Bekijk het origineel

Uit de geschiedenis van de regering der hertogen, graven en bisschoppen. (922-1581)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de geschiedenis van de regering der hertogen, graven en bisschoppen. (922-1581)

29. Het begin van den Tachtig jarigen oorlog. De slag bij Heiligerlee'. (1568.)

8 minuten leestijd

Onbeschrijfelijk was de schrik en de verslagenheid in den lande, toen Alva met zijnen Bloedraad aan het werk toog en naar willekeur over lijf en goed van de Nederlanders beschikte. Niemand waagde het, in het openbaar ook maar een woord ten nadeele van den gevreesden Hertog en zijnen Raad te zeggen, veel minder nog hem te weerstreven. Als lammeren lieten hoog en laag, oud en j o n g zich ter slachtbank leiden, en niemand testond het, voor de ongelukkigen op te komen. En waar men nog den moed had een verzoek tot matiging te doen, daar was het grimmig bescheid van Alva voldoende, om den mond te snoeren.
Alleen van eenen enkelen kant ondervond de wreedaard verzet. Een hoop volks had zich, toen het te laat was, om over de grenzen te komen, in de bosschen verscholen, en leefde nu van roof, gepaard met moord en brandstichting, gepleegd aan Spanjaarden, priesters, kloosterlingen en kloosters. Zij werden B o s c h g e u z e n of W i l d e G e u z e n genoemd en waren de schrik van vriend en vijand. Doch veel van hetgeen hun ten laste werd gelegd, komt voor r e k e n i n g van misdadigers en allerlei gespuis, dat zich bij hen aansloot, om, gedekt door den naam Geus. zonder vrees voor vervolging door de r e c h t b a n k e n de snoodste wandaden te k u n n e n bedrijven.
Alva gaf iedereen de vrijheid om de Boschgeuzen, waar men ze vond, terstond te dooden, en liet ook de gewapende macht tegen hen u i t r u k k e n ; en dat hielp, althans voor eenen tijd.
Als men echter de Boschgeuzen, van wie Alva weinig te duchten had, uitzondert, dan kan men veilig zeggen, dat het garische land aan de voeten van den bloedhond lag. Welk een toestand!
O, hoe vurig werd door de verdrukten naar verlossing verl a n g d ! Maar wie zou helpen, daar iedereen door den algemeenen schrik als verlamd was? Het vertrapte volk herinnerde zich echter den edelen Willem van Oranje. De Hervormden wisten het, hoezeer het hem ter harte ging, dat zij oin des geloof» wil lijf en goed moesten verbeuren. Op hem was dan naast God het oog geslagen. Yan verschillende kanten ontving hij het dringend verzoek om het hard gedrukte volk te hulp te komen.
En do Prins? •— God had hem eindelijk het volle licht doen opgaan, zoodat hij nu broederen noemde, die hij te voren met een medelijdend schouderophalen als dwalende menschen had aangezien. Hoe griefde hem daarom het leed, dat zoovele weerlooze schapen van Christus trof. Maar zou hij gehoor geven aan de roepstem, die tot hem kwam ? Was het geen ijdel en dwaas voornemen, met zoo weinig middelen als hem ten dienste stonden, eenen vijand als Alva te gaan bestrijden, achter wien immers het machtige Spanje stond? Waarlijk, om voordeel voor zichzelven behoefde de Prins zulk eenen strijd niet aan te binden. Doch dat was zijn doel ook niet. Hij zag op den nood der verdrukten en op God, den Almachtige, en Diens Woord, en daarom moest alle bedenking wijken.
Kon Oranje naar het zwaard grijpen, zonder een opstandeling te zijn ? Gewis, want hij was souverein vorst, en onderdaan van Koning Filips was hij niet. Bovendien deed hij niet den Koning, maar Alva den krijg aan. Aan afval van den Koning of aan afzwering was bij hem volstrekt geene gedachte. De strijd werd aanvaard ter verkrijging van de vrijheid om God naar Zijn Woord te eeren en ter verdrijving van eenen tiran, die het land bestuurde in strijd met de eeden, die Filips bij de aanvaarding van het bewind had afgelegd. Nog altijd hoopte hij den Koning tot betere inzichten te brengen.
In de mogendheid des Heeren Ileeren gordde Oranje dan als een tweede Gideon het zwaard aan. Dewijl zijne goederen in de Nederlanden verbeurdverklaard waren, verkocht hij, de edele Prins, zijne kleinodiën en kostbaar huisraad, om voor de opbrengst soldaten aan te werven. Edel was ook de opoffering van zijne broeders Jan (of Johan, bijgenaamd de Oude) en Lodewijk van Nassau, die hunne goederen verpandden of te gelde maakten, om maar de Nederlanders te helpen. Lodewijk reisde bovendien bij de Duitsche hoven en in Frankrijk rond, om gaven in te zamelen. Ook werd uit de Nederlanden door bemiddeling van Pieter Adriaanszoon van der Werff, later burgemeester van Leiden, heimelijk ondersteuning gezonden en nog meer toegezegd, terwijl de uitgewekenen almede liet hunne bijdroegen.
Zoo kreeg Prins Willem in het jaar 1568 een leger op de been. Het plan was, met kleine legerafdeelingen op
Op twee plaatsen mislukte de aanval. Op de derde, in het Noorden, ging het beter. Graaf Lodewijk, die in zijne vaandels het opschrift „Nu, of nooit!" voerde, vermeesterde met een handvol dapperen het huis te Wedde en bezette vervolgens Appingedam, waar zijn jongere broeder A d o l f zich met 100 ruiters bij hem voegde. De stadhouder van Groningen, de Graaf van Aremberg, was afwezig. Welhaast kwam deze echter uit Friesland opdagen en trok Lodewijk te gemoet. Hij had van Alva — die sinds het vertrek van Margaretha van Parma algemeen landvoogd was — bevel gekregen om, zonder eenen slag te wagen, te trachten den Nassauer uit het land te drijven, en inmiddels op den Graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, te wachten, die hem met krijgsvolk zou te hulp komen. Na eene vinnige schermutseling, waarin de kansen gelijk bleven, hoewel de Spanjaarden zich de overwinning toeschreven, bralt Lodewijk, vreezende, dat Megen zich aireede bij Aremberg had gevoegd, voorzichtigheidshalve des nachts op. De Spanjaarden beschouwden dit als eene vlucht, en denkende, dat hun vijand gemakkelijk te vernietigen ware, wilden zij hem volstrekt achtervolgen en tot den slag dwingen. Aremberg daarentegen wenschte zich aan zijnen last te houden en op versterking te wachten. De soldaten waren echter niet te weerhouden en beschuldigden hunnen bevelhebber zelfs van ketterij en geheime verstandhouding met den Graaf van Nassau. Toen zwichtte Aremberg en liet oprukken. Hij vond Graaf Lodewijk den 23s tm Mei (1568) bij H e i l i g e r l e e (ten W. van Winschoten), waar deze, vernomen hebbende, dat Megen nog niet was aangekomen, zijn leger in slagorde had geschaard, besloten om den vijand het hoofd te bieden. Niet zoodra verscheen Aremberg, of Lodewijk zond hem 100 ruiters te gemoet. Daar brandt het geschut van Aremberg op hen los! Het doet hun echter weinig schade, en als het vijandelijke leger komt opzetten, wordt het plotseling van ter zijde uit droge slooten door daarin verscholen voetknechten met een hevig geweervuur begroet. Dit bracht Arembergs troepen in de grootste verwarring, diena weinig tijds door eene algemeene vlucht gevolgd werd. Het Geuzenleger was den vluchtenden echter op de hielen, en nu ging het op een neêrhouwen en neêrstooten met zwaard en spies. Door den angst lieten de vijanden zich ten deele ook in de nabij zijnde moeren of drassige plaatsen drijven, waar zij tot den hals^ toe inzakten en verstikten. In een half uur tijds was het slagveld bezaaid met lijken. Hun getal wordt door sommigen op 450, door anderen op wel 1600 begroot. Ook Aremberg zelf, die met zijn paard in eene sloot terechtkwam, bevond zich onder de gesneuvelden. Een groote buit viel den overwinnaars in handen, bestaande in geld, kleinodiën, kostbare kleederen en 6 veldstukken, ut, re, mi, fa, sol, la genoemd, die Aremberg uit Groningen had meegenomen; ze hadden een toontje te hoog gezongen, die kanonnen!
De vijand geslagen, de zege ons, — heuglijk feit! De Spaansche troepen, bekend als de best geoefende van geheel Europa, als schier onverwinlijk, waren overwonnen door het Geuzenleger! Welk een schoon begin van den strijd voor geloof en vrijheid. God had den Spanjaard gekrenkt, en getoond, dat Hij machtig was, den vijand van Zijn Woord teverdelgen. Het uur der verlossing scheen geslagen! Maar helaas! het zoet der zege was niet onvermengd:
Graef Adolff is ghebleven
In Yrieslandt x) in den slach;
Sijn siel in 't Eewich leven
Verwacht den Jongsten dach.
Ja, onder de weinige gesneuvelden onzerzijds bevond zich dejeugdige Adolf van Nassau, die, naar men verhaalt, Aremberg in het heetst van den strijd ontmpette en hem eene doodelijke wonde toebracht, maar ook zelf door hem gedood werd. Nog slechts 28 jaren tellende, liet de Graaf zijn leven voor de heilige zaak des geloofs. Zoo vloeide op de Groningsche beemden het eerste bloed der Nassau's in den langen, bangen krijg tegen Spanje!


1) Het tegenwoordige Friesland met Groningen heette destijds Friesland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Uit de geschiedenis van de regering der hertogen, graven en bisschoppen. (922-1581)

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juli 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken