Bekijk het origineel

Over de rechrvaardiging door het geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over de rechrvaardiging door het geloof

Overdenking van Psalm 143 : 2. „En ga niet in het gericht met Uwen knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw Aangezicht rechtvaardig zijn."

15 minuten leestijd

Het mag zeker niet overbodig heeten, de leer van de rechtvaardigmaking des zondaars door het geloof eens opzettelijk voor het volk te behandelen. Deze leer toch wordt zelden juist geleerd en tegenwoordig door velen op den achtergrond geschoven voor een aandringen op bekeering en eene heiligmaking, die niet naar de waarheid is, zoodat het schijnt, alsof z i j geene beteekenis had. Het is dan ook geen wonder, dat het volk, dat nog de kerk bezoekt, er geene ooren en geen verstand meer voor heeft. Men wordt er niet bij bepaald, men meent ook, dat de consciëntie daarbij inslaapt. Om maar één bewijs daarvoor te noemen: het zoo schoone Dankgebed na den Doop, dat onze Liturgie heeft, wordt door vele leeraars afgekeurd en niet gelezen, en door het vrome volk grootendeels niet verstaan, omdat het begint met de woorden: „Almachtige, barmhartige God en Vader! wij danken en loven U, dat Gij ons en onzen kinderen, door het bloed van Uwen Zoon Jesus Christus, alle onze zonden vergeven hebt". Men meent, dat de zondaar niet tot bekeoring komt, wanneer hij deze dingen vooraf hoort.
En toch ligt in de juiste voorstelling van de rechtvaardiging de waarachtige en grondige kennis van onze zonde en ellende, zonder welke kennis niemand tot waar berouw en bekeering komt. Hare prediking in den tijd der Hervorming is dan ook . niet voortgekomen uit eene menschelijk leerstellige opvatting, maar uit de ernstige, door den Heiligen Geest gewrochte worsteling tegen de leer van verzoening door eigen werk en genoegdoening. Daarom ligt in deze leer ook eene macht, om te vertroosten al degenen, wier consciëntie in waarheid wakker is, en die door geen menschelijk middel kunnen vertroost worden. „Alleen dit leerstuk teelt de Kerk, voedt haar, bouwt haar op, bewaart en verdedigt haar, en niemand in de Kerk kan recht onderwijzen, of eenen tegenstander met goed gevolg weerstaan, zoo hij zich niet aan dit leerstuk houdt. Deze leer is de voet, welke den kop der slang v e r m o r z e l t " . Z j j wordt gevonden op elke bladzijde der Heilige Schrift en wordt met recht genoemd de hoofdsom en het hart van de leer der zaligheid.


Opdat wij nu tot het ware verstand der rechtvaardiging komen, is het noodig, dat wij eerst weten, wat en hoedanig w i j voor God zijn. Dit wordt ons geleerd o. a. in hetgeen David zegt Ps. 1 4 3 : 2 : „En ga n i e t in h e t g e r i c ht met Uwen k n e c h t : w a n t n i e m a n d , die l e e f t , zal v o o r Uw A a n g e z i c h t r e c h t v a a r d i g z i j n ".
Deze woorden overwegende, werpen wij eerst eenen blik op den geheelen Psalm; bepalen daarna onze aandacht bij het woord: „Want niemand, die leeft, zal voor Uw Aangezicht rechtvaardig zijn"; voorts bij de bede: „Ga niet in het gericht met Uwen knecht"; en staan er ten slotte bij stil, dat wij eenen Zaligmaker moeten hebben, om door Hem van het gericht vrij te worden gesproken.
De 1438te Psalm is een Psalm van David, waarschijnlijk door hem gemaakt ten tijde, toen hij door Saul vervolgd werd ter dood toe. David is zeer beangst, hij bidt den Heere met vele dringende woorden, dat Hij hem hoore en hem verlosse, daar anders zijn geest bezwijkt; hij is overstelpt, zijn hart is verbaasd en hij vreest gelijk te worden aan degenen, die in den kuil nederdalen. „Hij (d. i. de vijand) legt mij", zegt David, „in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn". David roept den Heere aan, want hij is Zijn knecht, hij is 's Heeren eigendom. Do Heere zal toch Zijn eigendom niet laten varen, maar jegens hem rechtvaardigheid, trouw en waarheid bewijzen. „Verhoor mij", zoo bidt hij, „naar Uwe waarheid, naar Uwe gerechtigheid!" Mag hij dat zeggen? Zal de Heere Zijne rechtvaardigheid jegens hem bewijzen, als Hij hem van zijne vijanden redt? Dat is de vraag, die bij David opkomt, daarom gaat hij aldus voort: „En ga n i e t in h et g e r i c h t met U w e n k n e c h t ".
Ook over ons komen dikwijls rampen en nood. 's Heeren volk, degenen, die in Zijnen Naam gelooven en Hem onder een overspelig en vijandig geslacht belijden, moeten hetzelfde lijden doorworstelen als David. Degenen, die godzalighjk willen leven, moeten vervolging lijden. En daar komt dan nog andere nood bij, — vanwege ziekte, sterfgevallen, of armoede, — en ten laatste overvalt ons allen de dood. Inwendige aanvechtingen zijn er ook, vanwege onze zonden en den duivel, die in ons 's Heeren Woord wil uitroeien of verstikken. Yan dit lijden verstaat de wereld zeer weinig. Wie vao den Heere afkeerig is, die heeft ook wel nood en rampen, en kan soms allen moed verliezen en een groot misbaar maken, maar hij is spoedig weder getroost. Bij hem is dit lijden, hetwelk de Godvreezende heeft, dit roepen en schreeuwen tot den Heere niet; hij meent zichzelven te kunnen helpen. Maar bij degenen, die door den Heere geroepen zijn, is het geheel anders, daar is voor en na een sterk geroep tot den Heere. De wereld verstaat van Gods gerechtigheid niets, maar meent, dat de Heere het grootste onrecht doet, als Hij haar met Zijne roede slaat. Degenen, die den Heere vreezen, houden daarentegen bij Hem aan om Zijner waarheid en gerechtigheid wil. Alles wat de Heere doet, erkennen zij voor rechtvaardig. De roede ia gerechtigheid, maar ook 's Heeren verlossing.
Dit kan de duivel niet verdragen. Daarom komt hij en vraagt: „Hoe kunt gij dat beweren? gy zijt toch gansch onrechtvaardig". — Wat hebben wij daarop nu te antwoorden?
Wij hebben den Heere te belijden: „ V o o r Uw A a n g e - z i c h t zal n i e m a n d , d i e 1 e e f t , r e c h t v a a r d i g z i j n ! " — Beschouwen wij dit woord van David, zoo diep door hem gevoeld, met alle aandacht. Moge het ook door ons in zijne aangrijpende macht gevoeld worden.
„Niemand, die leeft", wil zeggen: niemand, die op aarde leeft. Sommigen hebben dit verstaan van het leven in God, alsof David zeggen wilde: Niemand, die tot God bekeerd is, zal voor U rechtvaardig zijn. Door zichzelf in elk geval niet. Maar wij verstaan het woord liever zoo: Wat menseh er op aarde ook leeft, zich in het leven verheugt, en zich verhoovaardigt, zich inbeeldende, dat hij den dood niet zal zien, — hij zal zich bedriegen, want hij zal voor Uw Aangezicht niet rechtvaardig zijn, en dus moeten sterven.
Deze uitspraak is dus eene bekentenis van onze.zonde en onzen afval van God. Ach, wij hebben in Adam het leven gehad, het eeuwige leven, want wij waren rechtvaardig, wij hielden het gebod Gods en eerden Hem in Zijne goedertierenheid; maar wij vielen in de zonde, wij wildon als God zijn en luisterden naar de oude slang, den duivel, die tot ons zeide: „Gij zult niet sterven, maar God weet, dat uwe oogen zullen geopend worden en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad''. Door dit woord lieten wij menschen ons bedriegen en namen van de verboden vrucht en aten. Zoo hebben wij, die naakt waren, maar met gerechtigheid en heiligheid Gods versierd, met hemelsche reinheid, ons sieraad en kleed prijsgegeven, en onze naaktheid is ons tot schande geworden Nu leven wij nog wel, maar allen, die leven, moeten zich voor den Heere God schamen en kunnen deswege den mond niet opendoen. Wij zijn ongehoorzaam jegens Gods gebod, en willen Hem nooit gehoorzamen, nooit doen wat Hij wil; ons binnenste verzet zich tegen Zijn goede gebod, en wij achten het voor kwaad. Zijne wegen keuren wij af en onze wegen keuren wij goed. Wij willen wijzer zijn dan God, en houden ons met werken bezig, die wij voor vroom en goed houden, en toch zijn zij tegen den Heere, want wij willen niet H e m daarmee eeren, maar onszelven. En zegt onze consciëntie, dat 's Heeren gebod goed is, zoo doen wij het toch niet, want o n z e l u st e n b e g e e r t e is d a a r o p n i e t g e r i c h t.
Het zijn dus niet alleen onze uitwendige zonden, die ons tot onrechtvaardigen maken, maar ook onze gezindheid is onrechtvaardigheid. „Het gedichtsel der gedachten van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan " Daarvan juist komt het, dat ons uitwendig doen en drijven niet deugt. De Heere Jesus zegt Mark. 7 : 21 : „Want van binnen uit het hart komen voort: kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand'. Dat zijn de vruchten van al wat vleesch is, d. i. van al wat uit den mensch komt, die den Geest Gods niet heeft En wat moet de Apostel Paulus zeggen van Joden en Heidenen, dat zij doen? „Wij hebben te voren beschuldigd, beide Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn, gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één" (Rom. 3 : 9 en 10).
„Niemand, die leeft, zal voor Gods Aangezicht rechtvaardig zijn!" Zoo wij allen overtreders van Gods geboden zijn, zoo wij tegen Hem en Zijne rijksgeboden ons verzet hebben, ja zoo wij in zonden ontvangen en geboren zijn, — zal de Heere ons in Zijn gericht rechtvaardig kunnen noemen ? Zal Hij iets door de vingers zien, of een oog toedoen, om ons rechtvaardig te spreken, zoo wij het toch niet zijn? N e e n , Zijn oog is rein, en Hij is rechtvaardig in al Zijn doen Alle zonde, die wij hebben of bedrijven, is een gruwel in Zijne heilige oogen En wij kunnen haar niet bedekken, wij kunnen niet zeggen: „Ik heb geene zonde", want de Heere weet alles, er is niets op onze tong of in ons hart, wat Hij niet weet.
Evenwel wil zich menigeen zelf rechtvaardig maken; hij kan zich versieren met allerlei goede werken, met eenen eerbaren wandel, met een eerlijk leven, hij kan bidden, vrome gesprekken voeren, en kan zich zoo bij de menschen eenen grooten naam verwerven van eerlijkheid, van braafheid en vroomheid- Maar ach, als bij voor God komt te staan, dan zal Hij tot hem zeggen: „Waarom hebt gij Mijne getuigenis niet geloofd en als waar erkend, dat gij een overtreder zijt van Mijne geboden, en dat in u niets goeds woont? Gij, die zegt reine handen te hebben, hebt ze vol bloed van onderdrukking, van vijandschap tegen Mijn Woord !" Hoe waren toch de handen van Saul, van Judas, van Achab, van de overpriesters, die den Heere gekruisigd hebben, vol bloed! Of zullen die priester en die Leviet, die den verwonde niet opnamen of verzorgden, rein uitgaan ? Heeft de broeder van den verloren zoon, die zich niet verheugde over hein, geene zonde? Wij kunnen alle goede werken hebben, al het geloof bezitten en bergen verzetten, — als wij echter onzen armen naaste niet liefhebben, zoo zal onze gerechtigheid niet bestaan voor God.
Neen, g e e n m e n s c h , d i e l e e f t , is v o o r G o d s Aang e z i c h t r e c h t v a a r d i g . Dat belijdt David, dat belijdt het volk des lleeren, tot deze overtuiging moet een iegelijk komen, die zalig zal worden. Wij zullen Christus niet vinden, Ilij zal in onze harten niet komen, wij zullen geenen troost en vrede vinden, als wij niet afkomen van dien eigenwaan, alsof wij nog eenige rechtvaardigheid voor God hadden.
Dewijl David gevoelt, dat geen mensch, die leeft, voor God rechtvaardig zijn zal, zoo bidt Hij: „En ga n i e t in h et g e r i c h t m e t U w e n k n e c h t ! " In zijnen mond is dit eene smeekbede, — juist met het oog op zijn lijden en vervolgd-zijn. Hij is zich wel is waar bewust, dat hij geen kwaad tegen Saul gedaan had, dat den koning oorzaak zou geven, als overheid, hem te doodeu ; maar David gevoelt, dat hij v o o r God e e n z o n d a a r is, en indien nu de Heere hem zijne zonden toerekent, en in het gericht met hem gaat, zoo laat Hij hem in de hand des vijands vallen, en zijn geest bezwijkt Daarom bidt hij: „Reken mij toch mijne zonden niet toe. Ik weet het, dat ik een zondaar voor U ben; maar, om Uwe trouw, waarheid en gerechtigheid aan mij te bewijzen, wees mij genadig. En deze trouw bewijst Gij daarin, dat Gij het Woord, tot Uwen knecht gesproken, houdt; want Gij hebt mij uitverkoren, Gij hebt mij gezalfd, ik ben Uw knecht, Uw eigendom, hoewel ik een zondaar ben, en niet verdien vóór U te staan".
Deze bede van David voegt een iegelijk onzer. O, dat allen in hunne harten het gevoelden: dat zij voor Gods Aangezicht niet kunnen rechtvaardig zijn, en dat zij uit hunnen tijdelijken nood en uit de eeuwige benauwdheid niet kunnen verlost worden, tenzij de Heere met hen niet in het gericht ga, d. i. dat de Heere hen niet roepe voor Zijnen Rechterstoel en vrage: „Wat hebt gij gedaan?" maar tot hen aldus spreke: „Ik weet, wat maaksel gij zijt, dat gij stof zijt, dat gij van uwer moeders buik af een overtreder genaamd wordt; maar Ik delg uwe zonden uit om Mijnszelfs wil".
Voorzeker, de nooden, de armoede en ellende dezer aai de zijn zwaar genoog, dat een mensch daaronder kan bezwijken. Hoeveel te meer als hij moet sterven en voor het oordeel Gods gesteld zal worden! „Ach, ga toch niet in het gericht met Uwen knecht, hij is voor U niet rechtvaardig, maar goddeloos. Al die rampen en nooden heeft hij verdiend. Waarheen zal ik echter vlieden voor Uwen toorn, en hoe zal Uwe trouw en waarheid vervuld worden P" — dat is de smeekbede van allen, wien de Heere hunne zoude ontdekt en Zijn Yerbond gegeven heeft. Hunne armoede drijft hen tot den Heere. Maar er zijn er onder ons, die door hunne armoede nog niet tot God ge dreven worden, noch tot Zijn Woord. Onverschilligheid heerseht er in den hoogsten graad O, hoevelen zijn er, die reeds lang niet meer naar den Heere vraagden. De Heere moet met nog scherpere middelen komen, om ons bij onszelven te bepalen. Maar bij wien de Heere aangeklopt heeft, die weet wat zijne schuld en zonde is; en hij is blijde, dat deze woorden in zijnen mond gelegd werden: „Ga niet in het gericht met Uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor Uw Aangezicht rechtvaardig zijn".
Zal deze bede verhoord kunnen worden? Zonder eenen borg die de schuld en zonde op zich neemt, zeker niet. Daarom laat ons nu hierbij stilstaan, d a t wij e e n e n Z a l i g m a k er n o o d i g h e b b e n , 0111 d o o r H e m in h e t g e r i c h t e G o ds t e w o r d e n v r i j g e s p r o k e n.
Wij hebben reeds vernomen, hoe de Heere alle onze zonden voor het licht van Zijn Aanschijn stelt, ook de verborgene, en Zijne gerechtigheid laat het niet toe, dat ééne zonde ongestraft blijve. Daarom moeten wij öf onze straf zelf dragen, öf op eenen ander leggen, die ze dragen kan en die van God daartoe geroepen is, d. i. de Heere Christus — : op Hem heeft de Heere de aartsvaders gewezen en hun het offeren geleerd, en de offeranden van runderen en schapen schaduwden Christus af, den waarachtigen Zaligmaker. Op grond van deze offeranden en dus steunende op den beloofden Zaligmaker (Jes. 53), pleitten de Godvreezende Israëlieten op Gods gerechtigheid; waut G o d is r e c h t v a a r d i g , wanneer Hij om Zijns Zoons wil hunne zonden vergeeft en Zijne belofte, in de offeranden verzegeld, gestand doet.
David ziet ook op dozen Christus^ wanneer hij spreekt: „En ga niet in het gericht met Uwen knecht". Want wij hebben het leven verbeurd, daarom moest Christus Zijn leven in den dood geven als een onschuldig Lam. Zoo betaalt Ilij onze schuld en zonde, en maakt ons vrij van al het oordeel. En wie nu in Hem gelooft, dat Hij dit d o e t , die bidt ook: „Ga niet in het gericht met Uwen knecht!" En zijn gebed wordt verhoord. God de Vader is met Zijnen Christus in het gericht geweest; en van Dezen heet het: „Hij is uit den angst en het gericht weggenomen". — Gelukkig hij, die deel krijgt aan dezen Borg en Zaligmaker, — hij zal het heil Gods zien.


1) Luther aan Brentius, bij Sander: „Jehova Taidkénu", vertaald door Dr. H. F. Kohlbrttgge. 3e Druk. Amsterdam, Scheffer & Co. 1883. Blz. 31.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 januari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Over de rechrvaardiging door het geloof

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 januari 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken