Bekijk het origineel

Aanteekening op Hebreen 9: 1—5,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Hebreen 9: 1—5,

Aanteekening op 1 Johannes 3: 15,

6 minuten leestijd

Aanteekening op Hebreen 9: 1—5,

Vers 1. „Zoo had dan wel ook het eerste Verbond rechten van den G o d s d i e n s t , en het wereldl i j k h e i l i g d o m . " Deze „rechten" waren tot het leven slechts dienstig, als men bleef in al hetgeen de Wet zeide. „Het wereldlijk" of uitwendig, aardsch „heiligdom" kan niet blijven staan, waar het gaat naar Hagg. 2 en het slot van Ps. 102.
Vers 2. „Want de t a b e r n a k e l was t o e b e r e i d, n a m e l i j k de eerste, in w e l k e n was de k a n d e l a a r, en de t a f e l , en de t o o n b r o o d e n , w e l k e g e n a a md wordt het h e i l i g e . " Bij den mensch is het licht nieten ook niet het middel om bij het leven bewaard te blijven. Christus is het Licht en het Leven; Hij onderhoudt door Zijn Woord, verlicht door Zijnen Geest.
Vers 3. „Maar achter het tweede v o o r h a n g s el was de t a b e r n a k e l , genaamd het h e i l i g e der h e i l i g e n . " Het eerste voorhangsel hing voor het heilige. Hij spreekt niet van het reukaltaar, omdat hij daarvan naar zijne beteekenis gesproken heeft Hoofdstuk 5:7.
Vers 4. „Hebbende een gouden w i e r o o k v a t , en de ark des Verbonds, alom met goud o v e r d e k t, i n welke was de gouden k r u i k , daar het Manna i n was, en de staf van A i i r o n , die g e b l o e i d had, en de t a f e l e n des V e r b o n d s " — „Het gouden wierookvat'. Ten dage der verzoening stond deze koolpan in het allerheiligste — Dit alles verdoemde den mensch, die het geloof van Christus niet had. I)e mensch mocht met zijn gebed niet komen, kon ook niet bidden. Het wierookvat beteekent het gebed. — De mensch kon het Verbond niet bewaren; eene houten kist moest het doen. De houten kist is Christus' menschheid. „Alom met goud overdekt": bij den mensch was geen goud, d. i. geen geloof, geen Geest, niets van hetgeen de volheid der Godheid uitmaakt. — De mensch kon het niet in gedachtenis houden , dat Christus zijn levensbrood is, en dat hij door Hem het dagelijksch brood heeft, ja al eet de mensch ook het brood der machtigen, toch zegt hij spoedig : „Onze ziel walgt van dit lichte brood". De kruik moest hem dit alles voorhouden, hem voorhouden, dat bij hem murmureering, bij God daarentegen de genadige onderhouding van het lichamelijke en geestelijke leven is. — De staf van Aiiron hield hem zijne rebellie tegen Christus voor, dat hij niet een dorre stok wilde blijven, zijne vrucht niet aan Christus alleen wilde zoeken. (Hos. 1 4 : 9 ) — De tafelen des Verbonds, waarop de tien woorden der Wet stonden, waren met louter koninklijke privilegiën en voorrechten voor den mensch beschreven. De mensch kon zijne eigene voorrechten niet in zijn verstand en op zijn hart bewaren; dat kon alleen steen doen. Voor den geloovige lag daarin de troost, dat Christus, als het ware, steen voor ons heeft willen zijn, om ons een vleeschen hart te verwerven, waarin Zijne geboden en rechten zouden ingeschreven worden, door Gods vinger, d. i. Christus' Geest; en dat in Christus' hart en ingewanden de tien woorden lagen, om ze te vervullen, d. i. den wil Gods te doen, opdat ons de voorrechten mochten toegeëigend worden, naar Ps. 40.
Vers 5. „En boven over deze ark waren de c h e r u b i n e n der h e e r l i j k h e i d , die het verzoendeksel b e s c h a d u w d e n : van welke d i n g e n wij nu van s t u k tot stuk niet z u l l e n zeggen." Waarom waren het geene beelden van verloste zondaren en van engelen, die den troon der genade overschaduwden? Ach, menschen kunnen in weerwil van alle ervaringen de genade niet vasthouden; engelen kunnen het ook niet. De „cherubinen" waren hiëroglyphische beelden, welke voorstellen den Mensch Christus Jesus als Middelaar en Verlosser in Zijne geboorte (aangezicht eens menschen), in Zijn lijden en sterven (aangezicht van een rund), in Zijne opstanding en overwinning (aangezicht van eenen leeuw), in Zijne hemelvaart en Zijn zitten ter Rechterhand Gods (aangezicht van eenen arend).


Aanteekening op 1 Johannes 3: 15,

„Een i e g e l i j k , die z i j n e n broeder h a a t , is een d o o d s l a g e r ; en g i j weet, dat geen d o o d s l a g e r het leven heeft in zich b l i j v e n d e ."
Wanneer het Woord tot iemand gekomen is, het Woord der genade en der waarheid, en hij het aangenomen heeft, dan wordt hij beschouwd als iemand, die eeuwig leven in zich heeft. Doch wanneer zoo iemand in eenen anderen Jesus begint te gelooven, dan Dien naar de leer der Apostelen en Profeten, en dientengevolge met verkeerde leer en wandel de broederen, de eenvoudigen, begint te verlaten en te kwellen, dan is hij een doodslager geworden, en waarvoor hij zich zelf ook moge houden, — het leven, dat hij ontving in het Woord Gods, dat hij eenmaal aannam, dat heeft hij niet in zich blijvende. Integendeel, toen Saul den Amalekiet verschoond had en wederspannig was geworden tegen de bestraffing, week de Geest des Heeren van hem, en een booze geest Gods verschrikte hem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Hebreen 9: 1—5,

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken