Bekijk het origineel

Betrachting over Lukas 15.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Lukas 15.

14 minuten leestijd

Wij allen zijn met water gedoopt en hebben dit teeken en zegel van het genadeverbond aan ons eigen lichaam ontvangen, kort nadat wij het levenslicht aanschouwden, opdat wij dit teeken en zegel ons gansche leven met ons zouden omdragen, vooral ook in het stervensuur. Nu mag het ons echter honderdmaal gezegd worden, dat wij onze kinderen niet uit gewoonte zullen laten doopen, toch wordt het gewoonte, en omdat het gewoonte wordt, en helaas zoo vaak gewoonte is, heeft men in het leven en het sterven niet dien troost er van, dien men er van hebben moest. Wij worden gedoopt met water in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en dit genadeverbond gaat mede, als wij trouwen en kinderen krijgen, en wij hebben de belofte: „Ik ben uw God en uws zaads God, ja ook de God van het zaad uws zaads na u". Wij kunnen dat echter niet vasthouden, en willen altijd wat nieuws, zoo iets bijzonders hebben voor den nood en druk, waarin wij op het oogenblik verkeeren. Laat ons toch, daar de Heere onvermoeid is met Zijn Woord, elkander opbouwen op den grond, waarop wij gezet zijn, toen wij geboren werden en onze ouders ons aan den Heere opdroegen. Hij, Die gezegd heeft: „Doopt ze in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes", zal wel weten, wat Hij gezegd heeft, en zal woord en trouwe houden. Hij geeft u den Doop, en laat u daarin begraven worden in Christus' dood, en opstaan in Zijn leven. Dan hebt gij een levensboek; dat ligt daarboven, en daarin staat alles geschreven, wat u zal wedervaren. Ik spreek hier niet alleen van geluk, van zegen en welvaart, maar van allerlei, dat het leven meebrengt, ook van nood en lijden, van tranen, die wij weenen, en van zuchten, die wij slaken. Bovenaan in dit levensboek staat onze Heere en Heiland Jesus Christus, en Hij troost ons — o, als wij dezen troost maar verstonden! — met den drieëenigen God, — God den Vader, God den Zoon, en God den Heiligen Geest. Deze Drie zijn het, Die getuigen in den hemel, en deze Drie zijn Eén.
Deze Drie nu ontfermen Zich over het verlorene, naar de Goddelijke huishouding op onderscheidene wijze. Wanneer ik zeg: „over het verlorene", dan versta ik daaronder iemand, die zóó verloren is, dat er voor hem hierbeneden bij geen schepsel meer hulp te vinden is Er is voor hem geene redding meer mogelijk, en hij kan zichzelven allerminst redden. De eerste stap op den weg des levens nu is het gevoel der verlorenheid. Dit gevoel van verlorenheid wekt de Heilige Geest in ons. Hij komt met de allerheiligste Wet en het goede gebod, en nu gaat het verschillend toe. De een heeft een zeer losbandig leven geleid, zich gebaad in allerlei openbare zonden, God in het Aangezicht geslagen en gezegd: „Al straft God mij nog zevenmaal zoo zwaar, dan bekeer ik mij nog niet!" Bij den ander gaat het zeer stil en geleidelijk toe, hij heeft, ten gevolge van eene goede opvoeding, een meer ingetogen leven geleid. Beiden echter gevoelen, als God komt met Zijne Wet, even diep hunne verlorenheid. Hier mag de een de zonde hebben ingedronken als water, de ander slechts eene naald hebben gestolen en niet meer, — als de Wet komt, ontdekt zij de innerlijke verlorenheid zóózeer, dat den mensch al zijn doen voor oogen wordt gesteld, en hem wordt voorgehouden, dat hij zonder leven en zonder God in de wereld is, en dat hij, wanneer hij zoo sterft, voor eeuwig vervloekt is. Dit gevoel van verlorenheid blijft in de ziel van degenen, wien de Geest het geeft, zoo lang de overhand behouden, als het den Geest behaagt, zoo lang, tot het de tijd is der minne of liefde des Heeren, om de ziel gevangen te nemen in de macht Zijne genade, en tot de ziel te zeggen: Ik ben uw en gij zijt Mijn. Maar. al weet men ook reeds lang, dat men behouden is, het innerlijke gevoel van verlorenheid houdt niet op, integendeel, het blijft in de ziel leven: Jesus, Jesus! anders ben ik verloren! Alleen Zijn offer en Zijn bloed, anders is er niets. De Heere Jesus is gekomen, niet om gevondenen te zoeken, maar om te zoeken, wat verloren is. Daartoe ziet Hij ook van den troon Zijner genade en heerlijkheid neder op de menschenkinderen. Hij ziet naar zondaars, om die te behouden. Hij, Die de zonde alzoo haat, dat Hjj ze met Zijne oogen niet kan zien, Die vreeselijk over de zonde toornt en ze met eeuwige straf bedreigt, — Hij is het, Die tevens alle menschen te zamen onder de zonde heeft besloten, zoodat er niet één is, die goed doet, — en nu predikt Hij ons in deze gelijkenissen voor het eerst van Zichzelven, dat Hij een Herder is, en wel een Herder, Die honderd, d. i. vele schapen heeft. Nu is er één schaap weg, verdwaald. Ja, als ik nu het Evangelie lees en mij reken bij de negen en negentig, — wat deze en gene met een goed geweten kan doen, — dan ben ik in den stal der negen en negentig schapen geborgen, en ik vrees niet voor den wolf, die komt niet in den stal! Maar men kan dikwijls meenen. dat men tot de negen en negentig behoort, doch op eens overvalt den mensch iets, zoodat hij totaal van de kudde afgeslagen is. Zoo kan den eenen keer het danklied uit het hart opstygen: „Ik ben een metgezel dergenen, die U vreezen", en eenen anderen keer de verzuchting: „Ik ben als een verdwaald en verloren schaap, zoek Uwen knecht!" Of houden duivel en wereld, vleesch en bloed ooit op, ons aan te vechten ? En is het niet waar, dat wij nog steeds tot alle boosheid geneigd zijn? zegge: tot alle boosheid. Als het nu door het schrikkelijke, donkere dal heengaat, waar Apollyon, de verderver, komt en u tracht te verslind e n ? . . . Juist een kind Gods moet het ondervinden, dat duivel en wereld, vleesch en bloed niet ophouden, het aan te vechten, en dat het nog steeds tot alle boosheid geneigd is! En als dat nu ondervonden wordt, waarmee zal ik mij dan troosten? — Gij zijt gedoopt in den Naam des Vaders, en in den Naam des Zoons, en in den Naam des Heiligen Geestes! Zal God de Vader herroepen ? zal de Zoon of de Heilige Geest herroepen, wat Hij beloofd heeft? wat Hij het kind meegeeft, als het gedoopt wordt, en wat Hij dus ook u heeft meegegeven, toen gij een kind waart ? Wij roepen, en kunnen niet anders bij het gevoel onzer verlorenheid, als wij op den weg des levens gezet zijn: „Verberg Uw Aangezicht niet voor mij ! Straf mij niet in Uwen toorn, en kastijd mij niet in Uwe grimmigheid!" Maar als gij zoo roept, denkt gij, dat er misschien toorn bij den Vader is ? Ja, sidder voor Zijne Majesteit, maar weet ook, dat Hij Zijn woord waar zal maken : „Ik zal in eeuwigheid niet over u toornen, noch u schelden; want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen !"
God de Vader ontfermt Zich van harte over het verlorene. Dat leert ons de gelijkenis, waarin wij lezen van eenen vader, die zijnen zoon weder opnam, toen deze van de zwijnen kwam. Ja, Hij is de Eerste, Hij snelt den zoon te gemoet. — God de Zoon ontfermt Zich van harte over het verlorene, zoodat Hij zoekt, het verloren schaap zoekt, todat Hij het vindt, en als Hij het gevonden heeft, legt Hij het op Zijne schouders. — Ik kom zoo dikwijls aan het een of ander ziekbed, en daar doe ik keer op keer de ervaring op, dat men van den troost der vergeving van zonden zoo weinig begrijpt. Ach wij menschenkinderen, dat wij zulke verkeerde begrippen van God den Vader, van God den Zoon, van God den Heiligen Geest hebben! Laat ons toch niet zoo lichtzinnig zijn en bedenken wij meer de heiligheid der Wet en dat God waarlijk de zonde straft, opdat wij de zonde beginnen te haten! Dat wij toch Gods Woord ter hand nemen, en eens een recht begrip krijgen van de heiligheid Gods, opdat ook de troost des Evangelies in het verbroken en verslagen hart nederdale! Voor wie zoekt houdt Hij Zijn Aangezicht niet verborgen. Die zoekt, die vindt.
Wat nu de gezindheid van den drieëenigen God betreft, de Vader kijkt het venster uit, of de verloren zoon haast komt; God de Zoon begeeft Zich in het struikgewas, tusschen de doornen en distelen, of Hjj het verlorene schaap kan vinden, of het schaap niet blaat: „Mijn Herder, mijn Herder!" En de Heilige Geest, — ja dat is eene moeder; Hij is de vrouw hier in het Evangelie, in de gelijkenis van den verloren penning. De vrouw heeft niet met groote dingen t,e doen, heel huishoudelijk gaat alles toe, evenals in het dagelijksch leven. De man kan veel geld beheeren, maar de huisvrouw niet; zij heeft haar maand- of weekgeld, en nu ziet zij, hoe zij het kleine bij elkaar houdt en uit het kleine wat groots maakt juist andersom als de aanzienlijke lieden, die eenen grooten hoop moeten hebben, om dien spoedig klein te maken. Maar dat is niet het doen van eene goede huismoeder, en ook niet van den Heiligen Geest De Heilige Geest overziet alles en zorgt voor het kleine en geringe. De Heilige Geest denkt niet — om het zoo eens uit te drukken —: Ik heb immers nog penningen genoeg, al is er ook één weg, wat doet het er toe! — neen, Hij denkt: Die ééne penning heeft ook zijne waarde. Nu, er zijn mensehen, die door God begenadigd zijn, om te weten wat waarde een penning heeft, wat men daarmee doen kan. De Heilige Geest is dus als eene huismoeder, die, als er oen penning weg is, vraagt: Waar is hij? en hem zoekt. Zoo'n penning kan soms o zoo wonderlijk rollen, en ergens in eenen hoek in het stof liggen, zoodat men hem niet kan vinden. Dan wordt het huis flink met den bezem gekeerd, zoodat het stof in de lucht dwarrelt, en dan wordt er water gesprengd, en er wordt gezocht, tot de penning gevonden is.
Derhalve, de Yader is met hartelijke ontferming over den verlorene bewogen, kijkt het venster uit, of de verloren zoon haast terugkeert, en, hoe deze ook met lompen bedekt is, Hij ijlt hem te gemoet, geeft hem eenen kus en heeft hem alles vergeven. De herder zoekt het verlorene, totdat hij het heeft, en zoo zoekt ook de Heilige Geest het verlorene, tot Hij het gevonden heeft. Dat is dus Gods wijze van huishouden. Zoo verneemt gij dus, wat de drieëenige God dagelijks doet, waar wij verloren schapen, verloren penningen, verloren kinderen zijn. Overleg dan bij uzelven: mijne ziel, zulk eenen God hebt gij! Die wordt u gepredikt en voorgehouden. Denk er aan, dat gij heden of morgen sterft en een lijk zijt Daarom, waar gij u verloren gevoelt, uw hart voor uwen God uitgestort, Hem aldus aangeroepen: Heere, mijn God, ik heb gehoord, dat Gij mijn God zijt! Uw Woord is waar, en Uw geliefde Zoon zegt, dat God de Yader het verlorene zoekt, —• Hij betuigt, dat de Heilige Geest het verlorene zoekt, en nog meer, Hij betuigt ook van Zichzelven, dat Hij het verlorene zoekt. Als God de Yader begint te zoeken, dan vindt Hij ook. Daarom, werp het Hem in den schoot, al wat u drukt en bezwaart. Wanneer God de Heilige Geest zoekt, dan vindt Hij ook; Hij keert met den bezem den vloer zóó lang, tot de penning uit den hoek te voorschijn komt, hoe hij ook verloren is. En als de Zoon zoekt, dan vindt Hij voorzeker ook.
Maar nog meer. God de Yader verblijdt Zich, dat Hij den verloren zoon terug heeft God de Heilige Geest verheugt Zich, dat IIij den verloren penning terug heeft. God de Zoon is verbljjd, dat Hij het verloren schaap wedergevonden heeft. Wanneer gij nu terneergeslagen zijt en niet weet, hoe gij het hebt, wanneer gij met treurige gedachten vervuld zijt en de duivel tot u zegt: „Ik krijg u toch nog eens!" — koester geene kwade gedachten aangaande den drieëenigen God! Hij ziet van den hemel neder en kent de tollenaars en zondaars wel. De tollenaars en zondaars zijn boven, in den hemel, bekend bij de engelen Gods. Wat weten dan de engelen Gods ? Dit weten zij: dat God de Vader in den eeuwigen vrederaad het uitgesproken heeft: „Over die en die wil Ik Mij eeuwiglijk ontfermen! Gij Mijn Zoon neemt hunne zonde op U en wilt daarvoor boeten, alsof Gij Zelf de zonde begaan hadt!" En de engelen hooren verder, dat de Zoon tot den Yader zegt: „.Ta, Vader, Ik kom, om Uwen wil te doen! brandoffer en zondoffer behagen U niet, — geef Mij een lichaam, dat Ik daarin genoegdoening brenge, dat Ik daarin lijde en sterve, en het verlorene leven weder tot U terugbrenge!" En God de Vader zegt: „Gij zult een lichaam hebben : Zie, de maagd is zwanger en baart eenen Zoon en noemt Zijnen Naam Immanuël!" En de engelen vernemen ook, dat de Heilige Geest, Die door den Vader aan den Zoon beloofd is, nederkomen wil op alle tollenaars en zondaars, die den Zoou gegeven zijn, dat Hij in het woeste hart wil inkomen, om met eenen droppel van het bloed van Jesus Christus het steenen hart murw te maken, zoodat het een vleeschen hart wordt en uitroept: „Ik beu verloren! ik ben verloren! wees mij genadig, o mijn God!" De engelen in den hemel hebben het vernomen, dat de Heilige Geest dat op Zich genomen heeft, opdat wat in de nooit begonnen eeuwigheid in den raad des vredes besloten is, uitgevoerd worde in den tijd.
Nu waren er ook vele Farizeën en Schriftgeleerden, die er wel heilig uitzagen, maar de engelen kennen het hart Gods beter. De tollenaars zaten in schrikkelijke dingen verstrikt. Er is niets gruwelijkers dan de vreeselijke geldgierigheid! Dat kan men reeds aan het kind zien. Met eenen cent krijgt men het kind er toe, dat het iets leert. De mensch kan het achtste Gebod niet houden. Gelooven, gelooven, dat God het geringe, ja ook het geringste zegent, dat, wanneer wij blijven bij Zijn Woord, Hij ons van al het noodige voorzien zal, ja dat kan men wel, als men den gulden in den zak heeft. De vrouw verlangt geld, dit moet betaald worden en dat moet betaald worden, de kinderen moeten kleêren en schoenen hebben, — en de arme tollenaar, wat doet hij ? Hij vordert meer, dan het tarief aangeeft, hij steelt en overtreedt het achtste Gebod! Zoo overtreden wij allen dit gebod, met gedachten, woorden of werken; bij den een komt het meer aan het licht, bij den ander blijft het meer in het verborgen. En nu komen al do vreeselijke zonden tegen het zevende Gebod, — ze zijn immers als het zand aan den oever der zee, al de gedachten, woorden, gebaren, begeerten tegen het zevende Gebod! — O, de Apostel Paulus predikt kuischheid en eerlijkheid, en ik ook; maar dit zeg ik: wie in zijn hart voor God en Zijnen heiligen Rechterstoel niet een tollenaar en zondaar wordt, die komt den hemel niet binnen! God oordeelt niet naar hetgeen voor oogen is, maar voor Hem is het verborgene openbaar. Wien nu zijne zonde leed doet, die vreeze niet! De Heere geeft ons den troost: „Het bloed van Jesus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden". Waar moest dan de Heere met de tollenaars en zondaars heen? Ze den duivel schenken? opdat de duivel met hen ter helle voere, en de hemel vervuld ware met enkel Farizeën? Dat zou in den hemel geene groote blijdschap zijn. Laat mij u zeggen, wat blijdschap is. De Profeet Zacharia zegt (Hoofdst. 9 : 15): De kinderen Gods „zullen een gedruisch maken als de wijn", — vanwege den troost der vergeving van zonden, — „en zij zullen vervuld worden gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars". Waarvan is het bekken dan vol? en de hoeken des altaars? Van het bloed der offerdieren! O, bedenken wij het: hoe veel bloed is er vergoten, toen het Lam Zijn bloed vergoot aan het hout des kruises? Veel, veel bloed! een eeuwig bloed! om te reinigen en te heiligen!
19 October 1873. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Lukas 15.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1895

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken