Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overdenking van Handelingen 1:15—26.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Handelingen 1:15—26.

21 minuten leestijd

Nadat de discipelen den Heere Jesus hadden zien heenvaren naar den hemel, en door de engelen getroost waren, dat Hij tot hen zou wederkomen, keerden zij naar Jerusalem terug met groote blijdschap en loofden God, dat Hij Zijnen Gezalfde boven alle schepselen verhoogd had. Zij zijn dan nu allen eendrachtelijk vergaderd in eene opperzaal en volharden in het bidden en smeeken, en wel niet alleen de elf Apostelen, wier namen in Hand. 1 : 13 genoemd zijn, maar ook vele andere discipelen, die te Jerusalem verblijf houden, en de geloovige vrouwen en Maria, de moeder des Heeren, en Zijne broederen of andere verwanten naar het vleesch, die geloovig zijn geworden. Zij allen bidden als uit éénen mond, dat de Heere Zijne belofte aan hen vervullen moge en hun Zijnen Heiligen Geest zenden. Zij twisten niet meer, wie de eerste onder hen zal wezen, want Christus is hun Hoofd, en zij kennen zich in hunne zwakheid en nietigheid. Aan hen zien wij, hoe eene Gemeente gezind is, wanneer Christus bij haar verhoogd is.
Inlusschen hadden zij nog iets anders te doen. Door den val van Judas had de Satan eene groote scheuring in hunnen kring gemaakt. De Heere had twaalf Apostelen verkoren, naar het getal der stammen Israëls, die zij eens oordeelen zouden. „Twaalf" is het getal van de volkomenheid van de stad en het volk Gods. Wanneer dit getal niet aangevuld werd, zou de volkomenheid, zooals God ze wil, niet bereikt zijn. Zijne Gemeente is wel hier op aarde nooit volkomen, maar zij is liet toch, nml. zooals zij in Christus geschapen is en voor God staat, en zóó wordt zij ook met den Heiligen Geest vervuld. Als een huis gebouwd wordt, staat het den bouwmeester, volkomen zóó als het wezen moet, voor den geest; evenzoo is de Gemeente des Heeren in Christus volmaakt, en wordt ook door God den Vader als volmaakt beschouwd. Dit neemt niet weg, dat de Heere Zelf hare gebreken herstelt en hare reten vertuint. Daarom gingen de discipelen er toe over, het getal der Apostelen vol te maken en alzoo de gaping aan te vullen. De geschiedenis daarvan vinden wij in Hand. 1 : 15—26.
Deze geschiedenis overwegende, staan wij achtereenvolgens stil bij: de open plaats, door het uitvallen van Judas veroorzaakt; de noodzakelijkheid om eenen Apostel in zijne plaats te kiezen; de keuze, die op Matthias viel.
Letten wij dus eerst op de o p e n p l a a t s , d o o r h e t uitv a l l e n van J u d a s v e r o o r z a a k t.
Alle discipelen, die te Jerusalem waren, kwamen bijeen, omtrent 120 in getal. Toen stond Simon Petrus in het midden van hen op en richtte het woord tot hen, zeggende: „ M a n n en b r o e d e r s ! deze S c h r i f t moest v e r v u l d w o r d e n, w e l k e de H e i l i g e G e e s t door den mond D a v i ds v o o r z e g d h e e f t van J u d a s , die de l e i d s m a n gew e e s t is d e r g e n e n , d i e J e s u s v i n g e n ; w a n t h i j was met ons g e r e k e n d , en had het lot d e z e r b e d i e - n i n g v e r k r e g e n " . Petrus was verslagen en gaf aan de algemeene verslagenheid uitdrukking, dat een der uitverkoren Apostelen de leidsman geworden was van de vijanden des Heeren, die Hem vingen en bonden. Wanneer een goddelooze Heiden of een openbare vijand aan zijnen haat jegens llem lucht geeft, is dit voor Gods volk niet zoo grievend, als wanneer iemand, die veel genade en liefde ontvangen heeft, tot eenen verrader wordt. Het drukte hen terneer, dat een der t w a a l v e n zulks gedaan had. Zij zagen bij zich de scheur; zij zagen nog meer: hoe de zonde in den mensch machtig is, zoodat zelfs de grootste bewijzen der liefde haar niet kunnen stuiten, als het hart onbekeerd is en blijft. Zij zagen ook het zware oordeel Gods over den verrader en verschrikten.
Intusschen geeft Petrus der Gemeente ook eenen t r o o s t, als hij zegt: „Deze Schrift moest vervuld worden". Het was Gods wil, dat Judas zulk een schrikkelijk einde had, en dat hij zich zelf van het lot der bediening van het Woord der genade in Christus beroofde. Wij slaan op onze borst, wij ontzetten ons, wanneer wij de zware oordeelen des Ileeren zien, die over de goddeloozen gaan, vooral als dezen ons van nabij bekend zijn. En toeh zullen wij moeten zeggen: de Ileere is rechtvaardig, dat Hij hun het lot der bediening of hun ambt of zelfs hun leven ontneemt.
Petrus, of misschien Lukas, de volgende woorden inlasschende, verhaalt nu, wat einde Judas gehad heeft. „Deze d a n heeft v e r w o r v e n eenen a k k e r , door den l o o n der onger e c h t i g h e i d , en v o o r w a a r t s o v e r g e v a l l e n z i j n d e, is m i d d e n o p g e b o r s t e n , en al z i j n e i n g e w a n d en z i j n u i t g e s t o r t . " Wij weten uit Matth. 27:3, dat hij het geld den overpriesters wedergebracht heeft, zeggende: „Ik heb gezondigd, verradende onschuldig bloed". En hoewel dezen hunne zonde niet wilden belijden, legden zij het toch niet weder in de offerkist of den tempelschat, want het was bloedgeld, maar zij kochten eenen akker, om de vreemdelingen aldaar te begraven Judas echter ging heen en verhing zich, hij viel daarbij voorover en borst in het midden op, zoodat zijne ingewanden, de zetel der liefde en der genegenheid, — die hij den Heere Jesus onthield, — uitgestort werden. Dit werd bekend allen, die te Jerusalem woonden, zoodat de akker, die voor het bloedgeld gekocht was, „i n h u n n e e i g e n e t a a l A k e l d a m a , d. i. een a k k e r des b l o e d s " , genoemd werd; het volk gaf hem dezen naam. Judas had den Heere prijsgegeven voor geld. liet geld kon hij niet houden, de bediening ook niet, van het leven beroofde hij zich zelf, en voor hem en de overpriesters bleef slechts die akker des bloeds over tot eene eeuwige gedachtenis hunner zonde. Zóó oordeelt God.
Petrus haalt nu twee plaatsen uit de Schrift aan, welke vervuld zijn geworden.
W a n t er staat g e s c h r e v e n " , zegt hjj, „in het B o e k der P s a l m e n : Z i j n e w o o n s t e d e worde woest, en er zij n i e m a n d , die in d e z e l v e wone." Dit is eene aanhaling van Ps. 69 : 26. David spreekt aldaar van de vijanden, die hem nog slaan, die reeds van God geslagen is, en die hem gal te drinken geven. Hij heeft voor oogen de handelwijs van Nabal, aan wien hij welgedaan had, terwijl hij wegens de vervolging van Saul in de woestijn rondzwierf; maar toen David hein vraagde, om zijnen jongelingen iets van zijnen overvloed te eten te geven, antwoordde de rijkaard met honenden spot. Alzoo, zegt David, gedreven door den Heiligen Geest, moge God hen straffen, en hunne woonstede worde verwoest, omdat zij den ellendige verstooten, hunnen weldoener bespotten David spreekt van meerderen, maar de tekst wordt hier op Judas alleen toegepast, omdat hij onder hen begrepen en hun hoofd is. Hij heeft den Heere bespot met eenen kus en zich dat oerdeel waardig gemaakt. Wie de liefde bespot, die zal geene woonstede meer hebben, geen huis meer bewonen, waar hij liefde ondervindt.
De tweede tekBt, dien Petrus aanhaalt: „Een ander neme z i j n o p z i e n e r s a m b t " , is Ps. 109:8. Ook deze Psalm handelt van de vijanden des Heeren, en daarin wordt met de bede om verlossing verbonden de bede, dat God Zijne vijanden straffe. Tot de straf behoort, dat zij, die ambten en bedieningen hebben, hetzij in de Kerk, of als overheid, van hun ambt onUet worden Judas nu heeft zich het Apostelambt onwaardig gemaakt Dit erkent Petrus en dewijl hij Gods oordeelen vreest, kan hij Judas niet beweenen. Wij hebben Gods oordeelen te erkennen en Zijnen wil te doen. Daarom gaat fetrus dan ook over tot het voorhouden der noodzakelijkheid, dat een ander discipel het ambt van Judas ontvange.
Laat ons echter nog een oogenblik, met eerbied en vreeze, bij bet oordeel des Heeren over Judas stilstaan.
Voorwaar, do Heere laat Zich niet bespotten; allen, die Hem tergden, zijn plotseling in het verderf gestort. Nabals hart versteende, toen hij van zijne vrouw vernam, dat David zich onthouden had van hem kwaad te doen Saul viel in zijn eigen zwaard Joab werd gedood bjj het altaar. Moge dat een iegelijk ter harte nemen, die met het heilige den spot drijft en alle bewijzen van liefde veracht. Zijne woonstede wordt waarlijk tot eene woestijn, en hij zelf zal zijne oogen in de hel opslaan in de vlammen, waarvan hij gedacht heeft, dat hjj er niet in zal komen. Wie echter van de goddeloozen moet lijden, die wete, dat de Heere dezen straft, maar hem verlichting geeft; hij wreke zichzelven niet, maar geve het oordeel aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt. Hij houde echter ook geene gemeenschap met de goddeloozen, opdat hem het oordeel niet mede treffe. Hij neme dat oordeel ter harte, klage voor God over zijne eigene zonde, late zich echter niet door eene verkeerde liefde medesleepen, maar rechtvaardige God, wanneer Zijne oordeelen komen. Deze dienen immers tot heil der uitverkorenen, gelijk Noach van de goddeloozen bevrijd werd door den Zondvloed- Hij gedenke ook aan het dierbare bloed van Christus, Die hem gewasschen, gereinigd heeft van alle zonde, anders zou hem hetzelfde oordeel treffen als den goddelooze.
Letten wij in de tweede plaats op de n o o d z a k e l i j k h e i d, dat een ander A p o s t e l g e k o z e n werd in de p l a a ts van Juda9.
Petrus zegt: „Het is dan n o o d i g , dat van de mannen, die met ons o m g e g a a n h e b b e n al den t i j d , in w e l k e n de Heere Jesus onder ons in- en uitgeg a a n is, b e g i n n e n d e van den doop van J o h a n n e s, t o t den d a g toe, in w e l k e n H i j van ons opgenomeu i s , een d e r z e l v e met ons g e t u i g e worde van Z i j ne o p s t a n d i n g".
De noodzakelijkheid, dat een ander in de plaats van Judas als Apostel kome, bewijst Petrus eenvoudig met het woord: „Een ander neme zijn opzienersambt". God wil het zoo. Het is nog de voltrekking van 's Heeren oordeel, opdat de naam van Judas uitgewischt worde uit de Gemeente der verlosten. Heeft de Heilige Geest het oordeel over Judas uitgesproken, zoo moet zijne plaats niet meer openstaan, maar vervuld worden, opdat de dienst des Heeren aan Zijn volk, vooral bij de twaalf stammen Israëls, waargenomen worde, en geene der zielen, die de Heere verlost wil hebben, onverzorgd blijve. Zoo dient het oordeel des Heeren ook in dit opzicht tot heil der Gemeente.
Verder wijst Petrus aan, welke vereischten moeten gevonden worden bij hem, die tot opvolger van Judas gekozen zal worden. Hjj moet met de elf andere Apostelen omgegaan hebben van den tijd af, in welken de Heere met hen verkeerd heeft, onder hen „uit- en ingegaan is", en wel van het begin af, dat de Heere Jesus in liet openbaar opgetreden is, — en Hij is opgetreden, nadat Hij Zich van Johannes heeft laten doopen; en hij moet ook met Hem geweest zijn tot den dag, dat Hij in flen hemel opgenomen werd; hij moet dus mede door deo Heere onderwezen zijn, hij moet Zijne woorden gehoord, Zjjne werken gezien hebben, en er van weten, hoe Hij in het gebed geworsteld heeft; opdat hij hiervan kan getuigen. In 't bijzonder moet hij getuige Zijn van Zijne opstanding uit de dooden. Want hierdoor beeft God Jesus bewezen te zijn de Zoon Gods en de Zaligmaker. Wie de opstanding van Christus uit de dooden niet verkondigt, weet ook niet, dat de Heere Jesus om onze zonde in den dood des kruises is overgegeven ; en zijn goloof is vergeefsch, hij blijft in zijne zonden.
Dit zijn de vereisehten voor eenen Apostel van Jesus Christus. Hieruit verstaan wij, hoe de Apostelen door hunne prediking Christus verkondigden, als Die macht heeft over onze zonden, over duivel en dood Daardoor leggen zij het fundament des geloofs en der zaligheid, hetwelk Christus is.
Van Jesus als den Christus hebben wij dan ook door de Apostelen een alleszins betrouwbaar bericht, een vast getuigenis. Wel ons, wanneer wij ons aan hun woord houden, wjj zullen niet beschaamd uitkomen. Zullen wij weten, dat en hoe wij van onze zonden verlost worden, wij hebben ons aan de Heilige Schriften te houden; deze zijn onbedrieglijk; daarentegen wat de mensch verzint of ziet buiten Gods Woord om, is bedrog, en houdt geen stand. Verder zien wij, dat de Geest des Heeren de vermogens der menschen wel gebruikt. De Apostelen hebben nuchter met eigen oogen gezien en met de ooren gehoord wat de Heere gedaan en geleerd heeft en wat met Hem voorgevallen is. Zij werden daardoor zeer aangevochten en terneergeslagen, maar ook opgebeurd en verblijd; zij konden vóór het lijden reeds zeggen: „Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens"; hoeveel te meer zeiden zij dit na Zijne opstanding! En dit woord der Apostelen van Christus maakt daarom de doode harten der menschen door Ven Heiligen Geest levend.
Laat ons ten slotte zien, d a t en h o e de k e u z e op Matt h i a s viel.
De Gemeente „ s t e l d e er t w e e " . Vooreerst „ J o z e f , gen a a m d B a r s a b a s , die t o e g e n a a m d was J u s t u s ". Deze had schoone namen; Barsabas beteekent: zoon der eedzwering, en Justus beteekent: rechtvaardig Hij heeft zich verblijd in de vervulling der eedzwering Gods aan Abraham en was door Christus rechtvaardig. Ook had hij bij allen, die God vreesden, een goed getuigenis wegens zijnen onberispelijken wand e l .— De andere was M a t t h i a s , d. i van Jehova geschonken. Hij had geene bijnamen. Hij moet een stille in den lande geweest zijn en geenen grooten naam gehad hebben. — Maar beiden waren discipelen van den beginne aan, dus arme zondaren, die in Jesus Christus genade en leven vonden.
De keuze van eenen Apostel behoorde eigenlijk Christus toe, en de Gemeente werd hier reeds door den Geest van Christus geleid, gelijk zij ook het lichaam van Christus is. Is iemand tot het geloof in Christus bekeerd, heeft hij tot Hem als arme zondaar zijne toevlucht genomen, zoo zal Christus in hem wonen, al weet hij het niet. Als echter Christus in ons woont, zullen wij niet naar eigen goedvinden en willekeur bandelen, maar de orde in acht nemen, die de zaak vereischt, welke wij hebben te doen Alzoo zullen wij weten, dat de Heilige Geest ons leidt. Toen de twee discipelen genoemd werden, ttemden allen, die tegenwoordig waren, toe, dat zij van het begin tot het einde met den Heere Jesus geweest waren. Maar wie van hen nu te verkiezen? Dit lieten zij aan den H e e r e J e s us over, Die ook de andere elf Apostelen verkoren had. Zij baden : „ G i j , H e e r e " , nml. Jesus, Die in den hemel verhoogd zijt, „ G i j K e n n e r der h a r t e n van a l l e n " ; — w i j zijn geene kenners der harten, wij zien aan wat voor oogen is. Ziedaar den ootmoed en de zelfkennis der Gemeente, die zich niet beroemt op menschenkennis, maar vreest, dat zij kan dwalen. Wat baden zij nu? „ W i j s v a n d e z e t w e e e e n en a a n , d i e n Gij u i t v e r k o r e n h e b t , om te o n t v a n g en h e t lot d e z e r b e d i e n i n g en d e s A p o s t e l s c h a p s ." De Gemeente bidt dus den Heere Jesus, dat Hij Zelf haar kenbaar rnake, welken van de twee discipelen Hij verkoren had tot deze bediening des Apostelschaps. Hieruit leeren wij, dat de Apostelen dienstknechten (Grieksch: „diakenen") des Heeren Jesus zijn, en dat zij niet heeren en meesters over de kudde zijn, maar bij haar datgene hebben te verrichten, waarmee Christus haar dienen wil. Dit geldt ook van alle leeraars en opzieners.
Van deze bediening was „ J u d a s a f g e w e k e n , d a t h ij h e e n g i n g in z i j n e e i g e n e p l a a t s " . Hij wilde niet de d i e n s t k n e c h t van Jesus Christus zijn, daarom week hij af van de bediening en het ambt, en kon zijne plaats niet meer hij Hem hebben; hij ging heen in zijne eigene plaats. Het is in het midden gelaten, welke die plaats was Want Petrus spreekt in het gebed weder met huivering van den verrader. O, wie zich aanmatigt, tot Gods Gemeente te behooren, maar Zijne geboden met voeten treedt, zie toe, hoe hij afgeweken is, en waar ten laatste zijne eigene plaats is: niet bij Christus, maar bij de duivelen. Nadat de Gemeente zoo gebeden had, werd aan elk der twee genoemde discipelen een schrijftafeltje gegeven, waarop zij hunnen naam schreven; deze tafeltjes werden in eenen schoot geworpen, of in een vat, en dat vat werd geschud, en wiens naam daarbij uit het vat viel, die was geraakt. Het tafeltje nu van den stillen Matthias viel er uit. De H e e r e had hem verkoren. De gansche Gemeente, Barsabas zeker ook, was tevreden en blijde, dat de Heere de breuke aangevuld had.
Door het l o t maakte hier de Heere Zijnen wil bekend. Zóó heeft de Heere van ouds dikwijls gedaan. Door het lot werden bijv. de twee bokken op den grooten verzoendag gekozen, de eene om geslacht te worden voor den Heere, de andere om in de woestijn te worden gedreven.
Het lot wordt ook nu nog gebruikt bij twijfelachtige gevallen, waar het d e n m e n s c h o n m o g e l i j k is, eene keuze te doen. Daarom beeft het zijne beteekenis, dat de Heere daardoor Zijnen wil kenbaar make. „Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid daarvan is van den Heere" (Spr. 16 : 33).
Van de t o e p a s s i n g van het l o t hebben wij om zijne groote beteekenis en wegens het gruwelijk misbruik, dat daarvan gemaakt wordt, nog een woord te zeggen. Wij hebben het lot niet lichtvaardig te gebruiken, maar onder aanroeping van 's Heeren Naam. Wij handelen ook in strijd met Gods wil, wanneer wij die gaven en vermogens, die Hij ons gegeven heeft, niet gebruiken, om eene zaak, die ons voorgelegd is, onder aanroeping van Zijnen Naam te onderzoeken, en, zooveel ons mogelijk is, eene beslissing te nemen. Maar een g r u w el is bet in 's Heeren oogen, wanneer wij het lot gebruiken bij het kaartspel en andere spelen of bij zoogenaamde loterijen, om daarmee geld te winnen, zooals velen onder rijk en arm dat doen. Dat is duivelsch. Men zal daarbij God niet kunnen aanroepen, maar heeft zich overgegeven in de hand des duivels. Het is eene o v e r t r e d i n g v a n h e t d e r d e G e b o d , hetwelk ons verbiedt, 's Ileeren Naam ijdellijk te gebruiken. De Heere zal dien niet onschuldig houden, die Zijnen Naam ijdellijk gebruikt.
Yelen houden de loterijen voor onschuldig, men gebruikt ze zelfs voor vroomschijnende doeleinden, bijv. voor den bouw van kerken, tot bevordering van zoogenaamde Christelijke werken. Maar haar eerste doel is toch, dat de een eenen hoogen prijs wint ten nadeele van den ander; en men verontschuldigt zich met te zeggen, dat die laatste geweten heeft, dat hij misschien zijnen inleg zou verliezen. Maar men geeft toch de loten uit in de veronderstelling, dat men kans heeft te winnen; en zoo wordt de hartstocht der winzucht opgewekt; en zal nu 's Heeren Naam mogen dienen, om die winzucht te bevredigen ? Dit is een ijdel gebruik van 's Hoeren Naam. Neen. het lot dient en wordt alleen recht gebruikt in zaken van groote beteekenis, waar het den mensch onmogelijk is, eene keuze te doen, en waar men zich waarachtig onler 's Heeren leiding stelt en tot Hem bidt, dat Hij over de keuze beslisse, opdat alles uitgericht worde naar Zijnen raad en wil, gelijk dit bij de verkiezing van Matthias tot Apostel geschied is. —
Keeren wij met een kort woord tot de behandelde geschiedenis terug. Wij hebben daarin vele punten van gewicht aangetroffen : het oordeel over Judas, en hoe de door Gods Geest geleide Gemeente dit beschouwt, hoe zij den Heere rechtvaardigt en toch verslagen is, en hoe zij er door vertroost wordt, dat liet voorzegd is, dat het kwade en het oordeel moet komen, opdat zij aan den Heere niet wanhope, wanneer het komt. Yerder, hoe zij door den Geest gedreven wordt, om Gods wil te volbrengen tot haren eigen opbouw; en indien zij in Gods weg loopt, hoe zij zich in alle verlegenheden tot den Heere wenden kan, en Hij haar uitkomst geeft, ja dat haar alles ten goede moet medewerken; terwijl daarentegen de goddeloozen niet zullen bestaan: zij gebruiken ook Gods Naam en voorzienigheid, maar zij buigen zich niet onder Gods wil; daarom zal hun die Naam een verterend vuur zijn
Wel ons, zoo wij deze dingen ter harte nemen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juli 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Handelingen 1:15—26.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juli 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken