Bekijk het origineel

Het Paaschevangelie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Paaschevangelie.

(Betrachting over Lukas 24: 1 — 11 en 13 — 32.) (1"« Gedeelte.)

20 minuten leestijd

Dit Evangelie gelijkt in zijnen gang veel op eeneu kreupele of verminkte. Men zou aan den morgen der opstanding een lied verwachten, zooals nog nooit was gehoord, begeleid door trommelen en harpen. Maar het gaat alles zeer eenvoudig en stil toe, het doet veeleer aan een kruipen dan aan een loopen denken. Heeft de Heilige Geest dit Evangelie ingegeven? Ja, juist omdat Hij het heeft ingegeven, heeft het zoo weinig voor het oog; maar nu is het ook enkel specerij en zalf voor het door wet en zonde verwonde hart. De vrouwen, die als door en door arme zondaressen den Heiland hebben gevonden in Galilea, het arme-zondaars-land, zijn met Hem opgegaan naar de heilige stad Jerusalem; daar is Hij aan het kruis gehangen, is hun ontnomen en gedood, en nu is Hij dood voor haar; zoo hebben zij dan nu ook geen leven meer. Ja, of wij al met het verstand weten, dat Jesus is opgestaan, het kan ons niet baten; Hij moet ook in ons geboren worden, moet in ons opgestaan zijn, en wij met Hem. Maar dit met Hem opstaan gaat heel anders toe, dan wij het ons hebben voorgesteld. Wij denken, als wij den Heiland hebben gevonden, dat het met ons moet gaan van licht tot licht, van kracht tot kracht, van deugd tot deugd, van heiligheid tot heiligheid; geeft de Heere ons geene liefelijke, troostvolle woorden en beloften ? die moeten toch komen en vervuld worden! Wij denken: „De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt" (Hoogl. 2 : 12); maar als de Heere wil oogsten, kan Hij het evengoed doen in den winter als in den zomer. In plaats van al de verwachte heerlijkheid komt er nacht, ellende, het gaat ten onderste boven. Hebt gij den Heere Jesus gevonden in waarheid, en zijt gij door Hem getroost, zie tue, of gij Hem kunt vasthouden, of gij tot zoo groote heiligheid kunt geraken ! De Geest Gods wil u ongetwijfeld heiligen, maar het gaat door dood, duisternis en nacht heen. Alle menschen kunnen gelooven. dat Jesus is opgestaan, alleen zij niet, bij wie het zaak des harten is, voor wie Hij in waarheid is opgestaan.
Zoo was het bij deze Galileesche vrouwen „Op d e n e e r s t en d a g d e r w e e k " , des Zondags, „ z e e r v r o e g i n d e n morg e n s t o n d , g i n g e n z i j n a a r h e t g r a f " ( V s . 1). Het waren geloovige vrouwen; zij bekommeren zich niet om tijd en uur, niet om de donkere grafspelonk, zij moeten er been, zij moeten Jesus hebben; zij willen Hem nog de laatste eer bewijzen, den dooden Jesus, nu zij den levenden niet meer kunnen dienen. Zoo gaat het in ons leven ook. Wat komt uit het hart des menschen voort ? Onverstand, ook uit bet hart van den geloovige, en nochtans, op den bodem van zijn hart vindt men het geloof — Bedroefd en treurig waren de vrouwen; zij hadden geenen Heiland meer, zij gaan naar Zijn graf; dood of levend, daar kunnen zij niet naar vragen, als zij maar bij Jesus zijn, Die haar als een doode Heiland toch niet helpen kan. Zoo is hier onverstand, en toch daarin geloof; onverstand, en nochtans liefde, die naar niets vraagt! Hoe kan ik Jesus vinden, als Hij voor mij dood is? in het Woord? maar ook daar is Hij mij begraven, is Hij voor mij dood, ook daarin vind ik geen leven voor mij! Doch dat doet niets ter zake! Als ik van harte bedroefd en zeer bekommerd ben, dan kan ik niet zoeken, waar niet dan de duivel regeert, maar ik ga tot het Woord henen; daar heb ik Hem eenmaal levend gezien en gevonden, en al is Hij voor het oogenblik ook voor mij dood, ik ga er toch heen. — Zij gingen zeer vroeg heen; dat deed de liefde, die drijft steeds tot daden en houdt zoo Gods gebod, — zooals altijd, wanneer men klaagt, dat men het niet houdt Maar of ik ook Gods geboden bewaar, ik ben toch een arm zondaar, een arm schepsel, ik heb zoo vele zonden ! wat kan ik vragen naar werken, ik moet vergeving van zonden hebben, ik moet Jesus hebben, Hij zij dood of levend. Maar leven, ja, daar is geen denken meer aan! Als Jesus voor de ziel dood is, komen alle mogelijke dingen in het hart, slechts het leven niet. Is er dan geene hoop ? Ja, diep in het hart, op den bodem des harten, is nog wel hoop, maar daarvan kan de mensch geen gebruik maken in de droefheid zijns harten. Wie houdt dan vast? God, de Almachtige, houdt mij vast, opdat ik niet omkome, niet door den duivel verslonden worde. Hij, Die ons gekend heeft van moeders buik aan. Hij houdt ons \ast, opdat wij doen, zooals de vrouwen. „ Z i j g i n g e n n a a r h e t g r a f , d r a g e n d e de s p e c e r i j e n , d i e z i j b e r e i d h a d d e n " , eenen zwaren last. Wat wilden zij daarmee? Zij hadden ze bereid, om het lichaam des Heeren te zalven en het zoo lang mogelijk voor ontbinding te bewaren. Zoo houdt God, alö de mensch in zijnen dood vertwijfelt, hem nochtans staande in zijn ambt en beroep Wij bereiden in onzen nood ook allerlei zalven en specerijen en goede werken Zeg tot zulk eene bekommerde ziel: „Keer terug tot de wereld!" — zij kan het niet, zij moet bij het graf, bij haren dooden Jesus blijven zitten, zij moet haren Heiland eeren, en toch is Hij dood. Zij laat zich daarvan echter niet afhouden, zij bereidt bare specerijen, weegt geld uit voor hetgeen geen brood is, en haren arbeid vour hetgeen niet verzadigen kan (Jes 55 : 2). De vrouwen konden immers met hare specerijen niets uitrichten, zij konden toch den dooden Jesus niet weêr levend maken, en wat hielp haar de doode? Ja, dat kunt gij haar lang voorpraten, zij kunnen toch haren dooden Jesus niet zoo laten liggen, zij moeten bij Hem zijn en blijven. Het ging haar als Ruth, toen Naomi tot haar zeide: „Ik ben arm, ellendig en bedroefd, ik ben verstorven, ik kan u geenen man meer geven, daar valt niet meer aan te denken! keer gij weder naar het rijke land der Moabieten, daar zult gij eenen man vinden". Maar Ruth keerde niet weder, zij wilde met Naomi naar Bethlehem, naar het broodhuis. — „Ja, maar daar is geen brood voor u ! " — „Ook goed, als ik daar dan maar sterven kan."
Hadden die Galileesche vrouwen dan in hare jeugd niets op de catechisatie geleerd? — O zeker! Zij wisten evengoed als wij, dat Christus zou opstaan; immers hebben ook zij den Igiicn p s a ) m gelezen en hooien uitleggen; zij wisten, dat i n de Psalmen en Profeten van Christus' lijden, sterven en opstanding voorzegd was. Maar als zij het dan wisten, waarom dachten zij er dan niet aan? Ja, sla gij op, als gij in nood zijt, en herinner u hetgeen gij geleerd hebt, zoo gij kunt, als uw Jesus voor u dood is. Wat nut u de opstanding van Jesus Christus ? Hebt gij niet ook geleerd, hoe het met de Gemeente van Christus gaat? dat daar komt: een dag en uur van nood en dood. en ten tweede: een dag en uur van verzinken, zonder uitzicht op verlossing, en daarna, ja dan . . . ., ach, de nacht duurt zoo lang! maar de derde dag komt, het uur der opstanding, en dit uur is zeer vroeg. Dat weet gij, dat hebt gij geleerd, maar hoe gaat het u intusschen ? Kunt gij het in den nood altijd opslaan en het u berinneren ? God onderhoudt het loven, de Catechismus kan het niet. Het is wel is waar niet goed, dat wij dood zijn en onszelven niet kunnen helpen, maar het is nu eenmaal zoo. Anderen kunnen wij het prediken, maar het op onszelven toepassen, kunnen wij niet. Tot anderen kunnen wij het zeggen: „Het leven is een dood", en als wij voortdurend met den dood te worstelen hebben, dan denken wij: De dood zal ons ten laatste toch nog verslinden, en er is niemand, die ons uit den kuil zal redden, — en zoo gaan wij dan ook van droefheid vervuld met zalven en specerijen naar het graf. Wonderbaar leven des geloofs! Er is niets dan dood en zonde, en toch doet men nog al het mogelijke, om den Heere te eeren en te dienen.
De Heere bad het den vrouwen Zelf gezegd, met Zijnen eigen mond herhaaldelijk gezegd, — en Hij zegt het nog al Zijnen kinderen, dat Hij op zal staan ook voor hen, dat ook zij uit nood en dood verlost zullen worden en tot het leven zullen komen. Wij zijn nauwelijks uit de stad des verderfs ontkomen, of de Heere belooft ons niets dan heerlijkheid, — maar! maar! wij vinden geene heerlijkheid. Nood is er, z o n d e i s e r !— waar is Hij, de Heere? Zoolang wij den eeuwigen Sabbat niet in dit leven zijn begonnen, bereiden wij specerijen, wegen wij geld uit voor hetgeen geen brood is, on onzen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. Als" wij dan zoo bekommerd zijn, en treurig het hoofd laten hangen, omdat wij niets zien dan nood, moeten wij dan gelooven? in geloove zeggen: „Ik zal verlost worden uit nood en dood! ik zal koninklijk geholpen worden !" ? — Acli, al doe ik het ook, al grijp ik moed en koester hoop, — een enkel woord, een onbeduidend ding komt mij in den weg, en alle hoop is verdwenen, en ik denk in den dood te zullen blijven. Daarom is het een liefelijk, vertroostend Evangelie, dat ons zoo onzen toestand blootlegt, ons zegt, hoe wij doen tot op den huidigen dag, opdat wij Hem loven en danken, dewijl Hij ons er getrouwelijk doorhelpt. Dat de Heere is opgestaan, is waar, en dat weten wij zeker, maar wij moeten ook weten, wat wij doen, terwijl de Heere is opgestaan. Daar komen de Trouwen aan met hare specerijen, door nacht en nevel heen. Dat niemand de aangevochtene zielen hindere, niemand haar store of uitschelde, als zij de specerijen bereiden, — men helpe haar eerder dragen; want morgen doet gij evenzoo. Of wat droegt gij gisteren, wat zult gij morgen dragen ? wat draagt gij heden ? wat zult gij dragen een uur na de prediking? — ach, enkel specerijen en zalf, om den dooden Heiland te versieren. Zoo doet gij, als gij een kind Gods zijt, als gij dat levend geloof bezit. Dan kunt gij geene sluitredenen maken, niet zoo stilletjes gaan zitten en denken: Na dezen tijd komt een andere Neen, de kinderen Gods hebben een vleeschen hart, en dat is zeer gevoelig, een kleine doorn wordt tot eenen pijl, die het diep verwondt; het is zeer week, het geringste kan niet gebeuren, of het ligt dood, het heeft geenen moed meer, om tot God te roepen, het kan met het gebed niets meer beginnen en uitrichten. Zoo zijn allen, die in waarheid en van ganscher harte aan hunnen Heiland hangen, zij dragen specerijen en gaan naar het graf, hoewel Hij dood is, en maken zich vroeg op; maar de Heere is hun voor, Hij is reeds opgestaan, Hij was liet licht der zon voor; Hij wacht niet op ons geloof, op ons roepen, op onze gebeden; Hij heeft alles klaargemaakt, Hij kan het in het graf niet uithouden, Hij bleef er niet langer in, dan Hij moest. Hij neemt den dood nog eens in de armen en drukt hem dood, Hij verlaat het graf, bekommert Zich niet om den zwaren steen, Hij laat Zich niet vasthouden, maar verbreekt de zware grendels. Het arme volk zit daar en weent en is bedroefd, denkende, dat het met alles, alles gedaan is, en inmiddels is alle heil reeds bereid; het denkt, dat het des doods is, en het is al lang uit dit graf. De steen is van het graf af, een engel van boven, uit den hemel, heeft hem afgewenteld; omdat de Heere niet meer in het graf lag, moest de steen er ook niet meer op liggen, de engel ging er op zitten als op een zegeteeken.
De vrouwen komen dus tot het graf; de steen is weg. „ Z ij v o n d e n den s t e e n a f g e w e n t e l d van het graf" (Vs 2). Nu komt de nood nog eerst aan. Wat zij moesten beschouwen als een bewijs van Zijne opstanding, is haar daarentegen eene aanleiding om nog meer te klagen en te weenen. Wie heeft den steen afgewenteld ? — O, hadden wij toch een hart, om dankbaar te zijn voor de steenen, die God de Heere voor ons heeft afgewenteld; om te begrijpen en te gelooven: de steen is van het graf af. Maar neen, dat juist is het, wat ons nog meer bekommerd maakt. — Zi] hadden, toen zij van huis gingen, in 't geheel niet aan den steen gedacht; wij denken ook aan niets, vóór wij op weg zijn. En terwijl zij nu zoo bedroefd heengaan, fluistert zoo'n zwarte vogel onderweg een van de vrouwen in : „Gij dwaze vrouwen, wat wilt gij doen? er ligt immers een Btesn op het graf, gij kunt er niet in komen, gij kunt niets met uwe specerijen beginnen!" en als de duivel dit een hunner toefluistert, zegt deze het aan de anderen, en — „ach, die zware steen!" zuchten zij. Op het hart hebben zij ook eenen steen, die is nog zwaarder dan die op het graf; want dezen steen kunnen de engelen afwentelen, maar die op het hart ligt, niet. En als nu de oogen zien, dat de steen van het graf is afgewenteld, wordt de steen opliet hart tweemaal zoo zwaar; en als de Heere hem niet afwentelt, blijft hij liggen. Of wie heeft tot dusver al de zware steenen van ons hart afgewenteld ? wij? met onze wijsheid en kracht? Neen! onze Heere God, de trouwe Helper, Die nooit laat varen de werken Zijner handen, en Die weet, hoe zwak wij zijn.
De weg is dus geopend, om met de oogen te zien en met de handen te tasten, dat de verlossing er is, eene volkomene verlossing, zoodat alle roeischuiten op de rivier Gods verbrand en vernietigd zijn (Jes. 33 : 21) en alle Filistijnen door Simson ter aarde geworpen en bedolven onder de puinhoopen van den afgodstempel (Richt. 16 : 30). Alle zonde en nood is weg, eene volkomene betaling van de gansche schuld is geschied; het graf is leèg, er is niets meer in dan de doeken, het witte linnen, — beeld der onschuld, — niets dan de kwitantie, dat alles betaald is.
De vrouwen gaan dus het graf binnen, maar vinden niet, wat zij zochten —: „ i n g e g a a n z i j n d e , v o n d e n z i j het l i c h a a m van den H e e r e J e s u s n i e t " Vs 3). Zijn lichaam wilden zij hebben, om het te zalven. Maar Gods wegen zijn niet onze wegen, en Zijne gedachten niet onze gedachten; het gaat altijd anders, dan wij dachten, en al onze zalven en specerijen beteekenen niets. Doch dat staat ons niet aan; als het niet precies zoo is, als wij het ons hebben voorgesteld, dan achten wij het voor niets, het moet gebeuren, zooals wij dachten Maar de Heere Jesus is opgestaan; laat Hem toch zorgen, Hij zal het wel maken! Denkt gij, dat Hij eenen klauw van Zijne kudde zal verloren laten gaan? Denkt gij, dat Hij het der wereld zal gewonnen geven? Maar dat kan ons niet schelen! wij willen onze specerijen brengen, onze zalven en werken! — Zij vonden echter het lichaam niet; dat was wel naar, nu hielp het toch niets, dat zij naar het graf gegaan waren. Maar als zij gevonden hadden, wat zij zochten, wat hadden zij dan gehad ? — een oogenblik verlichting van hare smart, van hare droefheid, om daarna levenslang te treuren en niets te hebben. Maar zoo doet het menschelijk hart, het moet gestooten en gedrongen worden, anders komt hot niet terecht; het moet eerst zijn geld hebben uitgegeven voor hetgeen geen brood is, en zijnen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan; dan eerst gaat het tot de wezenlijke spijze. Als wandgedierte en andere afschuwelijke dingen iemand uit een goed en mooi huis drijven, dan gaat hij er uit tegen wil en dank, en ten laatste is hij dan nog blij, als hij eene plaats vindt in een nederig huisje. Eerst na langen tijd de genade te hebben veracht, leert men van genade te leven. Men komt niet tot den levenden Heiland, als men zich niet eerst met den dooden heeft afgetobd, als men niet eerst specerijen heeft gekocht, om Hem te zalven. Eerst dan leert men het woord des Heeren verstaan: „Mij hebt gij geenen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden".
Merkwaardige woorden toch! In het vorige Hoofdstuk, Vers 52, wordt gesproken van „het lichaam van J e s u s " , en hier staat: „het lichaam van den H e e r e J e s u s " . Zoo vangt de Heere de bekommerden in hunne eigene woorden. Was Hij dan niet werkelijk dood, was het niet uit met Zijne hulp? waarom noemt gij Hem dan Heere ? Wie heeft u dat geleerd ? Als Jesus werkelijk de Heere is, dan zou ik wel eens willen weten, of Ilij zal los laten, wat Hij vrijgekocht heeft met Zijn eigen bloed, of dan de dood sterker is dan Hij, de Heere! Als Ilij de Heere is, dan moet Ilij immers leven. Dat is het wonderbare geloof in het hart der geloovigen. Datzelfde zegt gij ook in denzelfden toestand, in dezelfde stemming. Hoe vaak noemt gij Jesus eenen Heere! Maar dat kan men wel zoo zeggen en toch in benauwdheden weêr lier- en derwaarts loopen, terwijl men meent, dat het kwaad al grooter en erger wordt, en de steen zwaar, o zoo zwaar op hot harte ligt. Indien Hij toch de Heere is, waarom vreest gij dan P — Waarom heeft de Heilige Geest dit woord laten opschrijven? Tot troost voor ons hart, zoodat, al zien wij niets van den Heere, wij nochtans gelooven en vasthouden, dat Ilij de Heere is, en niet in den dood kan blijven.
„En het g e s c h i e d d e , als zij d a a r o v e r t w i j f e l - m o e d i g w a r e n " , . . . (Ys. 4). De vrouwen waren er over bekommerd, dat zij den Heere niet vonden. Als ik maar een spoor van den Heere vind, denken wij, hetzij levend of dood, dan ben ik genezen; maar nu vind ik niets! Ja, waar gij zoekt, daar vindt gij natuurlijk niets; wat gij zoekt, dat zult gij ook niet vinden; wat gij n i e t zoekt, dat zal gevonden worden, en wat gij zóó vindt, dat zal u zeer verblijden, daarin zult gij het leven en alle heerlijkheid hebben. Maar nu is er droefenis, omdat wij niet vinden^, wat wij zochten. Dat wist de Heere Jesus wel, daarom plaatste Ilij de engelen bij het graf, om de vrouwen op te beuren en terecht te wijzen. „ Z i e t , twee m a n n e n s t o n d e n bij h a a r in b l i n k e n d e k l e e d er en." De engelen waren in hun hart zoo vol blijdschap, omdat de Heere was opgestaan, dat zij blonken en schitterden en de glans door de kleederen heen drong. Was dan de Heere soms ook voor hen opgestaan ? Neen! maar de engelen staan altijd gereed voor het Aangezicht des Vaders ten dienste der uitverkorenen, en bij ben is altijd groote blijdschap over iederen zondaar, die zich bekeert, over ieder verloren schaap, dat gevonden wordt, meer dan over de negen en negentig, die de bekeering niet van noode hebben. De engelen zijn de speellieden van den Heere God, om eeuwig te spelen en te zingen, oin Zijnen raad der zaligheid te verheerlijken, dien Hij heeft volvoerd door Christus Jesus en volvoerd in de Gemeente. Nu waren zij zoo verblijd, omdat er gerechtigheid is voor alle uitverkorenen, omdat de dood overwonnen is, omdat alles in orde gebracht, de kwitantie geteekend en eeuwig leven aan het licht gebracht is; daarover waren zij zoo blij, o zoo blij! Daaruit kan men zien, hoe het in den hemel is voor het volk des Heeren.
Doch toen de vrouwen zoo bij het graf kwamen en de engelen in hunne blinkende kleederen op haar toetraden, waren zij ten prooi aan nieuwe verlegenheid; „zij w e r d e n zeer bev r e e s d , en n e i g d e n het a a n g e z i c h t n a a r de a a r d e" (Vs. 5). Ach, wij menschen zijn en blijven vleesch en kunnen de genade niet verdragen. Al dorsten en verlangen wij er ook naar, — als zij komt, is zij ons te machtig. Is de hel ons te eng en te benauwd, de hemel is voor de arme ziel weêr te heerlijk. Dat is den kinderen Gods zoo eigen. Dat komt echter van de zonde, dat, hoewel er genade gepredikt wordt, wij haar tooli niet kunnen gelooven. Slechts voor en na is het zoo bij den menscli, dat hij doet wat de engelen zeggen: „Wat z o e k t gij den L e v e n d e b i j de d o o d e n ? " — dat zij den Ileere zochten, was goed, maar zij zochten Hem niet op de rechte plaats. De Heere was niet meer hier, de Heere was opgestaan ; bij de dooden is Hij niet, neen, Hij leeft. Dat is een heerlijk Evangelie, dat de engelen hier aan de vrouwen verkondigen. Het ging haar als Jakob, die twee en twintig jaren lang zijnen zoon Jozef dood gewaand en betreurd had; terwijl hij dacht, dat zijne grauwe haren met droefenis ten grave moesten dalen, komt daar vroeg in den morgenstond een bode met eene boodschap uit den mond van zijnen eigen zoon: hij leeft!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Het Paaschevangelie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 april 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken