Bekijk het origineel

Betrachting over Johannes 20: 1—18.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Johannes 20: 1—18.

22 minuten leestijd

„Al wat God doet, is wèl gedaan!" zegt men zoo dikwijls. Maar voor vele jaren gebeurde het, dat ik eenea lijkwagen zag; daarin lag het lijk van eenen geliefde. En achter dezen wagen reed een andere wagen, daarin zat eene treurende moeder met schreiende kinderen. Is alles, wat God doet, wèl gedaan? Ik ging een weinig ter zijde, ik kon het schreien niet mede aanzien en ik vroeg God: Waarom doet Gij deze vrouw zoo weenen ? Ik bleef op het kerkhof, en in de schemering was het mij, alsof ik eene hemelsche gedaante zag, en ik kreeg ten antwoord: Deze vrouw zal nog eens heilig lachen.
Duister kan het ons menigmaal schijnen, doch de grootste duisternis is, dat wij niet gelooven Dat blijkt ook uit het verhaal, dat wij Joh. 20: 1 — IS lezen en dat wij hier tot onze onderwijzing willen overwegen. Ja, de Heere is er! Hij is nabij! Maar kunnen wij het gelooven? wij, die verstrikt zijn in het zichtbare, en vasthouden aan het zichtbare, en slechts gelooven, dat Hij ons nabij is, als wij het met de handen kunnen tasten ? De Heere God moet den mensch alles ontnomen hebben, opdat hij eindelijk zoo ver komt, dat hij waarachtige behoefte krijgt naar het leven uit God.
Het was een dag, de dag vóór de verrijzenis des Heeren, een heerlijke Sabbat! En nu komen daar haastig eenige menschen, eu kloppen vroeg in den morgen aan 's hoogepriesters deur, Zijne Heiligheid moet gewekt worden! Krijgsknechten komen toesnellen, Zijne Heiligheid, de hoogepriester, moet het bed u:t, het sanhedrin wordt bijeengeroepen, de krijgsknechten verhalen, wat er aan het graf gebeurd is; nu wordt hun geld gegeven, opdat zij zoudea vertellen, dat de discipelen gekomen waren, om het lijk te stelen! (Matth. 28: 11 —13.) Deze een en zeventig hoogeerwaardige mannen hadden ook de leer, dat de nieuwe schepping van den Messias begint met de opstanding uit de dooden, — maar waar was nu hun geloof aan de opstanding uit de dooden? Er was niets anders dan geloof aan het eigen ik, en zoo at en dronk men, schraapte geld bijeen, nam ten huwelijk en werd ten huwelijk gegeven, totdat het oordeel kwam over Jerusalem. Allen vierden het Paaschfeest, en intusschen ligt in eenen hof Hij, Die het ware Paaschlam is.
Wij lezen hier slechts van drie, vier vrouwen, die naar den hof gaan, om Jesus te zalven. Ja, de overpriesters ! ja, de Joden ! die hebben het niet geloofd! denken wij, maar wij zjjn Christenen! — God geve ons in genade, dat wij in waarheid Christenen zijn, ja nog meer. dat wij arme zondaars zijn, die zulk eene behoefte hebben aan Jesus, dat wij zonder Jesus niet kunnen leven. En heeft men dan, ook als men in waarheid bekeerd is, zulk een onwankelbaar geloof in de macht van Christus' opstanding? O, vleesch is vleesch ! evenwel dit heeft men dan: men wordt gedreven door den Geest der genade, zoodat men geene rust heeft, vóór men de kracht der opstanding ervaart. Wij arme menschen moeten -toch niet denken, dat wij het in onze macht hebben, te gelooven of niet te gelooven!
Daar hebben wij dan drie, vier vrouwen, die naar het graf gegaan zijn Maria Magdalena alleen wordt met name genoemd. Zij had met de andere vrouwen gezien, dat de steen weg was, doch den jongeling, dien de andere vrouwen hadden gezien, had zij niet gezien, maar was, toen zij van verre den steen zag afgewenteld, den hof ingeloopen, om alleen te zijn onder het geboomte De Evangelist Johannes houdt nu voornamelijk deze Maria in het oog. Eva staat daar voor God; naar Zijn beeld en Zijne gelijkenis is zij geschapen, geheel volkomen is zij uit de hand haars Scheppers voortgekomen, maar in den hof, in Eden, werd de vrouw door den duivel, die den mensch zijnen gelukstaat benijdde, ten val gebracht, zij brengt de overtreding in de wereld en doet haren man zondigen. Wat weet nu God? Dit weet Hij: de duivel had het van den beginne aan op de zwakke vrouw gemunt, en heeft het nog op haar gemunt. Nu heeft God in den raad Zijner souvereiniteit en vrijmacht uit de vrouwen ééne verkoren, en geeft haar over aan den duivel: welaan, hel, met uwe gansche macht, vaar in deze vrouw, en plaag haar, zooveel gij kunt! Ik zal u toonen, wat Ik vermag met Mijne genade. Dat zuilen wij eens zien! antwoordde de hel, en voer in het hart der arme vrouw. Welaan, is Eva ten val gebracht, hier is het Evangelie, dat ons leert, hoe alles weder hersteld is! Johannes met zijnen adelaarsblik vestigt op deze ééne vrouw onze aandacht, zooals Lukas, de medicijnmeester, op den moordenaar aan het kruis. „ Maria", — niemand, die Maria heet, vergisse zich met dezen naam, want Maria (Hebr. Mirjam) beteekent: hare wederspannigheid. ; Maria heeft wat ondervonden en doorleefd ! zij heeft haar verderf leeren kennen, zij heeft de macht der genade ervaren. Jesus heeft haar verlost van de booze geesten; een of twee jaren is zij zoo gelukkig geweest den Heere te kunnen volgen, en heeft geluisterd naar de hemelsche leer, die van Zijne lippen vloeide Gij klaagt: „Ik ben verloren, ik ben te zondig, ik ben zondig door en door, ik heb geenen Jesus, geenen Heiland, ik weet den Heere niet te vinden !" Laat ons dan Maria Magdalena vragen, of zij weet, waar de Heere is. Die vrouw heeft zoo veel ondervonden; waar gaat zij nu heen ? — Naar het graf, heel vroeg. — Om wat te doen? — Om den Heere met specerijen te zalven. Maar zij heeft den steen afgewenteld gezien, en gedacht —: De Heere is opgestaan!? O neen! maar: Men heeft Hem gestolen! — Maar kent Maria dan de Schrift niet ? — Ja, welke Schrift? — Wel, dat de Messias van de dooden zal opstaan! — O, dat wist zij wel, maar zij dacht niet, dat dit van Jesus geschreven stond. Ik moet mijnen Jesus hebben, denkt zij. — Maar Maria, wat heeft Ilij dan gezegd vóór Zijn lijden ? — Dat weet ik niet meer, en heeft Hij iets gezegd van leven en opstanding, dan zie ik nu het tegendeel daarvan.
Wat doet Maria dan bij het graf? Och, bij het graf blijven wij allen staan! Konden wij het toch eens opgeven altijd te willen regeeren! deden wij toch als een kind, dat naar zijne moeder snelt, als er een onweder losbarst. Het graf is onze nood, onze ellende, onze jammer, is alles, wat ons in dit leven overkomt, daarmee houden wij ons steeds bezig, met gedachten en daden, met onze specerijen en zalven, en willen uit het graf hebben, wat er niet in is. Maria, die zoo veel heeft ondervonden, weet op het oogenblik niet eens zooveel als een kind, dat begint te spellen.
Nu ja, de vrouwen, die overdrijven alles zoo licht, die zijn zoo vol onverstand, laat ons eens naar de verstandige mannen gaan. — Daar komen wij bij Petrus ; dat is een ijverige broeder! die heeft eens gezegd: „Heere, tot wien zullen wij henengaan?
Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods!" Ja, deze Petrus, die heeft ijver cn liefde! die heeft dikwijls gezien, dat de Heere dooden heeft opgewekt! — laat ons hem eens vragen, of het ook mogelijk is, dat de Heere uit dit graf opstaat. Maar hoe loopt die man toch langzaam? heeft hij wat op zijn hart, dat hem drukt? Johannes loopt vooruit. Petrus laat het hoofd hangen, hij is lang niet meer, zooals hij vroeger was! — Daar hebben wij ook Johannes; die lag aan de borst van den Heere Jesus, dien had Jesus in 't bijzonder lief, hij zal ons het best inlichting kunnen geven! Johannes kwam het eerst bij het graf, hij kijkt er in, ziet de doeken liggen, maar gaat er niet in. — Wat zag hij ? Hij zag de doeken liggen. Kan een dief komen en een lijk stelen, dat met doeken en specerijen omhuld is, en dan de doeken terzijde leggen? Nikodemus had immers reeds zooveel myrrhe en aloë gebracht en het lijk van Jesus daarmee bedekt in de linnen doeken gewikkeld. Als men dat doet, kleeft alles zóó vast aan elkaar, dat men het niet kan losmaken Hoe kunnen dan de doeken hier zoo afzonderlijk neergelegd zijn? Kunnen dan dieven den Heere Jesus gestolen hebben ? Johannes ziet de doeken liggen, en daar hij vol eerbied is, gaat hij niet in het graf; maar zooals een mensch is en ziet, zoo ziet ook hij, en hij ziet toch niets Zijn verstand moest het hem gezegd hebben, dat het lijk onmogelijk zonder de doeken kon gestolen zijn. Ja, zoo ver reikt ons verstand in de dingen Gods niet! Gij komt in nood, en gij kunt duidelijk zien, dat waarlijk niet door menschen de doeken zoo neergelegd zijn, — maar in de wegen Gods zijn wij zoo onverstandig als het vee. Nu, Johannes, wat dunkt u? wat zegt gij er van?
Petrus gaat hem na, gaat ook in het graf, ziet eveneens de doeken liggen, j a ziet nog meer, namelijk „ d e n z w e e t d o e k, d i e op Z i j n h o o f d w a s g e w e e s t , zag h i j n i e t b ij d e d o e k e n l i g g e n , m a a r in 't b i j z o n d e r in e e ne a n d e r e p l a a t s sa m e n g e r o 1 d". Ach, zulk een zweetdoek! „Ik ken den Mensch niet!" zeide hij voor eenige dagen en begon zich toen te verkloeken en te zweren, — daar kraaide de haan ! — en toen Jesus hem aanzag met Zijnen liefdevollen blik, ging hij naar buiten, nam zijnen zweetdoek, bedekte daarmee zijn gelaat en weende bitterlijk! O, wat heeft Petrus geweend, al den sinds verloopen tijd! van verre heeft Hij Jesus gezien aan het kruis, — den goeden Meester, ach, hoe dikwijls heb ik Hem verloochend ! — En nu ligt daar de zweetdoek afzonderlijk! Doen dat dieven? Zijn die zoo ordelijk?
Petrus ziet het, hij is in het graf gegaan. Johannes komt nu ook in het graf, en ziet het opnieuw, — ja, de doeken zijn aan eenen kant gelegd, en opgerold, — doen dat dieven ? De zweetdoek is er ook, en wel ter zijde gelegd. Petrus en Johannes zien het, maar Johannes, wat zag hij ? Gij, gij met uwen adelaarsblik, gij ziet anders zoo goed, zoo scherp, nu, wat zaagt gij ? — „Ja, om u de waarheid te zeggen, ik geloof hetzelfde, wat Maria gezegd heeft: Ilij moet gestolen zijn!" — Johannes, hebt gij u niet geschaamd, zulks voor de geheele wereld neer te schrijven ? Neen, hij doet zooals David, die voor de gansche Gemeente den 51sten Psalm schreef: „Een Psalm van David, voor den opperzangmeester, toen de Profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat liij tot Bathseba was ingegaan. Zijt mij genadig, o God! naar Uvre goedertierenheid; delg mijne overtreding uit naar de grootheid Uwer barmhartigheden!" Neen, Johannes schaamt het zich niet; hij moet belijden: Ik heb niet anders gedacht, dat dat de Heere Jesus gestolen was, en ik en Petrus en Maria, wij wisten de Schrift nog niet, dat Hij van de dooden moest opstaan. Zij belijden dus vrijwillig hunne onwetendheid.
Nu, dan weet ik meer dan Petrus en Johannes, zal een kind, dat nog ter catechisatie gaat, zeggen, ik wil wel een dozijn teksten aanhalen, om te bewijzen, dat Jesus van de dooden m o e s t opstaan! — O kind, dat hebben zij evengoed geweten als gij! Maar als het gaat om de practijk, om de toepassing op onszelven, dan weten wij niets meer; dan echter komt het Evangelie den ellendigen te hulp en troost hen, dat zij zoo onwetend zijn; want dan wordt hun hunne onwetendheid tot schuld. — Nu, blijf nog maar een weinig bij het graf, de doeken en den zweetdoek. God is wel niet de oorzaak van de zonde, de zonde is uit en door den duivel, — maar zie terug op uw leven en zie, hoe God uit louter genade en barmhartigheid den wagen dikwijls door het dikste slijk laat gaan, opdat de mensch tot de belijdenis kome: Mijn God! ik kan den wagen niet sturen! Hoeveel nood overkomt ons in dit leven, ja, als wij oogen hadden om te zien, dan zouden wij het zien en met de handen tasten: dezen nood en ellende, dezen jammer zendt de Heere God mij in huis, dat kan van wereld en duivel niet komen; hoe netjes en wonderbaar is alles gelegd, het moet de hand eens engels zijn, die het zoo heeft geschikt! Maar daar staan wij dan voor het graf en weenen en weten de Schrift niet. Eén ding echter geeft de Heere den Zijnen in het hart: zijn zij terneergeslagen en gebogen, gedrukt door nood en zonde, maar moeten zij belijden. dat hunne kleinmoedigheid en hunne verkeerdheid zonde was, — de toevlucht blijft, en of de troon der genade gesloten is, zjj boren toch met hun „Abba!" door den koperen hemel heen in het hart Gods.
De bedachtzame en wijze mannen. Johannes en Petrus hebben te veel verstand, om nog lang bij het graf te blijven: wij weten nu toch eenmaal niet, waar Jesus is! denken zij. — Maar gij mannen, lieve broeders, gaat gij dan nu zoo naar huis ? — J a , wat kunnen wij er aan doen ? — Zoo ziet men dikwijls den nood, en raakt er onder bedolven, en eene lieve zuster zit er ook mede in, maar de verstandige man denkt: Ja, wat kan ik hier helpen? en gaat naar huis. Wien zulk eene liefdeloosheid tot zonde wordt, heeft hier het dierbare Evangelie, en ziet Petrus en Johannes, die Maria zonder troost laten staan, en beide naar huis gaan.
Naar huis kan Maria niet gaan, het huis zou haar te eng worden —: geef mij Jesus, of ik sterf! ik moet Hem hebben! Wat graf, wat nood, verdriet en benauwdheid! — ik kan er niet in blijven zitten! dat leert ons het Evangelie. Daar hebben wij Maria Magdalena: ik blijf hier, denkt zij, de Heere lag hier in het graf, dus moet ik Hem hier ook weervinden. Nu staat zij daar alleen en weent bitterlijk; want Jesus is weg! Ik moet toch nog den nood eens onder de oogen zien, nog eens in het graf kijken, misschien vind ik Hem toch nog in eenen hoek! Zjj doet het. — Hebt gij gezocht en niets gevonden en weent gij nu, zoo zoek nog eens beter, misschien dat gij iets vindt!
Wat ziet Maria? Twee engelen in witte kleederen; een beeld der opstanding, der overwinning, der gerechtigheid, heiligheid en onschuld. Zij zitten daar heel rustig, de eene aan het hoofd, de andere aan do voeten, waar men Vrijdagavond Jesus' lijk had neergelegd. Maar Maria weet niet, dat het engelen zijn; zij wil Jesus hebben, zij moet Jesus hebben; zij ziet niet naar de engelen en de witte kleederen, want hare ziel is met droefheid vervuld. — Maar de engelen zeggen tot haar: „ V r o u w! w a t w e e n t g i j ? " Dat was eene harde vraag; het was, alsof zij wilden zeggen : Gij hebt geene reden, om te weenen, er is immers enkel reden tot blijdschap, want God heeft alles wèl gemaakt. Ja, die hebben goed praten, zal Maria gedacht hebben, bij hen is misschien niets dan blijdschap en heeft God alles wèl gemaakt, maar bij mij niet! God heeft mij mijnen Jesus ontnomen! zij moesten eerst maar eens mijne groote smart gevoelen, dan zouden zij er niet meer zoo licht over denken! „Zij h e b b e n m i j n e n I l e e r e w e g g e n o m e n , en ik w e e t n i e t , w a a r z i j H e m g e l e g d h e b b e n !"
Maria heefc hare gansehe ziel voor de engelen uitgestort, maar zij kunnen niet helpen ! De arme ziel kan niet getroost worden, door geene mensclien en door geene engelen, God alleen kan het doen! God lof! God alleen kan het doen! zoo weet men dan ook, dat Hij het gedaan heeft, dat Hij het gezegd heeft, en geen mensch. Maria heeft den engelen haren nood geklaagd, zij heeft haar gansehe hart uitgestort; en nu zij dat gedaan heeft, keert zij zich om. — O gij, die zoo hard, zoo hard aan het klagen zijt, ik heb u aan te zeggen, dat het uur der verlossing nabij is, als de smart groot, als zij het grootst is. Als de ziel het hevigst met God worstelt, moeten weldra de hemelen scheuren.
Maria, zijt gij dan nog niet getroost? — Ach neen, nog in 't geheel niet! — Daar keert Maria zich om en ziet eenen Man, — Die kan het u misschien zeggen! — „ V r o u w ! wat w e e n t g i j ? " Wie is het? Jesus! „Vrouw! wat weent gij?" Wie spreekt? Jesus, Die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Hij zegt; „Vrouw! wat weent gij ?" Hij zegt ook: Gij hebt geene reden om te weenen, de Heere is nabij! uw heil is nabij! „Vrouw! wat weent gij? Wi e n z o e k t g i j ?" Dat is weder eene andere vraag! — Vele tranen worden er vergoten, omdat er droefheid is naar de wereld; maar zij zijn spoedig weer gedroogd, en alles is vergeten. Als God echter tranen doet storten, zoodat men in den smeltkroes komt, zoodat men een arm zondaar wordt en om genade en ontferming roept, en de vraag tot ons komt: „Wien zoekt gij?" — zoekt gij Jesus, — Hij is u nabij! — Ja maar, dat kan ik niet gelooven! geene smart is zoo groot als mijne smart! geen leed zoo groot als het mijne! geene zonde kan grooter zijn dan mijne zonde! Ik kan niet gelooven, dat Jesus mij zoo nabij zou zijn! Alles is immers weg! alles is gedaan! het graf is ledig! Daar heb ik wel eene gedaante gezien, die mij de dwaze vraag deed: „Wat weent gij?" alsof zij niet begreep, dat ik mij dood zou weenen van smart! Daar staat weer Een, — wat doet Hij? Hij schijnt eene geknakte roos op te binden ; Hij vat haar zoo voorzichtig aan, dat zij niet beschadigd wordt; het schijnt een bekwaam hoveuier te zijn. Hij ziet er zoo vriendelijk uit. ik wil Hem toch eens vragen —: „hobt gij Iiem weggedragen ? waar hebt gij Hem dan heengebracht? daar gij zonder twijfel de hovenier zijt, hebt gij misschien gedacht: ik zal Hem vanhier brengen; zeg toch spoedig, waar gij Hem hebt heengebracht, dan zal ik Hem wegnemen!" -Beste Maria! meent gij dan, dat gij een lijk op uwe schouders kunt hebben en het weg kunt dragen? Denkt gij zoo sterk te zijn? — „O, ik draag de gansehe hel in mij, ik kan den hemel ook dragen! Waar is Hij? waar is Hij? dat ik Hem wegneme!" — Beste Maria! het is toch enkel wederspannigheid, wat er in den mensch is! Zoekt gij het dan alleen in dit leven? zoekt gij dan eenen dooden Jesus ? kan een doode Jesus u helpen, Die alleen voor u gebloed heeft op Golgotha, moet gij dan niet eenen levenden Jesus hebben? Zoekt gij het alleen in dit leven ? wat zijt gij toch vol onverstand! — Als wij om Hem weenen, als wij Hem zoeken, wij zullen wel met allerlei onverstandige dingen aankomen, Hij zal echter niemand iets verwijten, maar Hij kent u bij name, en Maria, kende Zijne stem. Er was eens oen tijd voor den jongen Samuël, dat hij de stem des Heeren niet kende; maar de Heere openbaarde Zich aan hem, toen wist hij later de stem van menschen en de stem des Heeren te onderscheidon. (1 Sam. 3 : 4 —10.) Aan de vraag: „Wien zoekt gij?" herkende Maria de stem des Heeren niet; maar toen de Heere haar bij haren naam noemde, herkende zij Hem. — O, gij kinderen, moeht gij u toch tot den Heere wenden! — gij jongelingen en jongedochters, mocht gij het toch ter harte nemen: Samuël kende de stem des Heeren nog niet. Wie het ter harte wil nemen, die zal ervaren, dat hij met name geroepen wordt, met den naam, waarmee hij gedoopt werd in den Heiligen Doop, geroepen van het Bijbelblad uit, en hij kan onderscheiden de stem van menschen en de stem van den Heere, en weet: dit is de Heere! Ach, wat zou ik met eenen dooden Jesus doen ? eiken dag komt de duivel weêr, en of ik al gewasschen ben, ik maak toch eiken dag mijne kleederen vuil en onrein. Ik moet eenen opgestanen Heiland hebben.
Wie dezen strijd in waarheid met Maria heeft doorgemaakt, zoodat het hem — nu ja, naar zijne werkzaamheid om eenen dooden Jesus, maar naar de werking des Geestes om eenen levenden Heiland ging, die zal Hem vinden, en met Maria met heel zijn hart uitroepen: „R a b b o u n i ! " dat wil zeggen : Meester. Het ging Maria om het goede Woord, om de leer der zaligheid. Ach, die arme vrouw! zij was zoo ongelukkig in dit leven, zij had er niets meer aan, alles was haar ontnomen! Maar daar kwam de zoete leer van Jesus' lippen, en zij hief het hoofd weêr op. Daarna was de Heere van haar weggenomen, en nu had zij Hem weder! Nu zal ik Hem vasthouden, ik zal Zijne voeten grijpen en aan Zijne voeten sterven! Ik gelukkige! eerst heb ik nog gemeend, de ongelukkigste van alle vrouwen te zijn, en nu heb ik mijnen Jesus weêr! Maar: indien wij ook Christus gekend hebben naar het vleesch, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vleesch! (2 Cor. 5 : 16.) Maria, gij hebt nu geenen tijd, om Mij te omvatten, maar „ga h e e n " tot de broederen, „tot M jj n e b r o e d e r e n " , vertel hun, wat gij hebt gezien, „en z o g h u n: I k v a a r op tot M i j n e n V a d e r en u w e n V a d e r , tot M i j n e n God en u w e n God!"
Daar hebben wij den rechten Jozef. Jozef is barmhartig geworden in Egypte, en hij schaamde zich niet voor den grooten Farao, dat zijne broeders herders waren (Gen 40:32). Het zijn allen broeders van éénen vader, Jozef en zijne broeders. Zoo schaamt Zich ook de rijke Broeder niet voor de arme, maar deelt met hen alles, want om hunnentwil is Hij arm geworden. Hebt gij nood, zonde, leed, tranen, geef het alles aan Mij, zegt Hij; Ik bezit een groot Koninkrijk, eene rijke erfenis, en gij zult medeërven. Hij heeft gezegd, dat Zijn God onze God, dat Zijn Vader onze Yader is; en nu moet Maria het den geliefden jongeren zeggen, dat Hij wil opvaren tot Hem, en moet dus den trommel slaan en evenals Mirjam vertellen van de groote daden des Ileeren. De vrouw zal uitverkoren zijn, om den geleerden professoren het eerst het Evangelie uit den hemel meê te deelen en hun te zeggen: „Ik heb Jesus gezien! Hij is opgestaan, en heeft gezegd, dat Zijn God onze God, en Zijn Yader onze Yader is, en dat Hij nu heen ging, om ons plaats te bereiden, totdat Hij zou wederkomen". — Zij gaat heen tot de discipelen —: ik geloof, daarom spreek ik! Ik heb Jesus gezien in mijnen afgrond, in mijnen nood, in mijnen dood, toen ik meende te moeten omkomen, toen ik dacht, dat er geene uitkomst, geene hulp meer was, toen ik dacht: De duivelen hebben mij en ik ben gansch en al verloren; toen riep ik nog eenmaal, en toen, toen kwam het woord: „De Heere is opgestaan!" Jesus leeft! en dit heeft Hij tot mij gezegd. Gij arme menschen, gij zult sterven en wij moeten voor het gericht verschijnen. Zalig, die zegt: „Ik weet, in Wien ik geloof!" en zich dit getuigenis voor de menschen niet schaamt. Hij schaamt Zich niet voor ons, dus moeten wij ons ook niet voor Hem schamen! Daarom vaarwel, wereld! vaarwel, zonde! en zoo ellendig als ik ben, aan Jesus vastgehouden! Hij wil Zich mijner niet schamen. Heeft Hij eenen God, zoo blijft IIij op den troon zitten, en niemand werpt Hem er af; en is IIij onze God, dan aan IIem vastgehouden, en geen duivel kan ons een haar van het hoofd krenken! Heeft IIij den Vader, dan zal de Vader zorgen voor Zijnen Zoon, en Hem gewisselijk Zjjn erfdeel geven; en is Hij onze Vader, dan voorzeker ben ik Zijn gelukkig kind.
Aan het Evangelie vastgehouden dus; het ga ons om den levenden Jesus en om de kracht der opstanding.
Op den zevenden der dagen
heeft d' Almachtige gerust
Van den arbeid Zijner handen,
goed en heerlijk, — 't was Zijn lust.
Aard' en hemel was geschapen,
man en vrouw, en dag en nacht:
Eerste schepping, eerste menschheid,
eerste Sabbat! — 't was volbracht.

Op den zevenden der dagen
rustte Jesus in het graf
Van den arbeid Zijner ziele,
die Hij willig overgaf.
In de zwakheid van den kruisdood
werkt der nieuwe schepping macht,
Is vervulling en verzoening en verlossing, — 't is volbracht.

5 April 1858.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Johannes 20: 1—18.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 april 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken