Bekijk het origineel

Betrachting over Psalm 100. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Psalm 100. (2de Gedeelte. — Slot.)

12 minuten leestijd

„ E e n iofpsalm. Gij gansche aarde, juicht fleu Heere I Dient den Heere met blijdschap, komt v o o r Zijn Aanschijn inet vroolijk gezang. Weet, dat de Heere is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide. Gaat in tot Zijne poorten met lof, in Zijne voorhoven, met lofgezang; l o o f t Hem, prijst Zijnen Naam. Want de Heere is g o e d ; Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht."

Als wij 's Ileeren genade en lankmoedigheid erkennen, dan kunnen wij niets, kunnen niets uitrichten in het dagelijksch leven, kunnen voor de Wet ook niets, kunnen geen gebod Gods houden, niet gelooven, God niet vertrouwen, — niets kunnen wij, en toch zal alles goed gaan, omdat Hij erkend wordt als de Heiland, Die reinigt van alle zonden; het gaat goed, omdat wij Hem niet meer in den weg staan, maar begrijpen: ik ben Zijne en Hij hoeft mij vrijgemaakt; gelijk wij in den Psalm lezen: „ D i e n t den H e e r e met b l i j d s c h a p " , — niet met sidderen en beven. Gij moet niet de tegenwerping maken: „Ach, ik kan niet, ik vermag niets!" — maar gij moet zeggen: „Spreek, Heere, Uw knecht hoort!" Het is een dienst, die vrijmaakt van den dienst der afgoden en der ijdelheid en dien van het eigen „ik". Er is vrijheid van beweging, geen angst; men denkt niet: Zal ik wel bewaard zijn bij dezen mijnen dienst ? — maar er is vreeze, niet voor menschen, maar de ware vreeze, en deze is reine liefde. Jesus Christus wordt erkend als de Koning der koningen, wat Hij beveelt, dat kunnen wij wel is waar niet doen; Hij beveelt bijv. mij, Zijnen dienaar, dat ik tien duizend gulden daar en daar heen moet brengen; ik heb ze niet, maar ik breng ze heen, omdat Hij ze mij geeft.
„Dient den Heere!" — zijt vrijgemaakt van den dienst der zonde; en gelijk gij u voorheen hebt overgegeven tot den dienst der ongerechtigheid, zoo stelt nu uwe lichamen tot wapenen der gerechtigheid, want gij zijt vrijgemaakt van de wet en den dienst der zonde en des doods (Rom. 6:13). „Dient den Heere met blijdschap, k o m t v o o r Z i j n A a n s c h i j n met v r o o l i jk g e z a n g . " Wat God wil, moet gedaan worden, in hot dagelijksch, het maatschappelijk leven, en in het geestelijk, het verborgen leven, en daar kunnen en mogen wij ons niet van de geboden Gods ontslaan met het voorwendsel, dat wij te zwak zijn en onmachtig, neen, maar al is het waar, dat wij onmachtig zijn, geheel bedorven, en tot niets deugen, ja dat wij ook volkomen onbevoegd zijn, om Gods Wet te houden, — er is Een, Die alles vermag, — Dezen dan te hulp geroepen! Hij komt als Heiland met blijdschap, Hem dus alzoo gediend! Hij is geen Heere, Die werkeloos is daarboven in den hemel, maar een Heere, Die mildelijk geeft en uitdeelt, Die alle ledige vaten vult; Hij is een groot Koning, en kan geene armoede zien, maar waar armoede is en een roepen tot Hem, daar komt Hij met Zijne macht, hulp en zegen, zoodat het goed moet gaan, omdat Zijn Naam is Jesus
. „Dient den Heere met blijdschap, komt voor Zijn Aanschijn met vroolijk gezang!" Gij behoeft u niet voor Hem te verbergen ! Hij vraagt er niet naar, of gij onbekwaam, of gij verdorven, of gij ellendig zjjt; Hij vraagt er niet naar, hoe gij er uit ziet, of gij uit het verre Ethiopië, uit Moorenland, komt en zwart zijt; maar Ilij wil alleen, dat men komt, oin Hem te zien, zooale Hij is; en Hij wil den armen en ellendigen goed zijn en de ellendigen helpen; Hij wil het gebed verhooren en zeggen, zooals een groot koning eens zeide: „Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? het zal u gegeven worden, ook tot de helft des kouinkrijks!" Dit is dus komen voor Zijn Aanschijn met vroolijk gezang: erkennen, dat Hij is, dat alleen Hij helpeu kan, dat er bij Hem genade en barmhartigheid is, dat Hij waar wil maken al Zijne goede woorden. „Ik, Jesus", zoo spreekt Hij, en daarmee geeft Hij ons te verstaan, dat Hij is onze groote God en Zaligmaker. Nood en dood kunnen ons overvallen, er kan verdrukking en droefheid komen, wij kunnen onze machteloosheid ervaren, het kan er uitzien, alsof God niet met ons op den weg was, alsof wij geenen God voor ons hart hadden, en als was er voor ons geene hoop meer, „Ik, Jesus", spreekt Hij, en nu weg met ons „ik !" Of wij het verdorven hebben, ons goed hebben doorgebracht, of wij zwaar hebben gezondigd, Hem nooit hebben erkend, zoodal Hij ons moet verwerpen, — tot H e m henen ! „Ik, Jesus", spreekt Hij, en nu weg met ons „ik", en op Zijn „Ik ' gezien!
„ W e e t , dat de H e e r e i s G o d ; H i j h e e f t o n s gem a a k t (en n i e t w i j ) , Z i j n v o l k en de s c h a p e n Z i j n e r w e i d e . " — Als wij ons zelf konden maken en vormen, wij zouden ons dag a a u d a g volmaken, en dat zoo lang, tot wij even ver waren gekomen als Adam; toen hij meende wijs te worden, door van den boom der kennis des goeds en des kwaads te eten, toen werden dan zijne oogen geopend en hij zag, dat hij naakt was; en toen hij nu het goed en het kwaad kende, toen werd zijne ziel zoozeer met schrik vervuld, dat zij niet meer tot God mocht naderen. Maar als ons „ik" is uit den weg geruimd, en het andere Ik, Zijn Jesus-Naam, Zijne ontferming in de reiniging van al onze zonden, daarvoor in de plaats komt, dan is het uit met ons vormen en met alles, wat van ons verwacht wordt, — en het gaat goed. Dat wij dus zondaren blijven, arme zondaren! dat wij menschen blijven, afhankelijk van den Heere God! dat wij afleggen onzen hoogmoed ! want Jesus is de groote Koning, Die alleen regeert, Die erkend wil zijn in de koninkrijken, in de steden, in de huizen en de harten. Als Zijn „Ik" ons „ik" verdringt, als ons „ik" ophoudt en Zijn „Ik" begint, dan wordt erkend, dat Hij is de Heere, dat Hij is God, dat Hij ons heeft gemaakt, en wij ons niet zelf hebben gemaakt. Wat er nu aan mij mankeert, — ik kan het niet verhelpen, ik heb het niet geleerd, ik heb er geen verstand van; Hij moet mij dus hebben, zooals ik ben, met mijne zonde en heiligheid, met mijn goed en kwaad. Hij moet mij hebben, Die mij heeft gemaakt, opdat Hij verder van mij make, wat Hem welbehaaglijk is naar Zijne genade en goedertierenheid. —- Want waartoe heeft Hij ons gemaakt, gesteld;' Tot Zijn volk. Dat wordt gezegd tot de Heidenen, tot goddeloozen, niet tot heiligen. Er was een volk Gods: dat was Abrahams zaad; maar hier in dezen Psalm is sprake van een ander volk, het komt uit Egypte, Ethiopië, Babvlonië en bet land der Filistijnen, enkel Heidenen zijn het, goddelooze menschen, en deze goddeloozen neemt Hjj onder Zijnen schepter. maakt Hij tot een volk, dat Hem welbehaaglijk is, dat Hem looft en prijst, dat juicht: „Wij hebben ons niet zelf gemaakt, maar Hij heeft ons gemaakt tot Zijn volk!" Wilt gij weten, of gij tot Gods volk behoort zoo steek uwe hand in den boezem, en bevindt gij u een Heidenkind, een arm zondaar, een verloren menseh, — weg dan met uw „ik", denk aan Jesus als aan het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, en weet dit: dat gij tot Zijn volk behoort. Wel hebt gij de hemelsche taal niet geleerd, en kent gij niet de gebruiken van Zijn heilig huis, — Hij neemt u nochtans aan als Zijn volk; dat het Heidenkind slechts kome als een Heiden, — en Hij vormt en maakt het tot een schaap Zijner weide. — O, Hij is een trouw Herder! Wie kan zichzelven weiden? wie op zichzelven acht geven, terwijl het arme hart zoo boos, zoo arglistig is! terwijl de mensch denkt God te bezitten, en het zwarte duisternis in zijn binnenste is? Hij is het alleen, Die weiden kan, Die Zich over Zijne schapen ontfermt, en weet, waar het groene gras te vinden is, waar de beste weide is. Hij weet het wel: de schapen zjjn zoo dom, — als de Herder hen niet met Zijnen staf bij Zich houdt, dan verdwalen zij, zijn verloren, worden verscheurd. Daarom laat Hij ons erkennen: „Niet wij, maar Hij heeft ons gemaakt! weg met ons „ik"!" — en is men nu verdwaald, dan zoekt men den trouwen Herder. „Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uwen knecht, want Uwe geboden heb ik niet vergeten!" zegt het verloren schaap en het blaat zijnen Herder na!
Waar wil Ilij ons dan hebben ? Ter plaatse, waar het verzoendeksel - de troon der genade - en het altaar is, waar het brandoffer in rook opgaat, zooals wij hier lezen: „ G a a t in tot Z i j ne p o o r t e n met lof, in Z i j n e v o o r h o v e n , met l o f g e z a n g; l o o f t H e m , p r i j s t Z i j n e n N a a m " . Dus met alle vrijmoedigheid, zooals de hongerigen en dorstigen, de armen en ellendigen dat doen, zooals ook de Apostel zegt: Dewijl alles, alles verzoend is, in den hemel en op de aarde, zoo gaat nu met vrijmoedigheid toe tot den troon der genade, om geholpen te worden ter bekwamer tijd! Daar dankt men Hem, en dat is de rechte dank, de rechte lof, dat wij afzien van onszelven, maar van Hem erkennen:
In U alleen rust te aller tijd
Mijn hope hier op aarde!
Ik weet, dat Gij mijn Heiland zijt, —
Geen and're troost heeft waarde.
Dat wij Hem dus alles zeggen en alles klagen, dat wij onszelven aanklagen, en Hem loven, dat Hij het alleen is, Die helpen en behouden kan. Zoo hebben wij in te gaan — dat is de stem des Evangelies, — in Zijn Paleis, tot den troon Zijner genade, tot het altaar, met de belijdenis, dat Hij zit aan de Rechterhand des Vaders, om zonde te vergeven, troost en leven te schenken.
En tot deze vrijmoedigheid hebben wij alle reden; „ w a n t de H e e r e " , ' Die zegt: „Ik, Jesus", „is g o e d " , en daar Hij goed is, is Hij Iemand, Die Zich bereidwillig ontfermt over den hulpelooze en ellendige; en Zijne genade houdt niet zoo spoedig op, als men wel zou denken. Neen, „gij hebt het te erg gemaakt! gij hebt te veel gezondigd L voor u is er geene genade meer!" — neen, dat staat niet geschreven ; maar wel lezen wij: „ Z i j n e g o e d e r t i e r e n h e i d is in der e e u w i g h e i d '. Eeuwig is Zijne goedertierenheid, eeuwig Zijne mildheid, eeuwig Zijne genade. Als maar de mensch, een schepsel als hij is, zijn eigen „ik" prijsgeeft en aangrijpt het „Ik" van den Heere Jesus; — zon, maan en sterren rukt de duivel van den hemel, maar langer dan zon, maan en sterren aan den hemel staan, staat in Zijnen hemel Zijne genade en mildheid, den mensch niets verwijtende; als men komt om hulp in de dingen van het dagelijksch leven, om genade voor de ziel, dan is Hij bereid en laat het aan niets ontbreken.
„ E n Z i j n e g e t r o u w h e i d is v a n g e s l a c h t t o t geal a c h t . " Een verbondbreker is de mensch, in den nood be looft hij God veel, dan zal God God zijn, als Hij hem dit of dat geeft, maar trouweloos is de mensch, en juist hij, die het „ I k " des Heeren het best kent, zal wel hebben ondervonden, welk een hart hij heeft. Maar dit staat van den Heere geschreven : op Zijne getrouwheid kan men zich verlaten, Zijne getrouwheid is van geslacht tot geslacht, bij allen, die Hem vreezen en van ganscher harte zoeken. Hij laat de Zijnen niet los!
Gelukkig de mensch, die, nadat hij met zijn eigeu „ik'' te gronde is gegaan, zijne toevlucht neemt tot het „ I k " des Heeren, en in zijn hart bewaart het „Ik, Jesus". Al mocht ook nog in zijnen laatsten zucht de gansche macht der duisternis op hem losstormen, — Hij, Wiens „ I k " machtiger is dan duivel, dood en hel, Hij is het, Die behoudt!

5 December 1858.


G E D A C H T E .

De groote Huisvader weet wel, wat Hij in Zijne kinderen gelegd heeft, en hoe Hij hen leeren moet, opdat zij tevreden worden met al Zijne wegen, zich diep schamen voor hunnen God, en zooveel te meer Hem als den alleen wijzen Helper en Heere verhoogen en grootmaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Betrachting over Psalm 100. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken