Bekijk het origineel

Het getuigenis van den Heere Jesus aangaande Johannes den Dooper en de gezindheid des vleesches ten aanzien van het Koninkrijk der hemelen, (Mattheüs 11 : 11 en 12.) (1e Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het getuigenis van den Heere Jesus aangaande Johannes den Dooper en de gezindheid des vleesches ten aanzien van het Koninkrijk der hemelen, (Mattheüs 11 : 11 en 12.) (1e Gedeelte.)

11 minuten leestijd

„Voorwaar zeg Ik u: Ouder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij. En van de dagen van Johannes deu Dooper tot uu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen het met geweld '

De prediking van onzen hoogsten Leeraar en Profeet, van onzen Heere Jesus Christus, is toch eenig in macht en heerlijkheid. Als Hij in de dagen Zijns vleesches op de aarde Zijne discipelen onderwees, de schare leerde, en aan de tegensprekers, zoovelen in getal, den mond stopte, dan openbaarde zich eene macht, zooals alleen Gods Woord bezit. Verbrijzeld worden al wie zich verheffen, daarentegen opgericht de armen en verslagenen van geest, en die voor Zijn Woord beven. Door de prediking des Heilands wordt Gods Wet gehandhaafd, zooals zij geestelijk is, en daarvoor moet de eigengerechtige, farizeeache geest wijken; geene gerechtigheid van menachen kan gelden, waar alleen Gods eere bedoeld wordt; de mensch wordt daar op het diep8t vernederd, en God op het hoogst verheerlijkt.
Zoo worden dan alle goden van menschelijke kracht en wijsheid, van vleeschelijke gerechtigheid en heiligheid, van eere en aanbidding der wereld ternedergeworpen; en aan ieder, die, tot zondaar gemaakt, niets meer weet te zeggen dan: „O God, wees mij zondaar genadig!" wordt verkondigd behoudenis om niet, uit vrije ontferming.
Zulk eene prediking komt on8 o. a. tegen in het hierboven staand gedeelte van Mattheüs 11. Het zijn woorden van vertroosting voor alle armen en ellendigen; van bestraffing echter voor allen, die zich verhoovaardigen.
„ V o o r w a a r zeg I k u". Met deze woorden roept de Heere Jesus, de waarachtige Getuige, ons toe, dat van de behartiging Zijner woorden ons eeuwig heil afhangt. Geven wij dan met allen ernst acht op Zijn getuigenis.
Wij herinneren ons hier de vraag van Johannes den Dooper (zie No. 30 en 31), waaruit ons ook van dezen Profeet en dienstknecht Gods bleek, dat hij een menach waa, niet beatand om door zichzelven aan twijfel en ongeloof het hoofd te bieden; maar die, door den Geest Gods staande gehouden, evenwel met Zijnen nood in de aanvechtingen der ziel de toevlucht nam tot den Heere Jesus Christus, Die alleen Zijn Heiland en Helper was, door Wiens genade hem dan ook weêr het licht in zijne duisternis is opgegaan.
Nadat nu de discipelen van Johannes waren heengegaan, begon Jeaus tot de schare over hem te spreken, en toonde in dat getuigenis aan, wie Johannes op en in zichzelven was, en wie hij naar zijn ambt en roeping was. Opdat men niet op Johannes als mensch, óók niet als geloovige, zou vertrouwen, maar alleen op des Heeren Woord zich zou verlaten, sprak de Heere van hem als van „een riet van den wind ginds en weer bewogen"; en wederom, opdat men de prediking en den doop van Johannes niet als menschelijk werk zou aanzien, maar als het werk Goda, van den Heere, Die hem gezonden had, getuigde Jeaua van hem als den engel, den bode Gods, den wegbereider, die vóór Hem henengaan zou, en noemde hem den grootste onder degenen, die van vrouwen geboren zijn.
Zoo handhaaft de Heere Jesus éénerzijds Johannes tegen de ergernis, die men nemen mocht aan zijne zwakheid des geloofa; anderzijds handhaaft Hij het Woord Gods, dat in der eeuwigheid blijft, en waaraan de Heere God zulke getuigen geeft, die datgene, wat zij zijn en hebben ter eere van hunnen Zender, alléén door Zijnen Geest en Zijn Woord zijn en hebben, en dus geenen roem in zichzelven bezitten.
Gaan wij nu eerst na, in welke betrekking Johannes de Dooper stond tot het Koninkrijk der hemelen, en wat het zeggen wil: „Die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij" (Vs. 11), en slaan wij vervolgens acht zoowel op de gezindheid ten aanzien van het Koninkrijk der hemelen, zooals zij in 't algemeen toen was (Vs. 12) en nog heden is, als op die, welke èn toenmaals èn in onzen tijd ten opzichte van dat Rijk zich zoo zelden openbaart.
I n welke b e t r e k k i n g s t o n d J o h a n n e s de D o o p er tot het K o n i n k r i j k der h e m e l e n ? — Allereerst zeggen wij: Ilij was een g e t u i g e van dat Rijk. Immers, hij predikte: „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". En een g e t r o u w getuige was hij, die in den strijd tegen de wereld geenen vrede zocht ten koste van de waarheid en gerechtigheid, die niet in het minste toegaf aan degenen, die het Woord Gods tegenstonden. De eere Zijns Gods en de heiligheid van Gods eeuwig geldende Wet waren hem liever dan zijne vrijheid, ja zelfs dan zijn leven. Yoorts was hij een P r o f e e t , — „ja'', zegt de Heere, „Ik zeg u, ook veel meer dan een Profeet. Want deze is het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik zende Mijnen engel voor Uw Aangezicht, die Uwen weg bereiden zal voor U heen. V o o r w a a r zeg Ik u: O n d e r degenen, die v a n v r o u w e n g e b o r e n z i j n, i s n i e m a n d o p g e s t a a n meerder dan J o h a n n e s de D o o p e r " .
Wat bedoelt de Heere Jesus met dit getuigenis ? Plaatst Hij Johannes den Dooper aan het hoofd van alle Profeten, wellicht omdat hij, meer dan één hunner, verlichte oogen des verstands had om Gods wil te kennen ? Dat kan niet zijn. Immers van Mozes staat geschreven: „Er stond geen Profeet meer op in Israël gelijk Mozes, die de Heere gekend had van aangezicht tot aangezicht". En van Johannes heet het: „En hij zal voor den Heere heengaan in den Geest en de kracht van Elias". Ook heeft de Heere Jesus volstrekt niet eenige waardigheid des persoons op het oog, maar Hij doelt hier op de voortreffelijkheid van Johannes' ambt. Als wegbereider en voorlooper des Heeren Jesus, als heraut van den Koning Christus had Johannes eene eenige plaats ontvangen. Voor die plaats had de Heere God hem naar Zijnen eeuwigen raad bestemd, hem daartoe afgezonderd en geheiligd, reeds vóór hij geboren was, zooals van hem geschreven staat: „En hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan. En Hij zal velen der kinderen Israëls bekeeren tot den Heere hunnen God" (Luk. 1).
Johannes had dus als Profeet eene roeping, zooals geen andere vóór hem gehad heeft. Door geene wonderen en teekenen verzeld, door niet de minste uiterlijke heerlijkheid omgeven, was hy predikende en doopende te midden van een geheel van God afgevallen volk, tegenover eene groote priesterschaar, Schriftgeleerden en Farizeën, die allen hem tegenstonden. Alléén in de kracht van het Woord Gods, in het vuur van den ijver voor des Heeren Naam en Wet, alleen door den Geest des geloofs en des gebeds gedragen, predikte hij en riep tot bekeering en wees op het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Aldus had onder degenen, die van vrouwen geboren waren vóór Johannes den Dooper, niemand voortreffelijker werk, hoogere roeping, was niemand grooter en meerder dan hij. Zijne betrekking tot het Koninkrijk der hemelen was dus eene eenige en bijzondere wegens zijne goddelijke zending als boetprediker en genadeheraut van Christus. Wat overigens zijn deelgenootschap aan het Koninkrijk der hemelen aangaat, dat had hij gemeen met alle geloovigen vóór en na hem. Gelijk van allen, zoo geldt van hem: „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen".
Maar was dan het Koninkrijk der hemelen voor Johannes en ook voor al de geloovigen van den ouden dag reeds aanwezig ? Eene vraag, die niet onnoodig is met het oog op hen, die hier onder het Koninkrijk der hemelen ten onrechte het Nieuwe Testament verstaan. Zeker was het er voor Johannes! Immers, zijne prediking was er ééne getuigenis van, als hij op den Christus als den Zone Gods wees, in Wien een iegelijk, in Hem geloovende, het eeuwige leven heeft. En zegt de Heere Jesus Zelf niet: „Van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan"? En ten aanzien van de geloovigen vóór Christus en vóór het voleindigen van Zijn verlossingswerk op aarde geldt des Heeren Jesus woord: „Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, Izak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen, en de kinderen des Koninkrijks zullen buitengeworpen worden". Hieruit blijkt, dat het er ten tijde der aartsvaders reeds was. Ook Noach, die prediker der gerechtigheid, was een burger van het Koninkrijk Gods.
Dat wij toch eenvoudig zijn, en wij zien, dat het Koninkrijk der hemelen reeds in het paradijs geopenbaard is Het verscheen, toen de Heere God het Zaad der vrouw beloofde, Dat der slang den kop vermorzelen zou. Wat toch anders is het Koninkrijk der hemelen, dan het Rijk, waarin God Koning is, — waarin Hij door Jesus Christus regeert, — het Rijk van vergeving en verlossing van zonden, dood en hel, het Rijk van genade, gerechtigheid en eeuwig leven! Zoo zijn dan allen, die in de belofte van Christus, alzoo in den beloofden Christus geloofden, evenzeer burgers van het Koninkrijk der hemelen als allen, die in den verschenen, in het vleesch gekomen Christus geloofd hebben en heden gelooven.
Maar wat wil dan het woord des Heeren Jesus zeggen: „ D i e de m i n s t e is i n het K o n i n k r i j k der h e m e l e n, is m e e r d e r dan h i j " (d. i. Johannes de Dooper)? — Na hetgeen gezegd is, moet het ons duidelijk zijn, dat de gewone verklaring dezer woorden, t. w.: „De kleinste, geringste geloovige in don tijd van het Nieuwe Testament overtreft in kennis van de goddelijke waarheid den grootsten Profeet van het Oude Testament", volstrekt niet opgaat. Wat bedoelt dan de Heere met dit zeggen? Vooreerst wilde de Heere Jesus daarmede alle verkeerde begrippen van groot en klein in het Koninkrijk Gods wegnemen, en dan vervolgens allen troosten, die in de aanvechting des geloofs komen, en zich zóó klein en nietig in Gods oogen bevinden, dat zij denken: „Ach, zou ik wel deel hebben aan het Koninkrijk der hemelen?" In het Koninkrijk Gods heerscht naar het getuigenis van den Heere Jesus deze wet ten aanzien van groot en klein: „Zoo wie onder u zal willen groot worden die zij uw dienaar"; of, naar hetgeen de Heere elders zegt: „Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. Zoo wie dan zichzelven zal verne deren en wordt gelijk een kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen".
Derhalve, in dit Rijk is de mindere de meerdere, de kleinste do grootste. Zoo dan, wie zichzelven nog geringer en armer bevindt.
nog meer aangevochten wordt dan Johannes, wie nog minder uiterlijke heerlijkheid heeft en nochtans vasthoudt aan de waarheid Gods, wat zich daartegen ook van binnen en van buiten verheft, — ja de kleinste, de zwakste, de ellendigste van 's Heeren discipelen, die in zijn twijfelen zich vastgeklemd houdt aan den alléén grooten en verheven God en aan Zijne almachtige genade,— deze is nog grooter dan Johannes; zooals bijv. de moordenaar aan het kruis, die trots al het zichtbare en tegenstrijdige zich tot den Heere Jesus wendde met de bede: „Heere! gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn"; of zooals de Kananeesche vrouw, die als een hondeken, als een genadelooze op de genade des Heilands bleef hopen. O, aan deze kleinen en kleinsten heeft de Heere Heere den roem Zijner eeuwige ontferming; maar al wat groot is in eigen oogen en zich aanmatigt iets te zijn, daar het niets is, deze hoogmoedigen wederstaat de Heere: het hooge en verhevene is Hem een gruwel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 augustus 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het getuigenis van den Heere Jesus aangaande Johannes den Dooper en de gezindheid des vleesches ten aanzien van het Koninkrijk der hemelen, (Mattheüs 11 : 11 en 12.) (1e Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 augustus 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken