Bekijk het origineel

Betrachting over Job 33 : 15— 30. (lste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Job 33 : 15— 30. (lste Gedeelte.)

9 minuten leestijd

Wij allen weten, dat Cbristua Jesus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken; ook belijden wij, dat wij zondaren zijn; maar hoe wij eigenlijk zondaren zijn, dat wordt toch niet zoo gemakkelijk geleerd. Als het Evangelie gepredikt wordt, kan men het hooien en er zich over verblijden, en nochtans in zijn hart dood zijn. Wij kunnen meenen zeer evangelisch te zijn, en ons tocli met ons gansehe wezen onder de wet bevinden, zoodat wij denken: O wee, als ik niet dit of dat gedaan heb, zal God mij straffen. Zoo wil men zich dan trouw houden aan zijnen God en Diens Woord, maar begrijpt niet, dat men op zichzelven stroo is, en als de begeerte komt, ia zij als een vonkje, dat alles in vlammen zet. Wij hebben er geen begrip van, hoe de lust tot het vergankelijke in ons woont, en dat juist deze begeerte veel machtiger in ons is dan onze voornemens. De mensch heeft een Evangelie gehoord, maar hij is een speelbal van zijne begeerte, en deze stort hem in 't verderf, als God Zich niet over hem ontfermt. Het hart, dat moet veranderd worden; aan den mensch moet vervuld worden het woord Gods: „Ik zal het steenen hart uit u wegnemen, en Ik zal u een vleeschen hart geven"; het moet bij ons waar worden, wat de Heere gezegd heeft: „Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien", niet kennen. Ik weet, dat de Heere in Zijne genade allerlei wegen en middelen heeft, om den een zus, den ander zoo te helpen, dat de Heere God bij verscheidenen reeds in de prilste jeugd aan het hart werkt; de kenteekenen daarvan zijn, dat de mensch bij alle verkeerdheid zich toch voortdurend buigt onder datgene, wat recht en gerechtigheid is, onder Guds Wet. Maar wat dood is, dat is dood, en daar komt de Heere God óók gewoonlijk reeds in de jeugd aankloppen. Enkelen zijn er, die nog ter elfder ure den penning vinden. Maar hoe het zij, dit moet men toch weten, dat men is overgegaan uit de duisternis in het licht en uit de macht des Satans in de handen Gods; en het Evangelie predikt niet alleen geloof, maar ook bekeering, waarbij het hart des menschen verbroken wordt.
I k leg nadruk op het laatste, want er zijn allerlei bekeeringen, bijv. als de wereld zich met den mensch bekeert, maar de duivel in het hart blijft zitten, als de mensch smaak krijgt in godsdienstige zaken; waar echter de waarachtige bekeering is, daar grijpt het dieper in, daar komt een verbroken hart, daar is de mensch geknakt als eene bloem, die sierlijk pronkte in den tuin, — de stengel werd geknakt, en de bloem is verwelkt. Dat er van nu aan een leven zij uit genade en van genade, daartoe heeft de Heere allerlei wegen en middelen, en Hij verstaat het, den mensch terecht te brengen. Een van deze wegen, die niet zeldzaam is, vinden wij in Job 33 : 15—30.
Wij hebben hier wel is waar vóór ons de woorden van eenen Bileam, want dat was Elihu, maar toch wederom woorden Gods, woorden, om meê te nemen op onzen weg, woorden, die men wel ter harte mag nemen, woorden, waarbij men zichzelven rekenschap moet geven en vragen : Hoe staat het met mij ?
Job leefde onder de Arabieren, en daar had men Gods Woord niet; de wijzen wisten er wel iets van, maar de overigen niet. God echter is God over de geheele wereld; en al heeft iemand ook reeds vroeg in het onderwijs Gods Woord ontvangen, hij heeft er toch niets aan, zoolang het niet is overgegaan in zijn merg en bloed. — De wegen, die God heeft, zijn alle naar Zijnen eeuwigen raad; en om bij den mensch aan te kloppen, gebruikt Hij ook wel eens eenen droom; want het is zeker, al slaapt het lichaam, de ziel slaapt daarom toch niet, en er gaat veel in de ziel om, wat een ander niet gewaar wordt; maar God ziet in de ziel en in het hart. Niet dat wij daarom op droomen moeten letten; maar als God ons eenen droom geeft, dan geeft Hij ons dien, om ons te waarschuwen. Koning Abinielech had vele vrouwen, maar toch had hij niet genoeg, want hij was vol kwade begeerte. Daar komt nu op zekeren dag weèr eene schoone vrouw, Saraï, die wil hij ook hebben. Maar daarbij wil hij toch vroom zijn, en als God tot hem komt in den droom, dan verontschuldigt hij zich met te zeggen, dat hij het in oprechtheid des harten gedaan heeft, terwijl hij toch wel had kunnen weten, dat God in den beginne éénen man en ééne vrouw schiep, en dat het Zijn wil was, dat die twee één vleesch zouden zijn. Nu, Gud laat hem zijne vroomheid, maar zegt: „Ik heb u belet, van tegen Mij te zondigen".
Zoo heeft God allerlei middelen en wegen. Om der zonden wil komt Hij en legt op de meuschen allerlei krankheden, waarin Hij als het ware aan het hart des menschen aanklopt. Als God wil en Hij den mensch genadig is, dan laat Hij hem uitwendig vermageren; want de zonde verteert den mensch, zij is zijn verderf naar ziel en lichaam; al is hij vandaag gezond, hij kan toch morgen ziek worden. En als God wil, dan is het uit met zijn geloof, dan ontvalt hem alle genade, en alles wijkt van hem, zoodat hij niets meer heeft, hij kan zijne beenderen we! tellen, wordt als een arm dier, en ligt voor God terneêr als een monster. — O, als God vrede wil brengen, den waren vrede, dan ontneemt Hij den mensch den valschen vrede; als Hij 's menschen Toeverlaat wil zijn, dan ontneemt Hij hem eiken anderen toeverlaat, ook het vertrouwen op zijne gezondheid; als Hij 's menschen hoogste Goed wil zijn, dan wil Hij het ook alléén zijn; want God is ijverig in Zijne liefde, Hij wil het hart des menschen geheel hebben, opdat de mensch des te beter geniete, wat God hem in dit leven geeft, en er zich niet meê verderve.
De mensch heeft zijn werk, zijn voornemen, totdat God hem aan Zich onderwerpt, zoodat hij geenen wil meer heeft en van God moet afhangen; en dit werk van den mensch is boos, al is het ook goed. God wil den mensch afkeeren van zijn werk, hetzij kwaad of goed, opdat Gods werk, wil en gebod in hem beginne te leven. De mensch is vol hoovaardij, alles moet zijn werk en bestel zijn; wat hij niet zelf heeft tot stand gebracht, daar wil hjj ook niet de hand aan houden, dat laat hij gaan, zooals het gaat Een hoogmoedig dier is de mensch : altijd wil hij met zijn doen wat beteekenen, altijd wat wezen, de een zoowel als de ander. God de Heere nu wederstaat de hoovaardigen maar den nederigen geeft hij genade (Jak. 9: 6). I)e hoogmoed was hot, die maakte, dat Saul eindelijk voor David moest vallen; God komt en wil den mensch afbrengen van zijn werk, van zijne booze werken, van de zonde, en ook van zijne goede werken, — wat namelijk de mensch goed noemt, — opdat de mensch zich op zijne goede werken niet verheft'e. God komt en klopt bij den mensch aan, opdat hij zich afkeere van de hoovaardij. Algemeen zetelt deze hoovaardij in den mensch; trotsch loopt hij daarheen en meent, dat hij wat is in de wereld, totdat God komt en den aardbodem aanraakt, zooals Hij nog onlangs in eene groote stad deed, zoodat de aarde schudt en beeft, en al het volk roept: „Misericordia! misericord i a ! " -- daar ligt de trotsche man. God kan geenen hoogmoed dulden. Hij Zelf is niet hoogmoedig, maar rijdt als Koning op een ezelsveulen ons te gemoet. Hij hangt als een vloek aan het kruis, Hij verbergt Zijn heilig Aangezicht niet voor smaadheid en speeksel, Hij wil worden en is geworden als een worm, die in het stof kruipt. Hij heeft de engelen, die in Zijnen heiligen hemel in heerlijkheid waren geschapen, uit den hemel geworpen, toen zij zich in hoogmoed en hoovaardij verhieven. Er is geen hoogmoediger wezen dan een mensch, al is hij ook tienmaal meer begenadigd dan anderen, zoo God de Ileere niet komt en hem in het stof buigt en in den drek stoot, dan komt telken« weer do hoogmoed boven, die zegt: „Wat? word ik niet als oen bokeerde erkendP
Zoo komt God cn klopt bjj don mensoh aan, om h e m af to w o n d e n van z i j n w e r k , en van don man do lioov a a r d i j to v e r b e r g e n (Vh. 18). Maar als God begint aan te kloppen, dan wordt de menseh mager; als God hem begint t,o bekeeren, en hem hIIbb stuk slaat, dan laat de menseh het hoofd hangen. God komt op allerlei manieren. Ilij werpt den menseh op het ziekbed en ontneemt hem alles. Hij maakt, dat hij aangetast wordt in zijn zedelijk gevool, zoodat hij vernietigd wordt, en verbroken neerligt voor hot Aangezicht Gods en belijdt: „O God, wat bon ik toch voor een menseh!" leder woet wel moer of minder, wat hij is, en wie het vandaag niet weet, die weet het morgen. Ach, er gaat wat in het hart eens mensehen om! er komt wat in hot hart eens menschon op! zijn het engelen des homels P of duivelen Pof zwijnen? Een ieder steke de hand in zijnen boezem!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Job 33 : 15— 30. (lste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken