geschiedenis, die beschreven staat tot onzen eeuwigen troost Het is Evangelie, eene blijde boodschap dus.
Volgens de Artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof belijden wij, dat onze Heere Jesus Christus is opgestaan van de dooden. Nu mogen wij dit al beschouwen als eene waarheid van groote beteekenis en machtige gevolgen, — wat gelooven wij eigenlijk van deze waarheid? Ja, dat is eene groote, zware zonde van ons, dat wij zoo niets kunnen gelooven van de opstanding onzes Heeren Jesus Christus. Het staat toch geschreven, ja, wat staat er niet al geschreven van de opstanding Jesu Christi en van de vrucht dezer opstanding!
Triomf! triomf, Immanuël
Verrijst, de macht van dood en hel
Moet voor Zijn grootheid bukken ;
Lof, eer den Held, Die overwon,
Die ons met God verzoenen kon,
|En aan den dood ontrukken!
Triomf! triomf! Hij zegepraalt,
De volle losprijs is betaald,
De kwijtbrief afgegeven;
God spreekt van Zijn' genadetroon:
„'k Berust in 't offer van Mijn' Zoon,
Hij leeft, en gij zult leven".
Maar laat nu de dood eens komen, laat ziekte komen, laat het geweten van eenen Christen eens beginnen te knagen, waar is dan ons geloof aan deze waarheid, aan de opstanding van Jesus Christus? Wij zondigen in dezen allen zwaar tegen God. Hij heeft Christus opgewekt van de dooden, en daarmee is bewezen, dat de dood overwonnen is, dat hem, die het geweld des doods had, alle macht ontnomen is, en hij zelf te niet gedaan is, dat onze schuld tot op den laatsten penning betaald is, want indien er nog iets onbetaald was, dan zou Jesus in de macht des doods gebleven zijn. Zoo is dus bewezen, dat, als wij in den Heere gelooven, wij in Zijne opstanding hebben gerechtigheden en sterkte. Maar daar liggen wij in ons ongeloof! Gelukkig de mensch, wien dit tot schuld wordt. Ja, wij spreken er veel van, dat de Heiland voor ons gestorven is, Hij is echter ook opgewekt; is Hij opgewekt van de dooden, dan behoeven w i j geene kracht en macht; als wij ons aan Gods genade alleen houden, dan zal van deze opstanding eene kracht uitgaan, zoodat wij in onze zwakheid ervaren, welk eene kracht er in Hem is. Wij mogen ons niet verontschuldigen met onze zwakheid en ons ongeloof en zeggen, dat de wereld, dat deze of die ons in den weg staat, want alles is overwonnen. Wien dit echter tot schuld geworden is en wordt, die slaat het liefelijk Evangelie op en vindt in dit Evangelie van de opstanding Christi het antwoord op zijne vraag: Is er vergeving voor mijne zonde en schuld, dat ik mij zoo verkeerd gedraag, terwijl mijn Heiland is opgestaan van de dooden ? — Hoe gedraagt zich de mensch, hoe gedraagt zich de teederste Christen jegens den Heere, terwijl Hij toch is opgestaan? Wat leert het Evangelie? Dat alles er is, al zien wij het niet. Het verlicht de oogen, zoodat wij het nochtans zien. En wat zien en hooren wij dan ? En waartoe moet het ons dienen ?
Vooreerst hebben Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, Salome en Johanna, die er ook bij was (Luk. 24: 10), ook wel geleerd, wat wij geleerd hebben, namelijk: Wat troost u de opstanding van Christus ? Al hebben zij den Heidelbergschen Catechismus niet gehad, zij hoorden toch in de synagogen de Psalmen, die op Christus' opstanding betrekking hebben, en hunne uitlegging, en daar leerden zij, dat Christus zou sterven aan het kruis, dat Hij zou opstaan en ten hemel varen. Ten tweede hebben deze vrouwen van den Heere Zeiven gehoord, dat Hij zou gekruisigd worden en ten derden dage opstaan Dat hebben zij gehoord, en dat hebben wij allen eveneens geleerd in den Catechismus of in den Bijbel, en wat troost ons nu de opstanding van Jesus Christus? Velen hebben het ook sinds hunne bekeering door Zijnen Heiligen Geest uit Zijnen eigen mond vernomen, en hoe staat het nu zoo dikwijls met het geloof en met den troost? — Maria Magdalena is eene vrouw of maagd, uit wie zeven duivelen geworpen zijn; en ach, hoezeer staat haar hart nu open voor de duivelen, om er opnieuw in te varen! Wat doen deze vrouwen? Zitten zij misschien bij elkaar, om in haren vreeselijken nood, wijl Jesus niet meer in haar midden is, den Psalm van Christus' opstanding te lezen, en elkander te troosten en te zeggen: „Hij zal toch weder uit het graf te voorschijn komen!"? Ach! dat wij zoo weinig geloof hebben! Neen, zij kennen wel den 16,le" Psalm en andere Psalmen, en zoovele profetieën, maar voor het oogenblik, nu het er om gaat, weten zij er geene letter meer van. Anderen hadden zij mogelijk kunnen troosten, maar zichzelven kunnen zij niet troosten.
Zij hebben specerijen gekocht. Zij waren den Heere gevolgd uit Galilea, hadden deels zelf goederen, waarmede zij den Heere dienden, en hadden ook eene zeer rijke zuster bij zich: Johanna. Nu hebben zij vrij wat specerijen gekocht, om den Heere te zalven. Is bet misschien nog mogelijk, dat de Heere Jesus uit het graf opstaat, — zij maken het Hem nu geheel en al onmogelijk, want als de specerijen en zalven op het lichaam komen, dan kleeft het daarmee en met het linnen zóó samen, dat het ééne massa wordt. Zoo zullen de vrouwen het den Heere dus totaal onmogelijk maken, uit het graf te komen.
De vrouwen zijn dus vroeg op, zoodra de Sabbat voorbij is, en geven veel geld uit, om specerijen te koopen. Dat is volkomen overeenkomstig Jes. 43 : 21 vv., waar wij lezen: „Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellen Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël! Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uwe slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook. Mij hebt gij geenen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden ! " Of is het geene ongerechtigheid, als de Ileere gezegd heeft: „Ik zal opstaan ten derden dage!" dat men dan Zijn woord vergeet ? „Ik, Ik ben het", heet het nu verder, „Die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet". Ziedaar het liefelijk Evangelie. Jesus heeft niemand van Golgotha meegekregen dan eenen moordenaar; aan dezen is de genade verheerlijkt. In Eden is door eene vrouw de zonde de in de wereld gebracht, en hier zijn geene mannen bij het graf. Hetgeen de duivel het eerst heeft verleid en ten val gebracht, dat heeft God de Heere verkoren in zijne ellende en verderf, om aan zulke zwakke en ellendige vaten de macht Zijner genade te verheerlijken. Daarom wordt Maria Magdalena, uit wie zeven duivelen geworpen waren, het eerst genoemd, opdat geene vrouw wanhope aan de genade, maar, als zij in het verderf ligt, roepe om genade en ontferming, en als zij niet kan gelooven, dat de Heere ook voor haar is opgestaan, nochtans den troost ontvange uit dit Evangelie: Koop gij maar kalmus en specerijen, en kom!
Wat wilden de vrouwen eigenlijk doen? Zij wilden zoo gaarne den Heere Jesus zalven. Dat is allen oprechten eigen: zij komen eerst met allerlei werken, zij werpen de Wet niet overboord, zij kunnen wel het schoonste lied van Luther zingen, en zijn toch aan het werken en arbeiden vier en twintig uren lang, om zalig te worden en Jesus te zalven. — „De Heere is opgestaan!" Dat versta ik niet! Als ik heilig wil worden, als ik wil zien, hoe de gestalte eens Christens is, en mij die ook eigen wil maken, als ik moeite doe, om hand en voet af te houwen, het oog uit te rukken, ja, dan wil ik wel meêzingen, maar bij mij blijft het zoo: ik heb dit niet, ik heb dat niet, ik bevind mij arm en ellendig, ik bevind mij immer slechter! o, had ik zalf, om Jesus te zalven, dan . . . , maar nu . . . ! Zij wilden dus Jesus zalven. Ach, ten laatste heeft men eene dorre hand, die men niet kan bewegen! men heeft alle zalf verkwist, die men had gekocht en toebereid voor den Heere Jesus! Wie zal Hem dan zalven? — Dan zalft Hij u!
Zij gaan naar het graf op den eersten dag der week. Waar gaan zij heen ? Naar het graf. Is dat dan de weg, om Jesus te vinden ? Ja, zij zoeken Hem, waar zij Hem drie dagen te voren hebben neergelegd, en nu, denken zij, ligt Hjj reeds drie dagen in het graf. Dat is hetzelfde, wat Paulus bedoelt Rom. 10 : 7, en wat ik zelf ook gedacht heb : Kon ik nederdalen tot in den diepsten afgrond, om Jesus te vinden in mijnen afgrond, in mijne gevangenis, in mijnen nood, ik zou er niet tegen opzien. Maar Christus heeft den afgrond toegesloten, heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd en is daarmee opgevaren. De vrouwen verstaan dat echter niet; zij komen bij het graf op den eersten dag der week. Als zij anders de Schrift hadden opgeslagen, zouden zij het in de Boeken van Mozes wel hebben kunnen vinden, dat de Heere op den eersten dag der week zou opstaan. Maar wij hebben immers ook onzen Bijbel, en lezen daarin, en kuunen er voor zitten als dwazen en hebben er niets aan; het stormt, het raast, het is zwarte nacht om ons heen, en wij hebben niets aan het Woord, verstaan er niets van, en gaan van het Woord naar het graf. Dat is wel is waar zeer verkeerd! Ja, de vrouwen zouden wel anders doen, maar zij waren daarvoor te zeer bekommerd over hare ziel, over den grond van haar hart; het is noch bij Maria Magdalena, noch bij Maria, de moeder van Jakobus, en Salome, zooals bij sommige vrouwen, die denken: „Ja, ik ben vol zonden", en toch gerust voortgaan; neen, haar hart drijft haar met onwederstaanbare kracht: Wij moeten Jesus hebben! denken zij. Zoo liepen wel is waar de vrouwen verkeerd, maar wij moeten verkeerd loopen, opdat wij ervaren, dat het de Heere alleen is, Die redt.
Het ging den vrouwen om den Heere Jesus, en daarom maken zij zich zeer vroeg op; zij hebben rust noch duur, voor en aleer zij Jesus gezalf hebben. Maar of zij zich al vroeg opmaken, Jesus was toch reeds uit het graf. — Eene vrouw wilde eens zeer vroeg opstaan en dacht: Ik wil toch eens zien, of ik de zon niet voor kan zijn! Zij ontwaakt 's morgens vroeg, staat op, doet het venster open, maar de zon was reeds verrezen. Dat deed zij zevenmaal, en zij mocht nóg zoo vroeg opstaan, zij kwam toch altijd te laat; eindelijk riep zij uit: Gij zijt toch altijd de eerste! — Zoo is de Zon der gerechtigheid ook altijd de Eerste; zij gaat op in onze ellende, en er is genezing onder hare vleugelen. — Zeer vroeg gingen de vrouwen heen, toen het in hare harten nog stikdonkere, zwarte nacht was; hare oogen waren vol tranen, hare harten vervuld met angst, maar de zon ging toch op. Ja, dat lezen wij ook van Jakob: „Toen hij door Pniël gegaan was, rees hem de zon op" (Gen. 32 : 31).
Wat doen de vrouwen onderweg? Zingen zij Psalmen en geestelijke, liefelijke liederen? zijn zij opgewekt? O neen! zij doen evenals wij! Als men in nood zit, dan zit men in nood. Dan komt gij bij uwen lecraar en klaagt hem uwen nood, om te hooren, of er misschien nog een woordje van troost voor u is; en dan krijgt gij bij uwen last en nood er van hem wellicht nog eenen steen op. Gij komt bij eenige lieve broeders, gij hebt gehoord: „Waar twee of drie in Mijnen Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden van hen!" en nu zit gij daar bij elkaar, en de zwarigheden, die de een niet weet, weet de ander, en zoo maken zij het elkander wederkeerig moeilijk. De vrouwen nu hadden wel specerijen meegebracht, maar één ding hadden zij vergeten: dat er een zware steen op het graf lag. Daaraan hadden zij in 't geheel niet gedacht! want de arme mensch denkt: Ja, als ik eindelijk met mijne specerijen klaar ben, als ik deze of die gestalte en zalving heb, als ik het eenmaal zoo en zoo ver gebracht heb, dan, — ja dan ! — dan ligt er nog een groote steen voor het graf! Heeft ook alles van buiten een beter aanzien gekregen, hoe ziet het er van binnen uit ? Is daar niet nog een groote steen, waaraan gij niet gedacht hebt? De Wet is geestelijk, oordeelt geestelijk, wil alles geestelijk, en kan met eene uitwendige reiniging niet tevredengesteld worden ! Kom eens tot de belijdenis: „Zie ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen!" God heeft lust aan deze waarheid. Of ook uwe kromme leden kunstmatig recht gemaakt worden, het hart is verkeerd, maak dat goed! Daar hebben de vrouwen echter niet aan gedacht. Zij gaan naar het graf, daar ligt de steen, — ach zoo zwaar, — zij zouden hem zoo gaarne afgewenteld zien! — Eerst is men begonnen het uitwendig vuil weg te nemen, daarna komt men in de hoeken, waar zich alle stof en vuil verzamelt, men krijgt het niet weg, maar men blijft aan het boenen, en blijft ook wederkeerig aan het jammeren: „ W i e zal ons den steen van de deur des g r a f s a f w e n t e l e n ? " — Hoe? heeft God de Hepre dan niet hemel en aarde gemaakt? Ja, maar de Heere God kan niet helpen Hij kan niet helpen, Hij kan niet genade en eere geven, dat alles moet komen van eenen zichtbaren god. Zijn wij niet zoo? Denken wij niet zoo? Hoeveel zware steenen heeft de Heere niet reeda van onzen weg gewenteld? Christus' opstanding is in dit leven echter geen rekenvoorstel, maar moet dagelijks opnieuw ervaren worden. De Heere God heeft middelen en wegen, Hij kan door allerlei omstandigheden eenen steen in den weg leggen, en dan jammeren wij: „Wie zal ons den steen afwentelen?'' Wjj verwachten steeds hulp van de bergen en heuvelen, wij komen met specerijen en zalven, en kunnen toch niet eens den steen afwentelen! Nu, wie zal hot dan doen?
Terwijl de vrouwen aan den steen denken, zien zij naar het graf. Tot dusver hadden zij het hoofd niet opgericht, zij verwachtten niet, zooals wij in den Catechismus leeren, in alle verdrukking en vervolging met een opgericht hoofd den Rechter, die Zich te voren voor den Rechterstoel Gods gesteid en allen vloek van ons weggenomen heeft. Neen, zoo gaat het niet, maar zij loopen met gebogene hoofden, want de steen ligt niet zoozeer op het graf. als wel op het hart, en is zeer zwaar, daarom is haar hoofd gebogen en zijn hare oogen naar de aarde gericht, en zien niet voor zich uit. Zij hadden naar de zon moeten zien, hoe schoon ze opging, en denken: Weet gij, waar de zon woont ? Wie laat haar opgaan ? Dat doet de almachtige God! Dan kan Hij u toch ook wel met den steen helpen! Maar neen, niet naar de zon zien zij; maar zij loopen voort met gebogen hoofd: eindelijk echter kijken zij naar het graf en zien, dat de steen is afgewenteld. Het was namelijk een zeer groote steen, daardoor konden zij van verre reeds met eenen enkelen oogopslag zien, dat de steen van het graf was afgewenteld. Wie heeft dat gedaan ? Is hij vanzelf weggevallen ? Is hier toeval ? Zij gevoelen niets, zij zien enkel, dat de steen weg is Danken zij God nu ? loven en prijzen zij Hem? Zeggen zij: „Hier is een wonder geschied, als dit gebeurd is, dan is er ook meer voorgevallen!"? — O, hoe dikwijls is er met ons gebeurd, wat met dezen steen geschied is, al was hij ook nog zoo groot! Ik bezit geene vijf stuivers en ben daarover bekommerd; ik beur iets op, en ziedaar vijf gulden, •— wie heeft het gedaan ? Dat is het schrikkelijkste, wat ik mij kan denken: ik zie niets, ik zie een weinig, en alles is veranderd! maar hot arme hart, daar komt niet eens lof en dank aan God in op! Men tast toe, gaat zijnen weg en blijft er gelijk onder! O barmhartigheid Gods! o genade van Jesus! dat Hij Zich onzer ontfermt als een vader over zijne kinderen. Wij moeten wat hebben, moeten onverwachts iets ontvangen van vader en moeder, en krijgen wij het, dan zijn wij niet eens dankbaar! wij moeten nog eerst dankbaarheid leeren!
Zij gaan het graf in, — met de specerijen? Ja, met de specerijen. De deur is open, dat is toch een heerlijk iets! nu naar binnen ! nu kunnen wjj Hem zalven! Ga ook eens in het graf, maar ik raad u, laat de specerijen er buiten ! Het graf mogen wij. binnengaan, moeten wij binnengaan, om te zien, hoe Hij daar lag voor ons; om met oagen des geloofs te zien : Hij is er niet meer! zoo zijn wij ook niet meer in het graf. Zij zien, — wat wenschen zij eigenlijk te zien? Het lijk van Jesus, of, zooals Lukas zegt: liet dood lichaam van den H e e r e Jesus. Wonderbare paradox! De Heere is God de Heere, — hoe kan Hij dan een lijk zijn? Hij is en blijft waarachtig, eeuwig God met den Yader, en toch heeft Hij een dood lichaam! — mijn lijk!
De vrouwen wilden dus het lijk van den Heere Jesus zien. Maar nu komt de nood nog eerst aan. Hoe ziet het er in het graf uit? Is dat iets hemelsch of is het van den duivel ? Zij zien eenen jongeling ter rechterzijde van het graf zitten, eenen engel des Heeren. Er zat er nog zoo een, dien zagen zij echter eerst later Hij zat daar in onze gedaante; want de engelen achten het eene groote eer, dat zij ons lichaam eens kunnen dragen. De engel zat daar dus in de gedaante van eenen jongeling, een beeld der nieuwe schepping, der opstanding van Christus. Het nieuwe Paradijs was geschapen, daar was deze engel in, hij had het uiterlijk en de gedaante van ons verheerlijkt lichaam. Hij droeg een lang, wit kleed, en zat ter rechterzijde van de plaats, waar het lijk had gelegen. Het was een dienaar van den Heere, den allerhoogsten God, maar als gij den Heere zoekt, maakt de engel gaarne plaats voor u. Het lange witte kleed is een beeld der opstanding; daar is geen nacht, geene duisternis meer, maar enkel licht. Het is een beeld der overwinning. Die overwint, zal met witte kleederen bekleed worden; het fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen (Openb. 3: 5, 19: 8). De zonde is dus weg. Heiligheid en gerechtigheid is er, de overwinning is behaald! Dat is uw kleed, o kinderen Gods! dat heeft Jesus u verworven, en de engel heeft het aan het graf willen dragen. Dit kleed is lang, het is niet te kort; gij denkt soms wel, dat gij te kort komt, als gij alleen aan de genade vasthoudt; ja, uwe eigene kleederen, die zijn te kort; maar dit kleed is lang en wijd genoeg. Het bedekt ons tot over de voeten, zoo kan de duivel geen vlekje aan ons vinden. Zoo bedekt dit lange kleed al degenen, die, naakt in zichzelven, hunne toevlucht nemen tot Jesus met de bede, dat Hij hen moge bekleeden!
Waren de vrouwen nu niet blij, nu zij dezen jongeling zagen? O neen! zij „ w e r d e n v e r b a a s d " ! Hoe is het mogelijk, dat zij verbaasd worden ? Yooreerst: zij hebben Jesus niet gevonden! Wat moet ik er nu van denken? waar is Hij gebleven? ik heb niet, wat ik gaarne zou willen; dat is niet, waarnaar ik verlang. Dat waren hare gedachten. Ten tweede is het toch goed, dat wij dit recht verstaan; want wij zijn zoo geheel vleesch, dat wij, zoodra wij iets van den hemel te zien krijgen, verbaasd staan en schrikken. De menseh vreest voor den Heere, maar voor eenen engel vreest hij nog meer Geen mensch moet mij in dezen iets wijsmaken, — dat komt door onzen hoogmoed. Komt er zulk een hemelvorst, dan wordt de mensch op eens linksch, hij zou zich ook gaarne zoo edel en voornaam voordoen, maar hij kan het niet, en nu wordt hij verlegen en ontevreden, en gaat weg. Dat is onze hoogmoed. En hoe zijn deze hemelvorsten? Slaan zij er misschien op los? laten zij hunne donders hooren en slingeren zij hunne bliksems ? zeggen zij: „Gij ongeloovige vrouwen!"? o neen! integendeel, als ware vorsten zijn zij bijzonder vriendelijk. Dat hebben zij geleerd van hunnen Koning Jesus. Hij heeft vele onderdanen van Zijnen Vader gekregen, nu zijn het voorgoed Zijne onderdanen; komt nu de schijnbaar rechtvaardige duivel en klaagt hen aan, — Hij is en blijft hun Koning en is genadig. Zoo zijn ook allen, die om Zijnen troon staan.
De engelen zeiden: „ Z i j t n i e t v e r b a a s d " ! Zoo klinkt het ons tegen uit het heilig Evangelie. Wel ons, zoo wij Jesus in waarheid, zij het ook op eene verkeerde wijze, zoeken. Wel ons, zoo wij vreezen voor hetgeen hemelsch en heilig is! Johannes viel als dood ter aarde, toen hij den Heere zag in Zijne heerlijkheid te midden van de zeven gouden kandelaren (Openb. 1 : 17). De hemel komt neder op aarde en spreekt met deze vrouwen. O groote woudergenade! de engelen zeiden: „ G i j z o e k t J e s u s den N a z a r e n e r , Die g e k r u i st w a s ! " Hoe wisten de engelen dat? O, bij hen is blijdschap over eenen iegelijken zoudaar, die zich bekeert. De Heere wist, dat de vrouwen Jesus zochten; en al wist Hij ook, dat de vrouwen specerijen en zalven hadden meegebracht, en niet geloofden aan het woord des Heeren, Hij heeft Zich daaraan niet gestoord, maar wilde haar verrassen met heil. Opdat nu de vrouwen niet enkel het ledige graf zouden vinden, zond de Heere God eenen engel. Toen de Heere Jesus uit het graf opstond, werd Hij omringd door een hemelsch heirleger; daarvan heeft Hij eenen engel bij het graf geplaatst, en tot hem gezegd : Er zullen nu straks eenige van Mijne vorstinnen komen, die Ik gekocht heb met Mijn bloed; gij zult tot haar zeggen, dat Ik ben opgestaan! God weet het ook nu nog, de Heere Jesus weet het nog, als wij Hem zoeken; en als wij Hem zoeken, zijn wij er gelukkig aan toe, want die zoekt, die vindt. Dewijl Hij dat weet, heeft Hij reeds klaargelegd, wat wij zullen vinden, ja Hij heeft de begeerte in ons gelegd, om te zoeken, wat wij vinden zullen, wat Hij heeft weggelegd. vóór wij aan het zoeken dachten. — „Gij zoekt J e s u s " ,— Die in het vleesch gekomen is, Die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden, — „den Nazarener", dat is eigenlijk een scheldnaam. Hij is immers een Jesus uit den hemel, een Jesus van Bethlehem! Waarom dan: „Jesus den Nazarener", waarom deze scheldnaam? O, het is een eerenaam geworden. Hij heeft onzen naam aangenomen, want uit Nazareth komt niets goeds, en van ons komt niets goeds, en alle vleesch houdt het er voor, dat er van Jesus niets goeds komt; en in deze verachting heeft Hij alles weder hersteld. Zoo is deze scheldnaam Zijn eerenaam geworden, en zóó is Hij nu bekend in den hemel. — „Gij zoekt Jesus, den Nazarener, Die g e k r u i s t was", —dat is nog erger; „den gehangene" zouden wij zeggen; het aan de galg gehangen zijn is echter nog niet zoo erg als het gekruisigd zijn. Welnu, aan het kruis hing Hij voor ons, om voor ons, voor onze zonde te betalen; en „nu schaam ik mjj des Evangelies van Christus niet", zegt Paulus, en: „Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jesus Christus, en Dien gekruisigd" (1 Cor. 2 : 2). De engelen hebben ook van niets anders willen weten, dan Jesus Christus, en Dien gekruisigd, en zoo brengen zij de vrouwen op eens op de rechte plaats, zoodat dezen het begrypen: Jesus heeft moeten sterven voor de zondaren.
Bij deze woorden schrikken de vrouwen op eens op ais uit den slaap. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is! „ H i j is o p g e s t a a n ! " zeggen de engelen tot de vrouwen. Zoekt maar waar Hij was, waar Hij echter niet meer is. Altijd bevinden wij, dat het Evangelie al onzen zwakheden te hulp komt. Gij behoeft mij niet te gelooven op mijn woord, wil de engel zeggen, gij ziet het hier met uwe eigene oogen! hier is de plaats, waar zij Hem gelegd hadden, en nu is Hij er niet meer! Maar wij met ons vreezen, met ons ongeloof, en dat wij; geene* acht geven op Gods Woord, hoe ver komen wij daarmee ? Wat doen wij, hoe gedragen wij ons, als de boodschap komt, dat de Heere is opgestaan? Kunnen wij het gelooven? Niet met het verstand! En als de zonde machtig wordt, als de Wet mjj veroordeelt, als ik begin te vragen: „Wat zegt het gebod?" dan moet ik kracht hebben, en ik heb er geene!' Van de zonde moet ik af en ik kan niet! het moet! en ik kan niet! en toch moet het! Ik moet heilig zijn, en kan het niet, en toch moet het! Christus is opgestaan! en van deze opstanding moet ik de kracht ervaren! Waar waarheid in het binnenste is, daar is vreeze Gods; waar vreeze Gods is, daar is ellende; waar ellende is, daar is kennis van de Wet; waar kennis van de Wet is, daar drukt de ongelijkvormigheid aan deze Wet des te zwaarder, daar is de strijd des te heviger, en daar koopt men zich specerijen en zalven, en komt tot het graf, het graf is ledig, en — men vindt het heerlijk Evangelie: Jesus is opgestaan! Zoo verlicht God de oogen der Zijnen,, zoodat zij zien en vernemen, dat de steen is afgewenteld, en< de vrucht der opstanding er is: leven, macht en overwinning.
Ik wil den Heere God geloften doen voor al deu rijkdom.' Zijner overvloedige genade en goedertierenheid, Zijner menigvuldige weldaden! maar welke geloften zal ik Hem doen ? Ik kan Hem de weldaden niet vergelden, die Hij aan mij heeft bewezen ! Welaan, ik zal den beker der verlossingen opnemen en Uwen Naam verkondigen in de groote Gemeente! Ik hebeene gelofte gedaan: Als Gij mij verlost uit dezen nood, uit dezen dood, dan zal ik al mijnen broederen vertellen, welk een God Gij zijt! — Nu gjj vrouwen, gaat heen! niet bij het graf gebleven! de anderen moeten ook hebben gerechtigheid, leven,, genade, vergeving van zonden! de anderen moeten ook weten,, dat Christus niet meer in het graf is, maar dat Hij is opgestaan! Daarom zegt de engel: „Gaat h e e n , z e g t l i et Z i j n e n d i s c i p e l e n !"
Wisten de discipelen dit dan niet? zij, de mannen? zij, de geleerden ? die kenden immers de gansche Schrift en waren daarin wel ervaren! De vrouwen, ja, die zijn zoo dom en verstaan niets! maar de mannen, die moesten het toch weten!' Neen, zij wisten ook niets, en daarom zegt de engel: „Zegt het den discipelen". Waarom ging de engel niet zelf heen, om het hun te zeggen? — De vrouw heeft de zonde en den dood in de wereld gebracht, de vrouw moet nu ook het eerst tot den man komen en hem zeggen: „Ween niet! Er is genade! Christus is opgestaan van de dooden!" — Het zijn toch nog maar eerstbeginnenden, de discipelen van deu Heere Jesus! Driejaren reeds had Hij met hen omgegaan en had tot hen gezegd: „Uwe oogen zijn zalig, omdat zij zien, want vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien!" en: „Verblijdt u, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen!" Maar van de hoofdzaak des Evangelies wisten zij nog niets! Zoo ziet het er bij den mensch uit in do practijk; voortdurend heeft hjj het weêr vergeten, wat God gezegd en gedaan heeft. Alles kan de mensch vasthouden, maar dat een mensch d i t vasthoudt: „Christus is opgestaan!" dat is onmogelijk! — „Zegt het Zijnen discipelen!" — Zijnen discipelen,— zulke discipelen had de Heere Jesus dus! wat moet Hij dan een geduldig Leermeester zijn! Drie jaren lang heeft Hij hen in de leer gehad, eenmaal zeide Hij tot hen: „O ongeloovig^ «n verkeerd geslacht! hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn? koe lang zal Ik u nog verdragen?" En nu, zie wederom Zijn geduld! Hij vraagt niet, of zij den Catechismus goed kennen, maar Hij zendt Zijnen engel met het woord: „Gaat heen, zegt Zijnen discipelen, dat Hij is opgestaan!"
De discipelen hadden zich Zijner geschaamd, zij hadden Hem •verloochend en waren gevloden; nu zijn zij vol vrees en angst, •denkende, dat alles uit en gedaan is! Maar dat is het hart des Heeren Jesus, dat is het hart van God den Yader en de blijdschap der heilige engelen: Schreit gij om genade en ontferming, — zoo snel kan de bliksem niet zjjn, of de genade is er, om weg te nemen smart, zonde, nood en aanvechting. Zoo is de Hemel.— „Zegt het Zijnen discipelen en P e t r u s ! " Was hjj dan geen discipel? Waarom wordt hij hier nog zoo afzonderlijk genoemd? •O, als de engel niet in 't bijzonder van Petrus had gesproken, van hem, die het diepst verslagen ternederlag, hij zou het niet hebben kunnen gelooven, het niet voor zichzelven hebben kunnen -aannemen Daarom dacht de Hemel inzonderheid aan hem. Als •eene moeder tien kinderen heeft, denkt zij toch het eerst aan -dat kind, dat liet zwaarste ziek is, de meeste pijnen lijdt. Daarom gedenkt de Heere hier in 't bijzonder aan Petrus, opdat hij getroost worde. Anders zou Petrus het in 't geheel niet hebben kunnen aannemen; hij was in zijne oogen geen -discipel meer, hij had immers den Heere verloochend; neen, neen, ik ben niet meer waard, Zijn discipel te heeten! zoo dacht Petrus. Maar de vrouwen moesten heengaan en Petrus afzonderlijk eenen groet van de engelen brengen, en zeggen: Gij, Petrus, moet het ook weten! de Heere is opgestaan voor u! Dat is een groet, een Evangelie voor de Petrussen in de Gemeente! aan hen wordt in den hemel inzonderheid gedacht.
Wat zeggen de engelen nu verder? „Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat H i j u v o o r g a a t naar • G a l i l e a ; aldaar zult gij Hem zien, g e l i j k Hij u l i e d e n gezegd heeft." Dus niet in het graf, ook niet in Jerusalem, de heilige stad, maar in Galilea, het armezondaarslaud, zouden zij Jesus vinden; want waar kranken zijn, daar wil de arts wezen, en daar wil ook Jesus zijn. Hij gaat den discipelen voor naar Galilea, dus weg uit de heilige stad! Als gij de kracht van Christus' opstanding wilt ervaren, weg dan uit de heilige stad ! — als Hij echter voorgaat, valt het volgen licht. — De engel heeft het gezegd! Hoe weet hij dat? Ja, hoe ver zijn hemel en aarde van elkaar? zeg het mij! Wij zien nietB, wij zullen echter gelooven, en wel ons, als wij Hem alzoo liefhebben, dat wij erkennen: Hij is opgestaan van de dooden!
De vrouwen spoeden zich henen, echter niet om het den discipelen te verkondigen, — vrees en ontzetting heeft haar aangegrepen. Wanneer zullen zij het den discipelen zeggen? Zoodra de Heere haar den mond opent. Maar waarom vreezen zij toch? O, zij zijn vleesch, en haar vleesch is te gronde gegaan, hare werken zijn te gronde gegaan; zij hebben niets gezien, zij hebben wel wat gehoord, zij hebben de belofte gehoord: Gij zult Hem zien in het arme-zondaarsland! Maar nu gaat het om de gewisheid. — O, als ik iets bezit, dat geene waarde heeft, dan ben ik niet bang, het te zullen verliezen. Maar als ik eene groote som gelds, als ik honderd duizend of een millioen gulden bij nacht moet wegbrengen, terwijl er gevaarlijke roovers op den weg zijn, dan ben ik bang.
Daar staat de mensch voor den afgrond, voor het graf, en ziet niets; de wet dreigt en dondert: Gij hebt eene onmetelijke schuld! sterven moet gij!" daar staat do mensch, — waar zal hij heen? — Ik heb geenen moed het uit te spreken, als ik het geloof en ervaren heb, dat God waarachtig is, dat Hij vervult wat Hij beloofd heeft; dat Christus waarlijk is opgestaan! ik kan er niet zoo meê te koop loopen. Ik houd het echter in mijn hart verborgen, ontzetting heeft mij aangegrepen, maar ik lach in mijn geloof: Ha, gij duivel, hoe zult gij sidderen! gij kinderen Gods, hoe zult gij u verheugen! als Hij komt op de wolken des hemels ! Halelujah!

4 April 1858.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Op het feest der opstanding van Christus, (Markus 16 : 1 — 8.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken