Bekijk het origineel

Overdenking van Colossensen 2 : 9.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Colossensen 2 : 9.

„Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk."

23 minuten leestijd

Alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met W i e n wij te doen hebben. Er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem. Hij is de Heere, Wiens oogen de gansche aarde doorloopen. En eenmaal moeten wij allen voor Hem verschijnen. Zullen wij zonder verschrikking voor Hem verschijnen ? Zoo ja, dan moeten wij Gode waardig, Gode overeenkomstig, d. i. volmaakt in Zijne oogen, onberispelijk en onbestraffolijk bevonden worden.
Hierover echter bekommert zich de groote menigte niet. Helaas, hoevelen ook, die Christenen heeten, leven slechts naar het goeddunken huns harten, vragen niet naar God noch Zijn gebod. Toch, er zijn er, die geene rust vinden in het najagen van de wereld en hare begeerlijkheid; zij gelooven het woord, dat, wie een vriend der wereld wil zijn, een vijand Gods ge- steld wordt; met vreeze en beven zoeken zij antwoord op de vraag, die hunne levensvraag is geworden: „Hoe ben ik recht- vaardig voor God? hoe Hem welbehaaglijk, hoe volmaakt in Zijne heilige oogen?" Die vraag laat hun geene rust. Het is de Heilige Geest, Die hen onrustig gemaakt heeft.
Nu komt het Evangelie Gods tot ons. Het bestraft, vermaant, waarschuwt en vertroost. Het verkondigt Christus, „de hoop der heerlijkheid" van al Gods heiligen. „Denwelken", schrijft de Apostel Paulus, „wij u verkondigen, vermanende een iegelijk mensch, en leerende een iegelijk mensch in alle wjjsheid, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stellen in Christus Jesus. Dat Evangelie werkt, wat het werkt. „Mijn Woord", spreekt de Heere, „zal doen, wat Mij behaagt, en het zal •voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende."
Dat Evangelie komt ook tot ons in het woord, dat Paulus o. m. aan de Colossensen schrijft: „ W a n t in H e m w o o nt al de v o l h e i d d e r G o d h e i d l i c h a m e l i j k ".
Naar deze uitspraak overwegen wij de volgende waarheden: Buiten Christus ontbreekt ons alles, wat Gode overeenkomstig i s ; — in Christus is het alles voor ons aanwezig; — die het dan buiten Christus zoekt, gaat ledig heen, vindt den dood; maar in Hem heeft de arme alles, vindt de verlorene leven en overvloed.
B u i t e n C h r i s t u s o n t b r e e k t o n s a l l e s , w a t G o de o v e r e e n k o m s t i g is.
Dat getuigt heel de Heilige Schrift, dat zegt in het bijzonder ook dit Schriftwoord. Dit wordt echter over 't algemeen niet voor waar gehouden. Aan dit getuigenis onderwerpt zich inderdaad niemand, tenzjj hij uit God geboren is. En de uit God geborene moet in het geloof aan deze waarheid voortdurend versterkt, opgebouwd en bevestigd worden; want de macht van allerlei verkeerde leer, waarmede de god dezer eeuw de zinnen der ongeloovigen verblindt, is van ontzettend grooten invloed; de duivel zoekt alzoo de geloovigen af te trekken van de waarheid in Jesus Christus. Het woord der verleiding, waarmee Satan den mensch van God heeft afgetrokken, het leugenwoord: „Gij zult als God zijn", heeft zoo diepen wortel geschoten in 's menschen hart, dat op dit duivelsch standpunt zich eene philosophie ontwikkeld heeft, uit welker warnet alléén de Heilige Geest machtig is te verlossen. Tegen dezo philosophie, welke ook in de Gemeente te Colosse haren invloed gelden deed, waarschuwt de Apostel Paulus met allen ernst. Zij leert, dat de mensch naar zijn innigste „ i k " Goddelijk is, maar door het lichaam belet wordt, om in dadelijke volmaaktheid zich te openbaren. Om echter daartoe te geraken, moet de ziel zich aan het lichaam ontworstelen en zich opvoeren tot de volmaaktheid, en zóó allengskens zich vervullen met die volheid van deugden, waardoor men Gode gelijk wordt, en in Zijne nabijheid en gemeenschap verkeeren kan, evenals de engelen, welke men zich voorstelde alzoo met God te verkeeren. Vandaar een dienst der engelen, die men zich tot model van Goddelijkheid stelde. Dat was eene geestvolmakingsleer, die bij quasi-nederigheid den grofsten hoogmoed kweekte. Door den leugengeest gedreven, kantte men zich geheel legen God en Zijne waarheid ; men wilde niet erkennen, dat de menaeh door zijne zonde geheel van God los geworden is, al Diens heerlijkheid derft. Ach, de menseh, in de strikken des duivels gebonden, wil niet mensch zijn onder God; en of hij al ondervindt, dat het met het opvoeren der ziel tot het Goddelijke telkens mislukt, — liever dan zichzelven te veroordeelen en voor God in de schuld te vallen, ziet hij op het stof, werpt de schuld op het lichaam. En zoo tracht hij naar de regels van zijne goddelooze philosophie het lichaam door kwelling en kastijding tenonder te brengen. Daar treedt de duivel op met de leer van zelfreiniging, eigenwillige onthouding, kruisiging en dooding des vleesches.
Daar nu deze eigenwillige, zelfgekozene godsdienstigheid allen menschen van nature eigen is, zoo moet het ons niet verwonderen, dat in de Gemeente te Colosse nevens de leer der waarheid ook deze leugenleer ingang vond. Evenmin moeten wij ons verwonderen, dat onder de Christenen van onzen tijd deze schijn-wijze en schijn-vrome leeringen ingang vinden. Al is het ook in andere vormen, van denzelfden geest is doortrokken al dat eigenwillig godsdienst-drijven, dat zonder of nevens Christus tot God en het Goddelijke wil opvoeren.
De prediking nu van „Christus geheel en alleen" moest de Gemeente der Colossensen weêr plaatsen en behouden op het standpunt, waarop zij door het Evangelie Gods gezet was. Daartoe gordde de Heilige Geest den Apostel Paulus aan. Maar ook tot ons komt die prediking, opdat ook wij op dien grond geplaatst en bevestigd mogen zijn, die alléén voor de eeuwigheid geldt, op welken grond wij Gode overeenkomstig, Hem welbehaaglijk zijn. Dies luidt het tot ons: Buiten Christus ontbreekt u alles, wat Gode overeenkomstig is!
Alles? Ja, alles! Och, de mensch, die waant, dat hem na zijnen afval van den Heere nog iets van de heerlijkheid van Gods beeld is overgebleven, en in dezen waan zich met of zonder hulp van vreemde of Goddelijke macht tracht op te wekken en op te leiden tot datgene, wat Gode behaagt en Zjjns waardig is, —• hij miskent Gods heiligheid en gerechtigheid ; hij miskent de waarheid Gods, in Zijn rechtvaardig oordeel over den mensch uitgesproken in dit woord aan onze eerste ouders: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven"; waaruit de Apostel des Heeren, Paulus, dit besluit heeft getrokken: „Daarom, gelijk door eenen mensch de zonde in de wereld is ingekomen, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen is doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben''. Ziedaar den dood van ons menschen, d. i. het niet overeenkomstig God zijn, het vervreemd zijn van Zijn leven. Of welke dood is hier bedoeld? Immers de eeuwige dood, het af-zijn of los zijn van God, Die het eeuwige leven is, van welken de tijdelijke dood de zichtbare zijde is. En wie nog meer bewijs van dit ons dood-zijn door de zonde en misdaden wil, welaan, dien zij dit woord van Jesus Christus, den waarachtigen Getuige, genoog: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien". „Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch." Wat toch heeft hij Gode-overeenkomstigs, van wien de Mond der waarheid getuigt, dat hij wedergeboorte, eene nieuwe schepping behoeft, om het Koninkrijk Gods te zien. Wat goeds en Godewaardigs heeft hij, van wien de Heere zegt, dat hij vleesch is, d. i. het tegenovergestelde van God, Die Geest is. Voorwaar, door deze ééne uitspraak des Heeren Jesus is alle wijsheid in theorie en practjjk van vleesch, d. i. van den mensch, zooals hij op en in zichzelven bestaat, veroordeeld en gelogenstraft.
Maar, zegt men, er zijn toch goede dingen, algemeene deugden, die een mensch bezit; zoo heeft hij toch in zichzelven wat Gode overeenkomstig is, al is het alles met veel verkeerdheid en gebrek vermengd. Wij antwoorden : Ileidensche deugd is geene Christelijke deugd; rechtschapenheid en braafheid der wereld is nog geen recht en gerechtigheid, die voor God geldt. En het bewijst niet iets goeds in den mensch, als bijv. de wereld nog niet in de vlammen harer begeerlijkheid is tenondergegaan, maar dit bewijst, dat de Heere God, Die alle dingen regeert, door Zijne heilige Wet, ook onbewust voor den mensch, zoo groote macht uitoefent over alle vleesch, dat men niet doen kan, wat men wil, maar ook onwillens aan Gods regeering onderworpen is. Of, wat wordt er van den mensch, als hij losgelaten wordt door deze verborgene keten? De geschiedenis der eeuwen toont het genoeg aan, dat hij alsdan in de schrikkelijkste goddeloosheden uitbreekt. Maar, waartoe in de verte beschouwd, wat een iegelijk onzer zoo nabij ontdekken kan? Wat hebt gij, o mensch, Gode-overeenkomstigs in ii? Wilt gij dat weten, zoo neem de Wet Gods voor u. Die heilige geboden van God, onzen Schepper en Souverein, zeggen ons, dat wij dat missen, wat wij voor God moeten hebben, en dat hebben, wat wij voor God n i e t mogen hebben. Immers, het gebod zegt: Gij derft, o mensch, wat Ik u gebied; het verbod zegt: Gij bezit en zijt bezig in datgene, wat Ik u verbied ! Of, zegt men tot een gehoorzaam kind : Wees gehoorzaam ? Neen, tot eenen ongehoorzame spreekt men aldus. En dat wij nu niet gehoorzaam zijn aan Gods bevelen, niet in overeenstemming zijn met Zijnen wil, — waarlijk, wij zijn allen gruwelijke overtreders, — dat komt daardoor, dat wij in zonde ontvangen, in ongerechtigheid geboren zijn; ons innigste „ik" deugt niet; ons hart is boos en bedorven, onrein, de vuile bron van alle kwaad. —- Welnu, zegt iemand, dat toegestemd, maar als men bekeerd is, dan ontbreekt ons toch niet meer, wat Gode overeenkomstig is? Wij antwoorden: Buiten Christus ontbreekt het ons gewisselijk; daarom betuigde ook de bekeerde, de geloovige Paulus tegenover de Wet: „Ik ben vleeschehjk, verkocht onder de zonde". —Maar, is er dan in den geloovige niet een goed beginsel, dat in hem tegen het kwade beginsel overstaat; zijn nieuwe deel tegenover zijn oude, of de nieuwe mensch tegenover zijnen ouden mensch in hem? Neen, dat is een misverstand, eene dwaling, juist veroorzaakt door die philosophie, waartegen de Apostel in zijnen Brief aan de Colossensen waarschuwt. Volgens deze dwaalleer had men zijn nieuwe deel te ontwikkelen, opdat het de heerschappij over het oude verkreeg ; en als het dan toch niet vooruitging en men slechts den tragen gang waarnam, dan wierp inen de schuld op het vleesch, op het oude deel, den ouden „Adam". Nu, daaruit vloeide allerlei ongerechtigheid voort. Zoo toen, zoo heden. Maar dit is de Apostolische, de ware leer: In de weder, geboorte ontvangt een mensch niet een nieuw deel, maar de mensch, wij worden wedergeboren. „Die in Christus Jesus is, is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden." Christus Jesus is de Nieuwe Mensch; Dien roemt Zijne Gemeente, Dien noemen Zijne geloovigen : „onze Nieuwe Mensch", „de Heere onze gerechtigheid". (Zie Col. 3 : 10 en 11.)
Maar, — zal er iemand tegenwerpen, — als er dan niets in onszelven is, wal Gode overeenkomstig is, maar alles ons ontbreekt van goddelijken aanleg en ontwikkelingsvermogen, waartoe komt dan de prediking van een rechtvaardig en volmaakt voor God moeten zijn? — Wel, juist opdat wij het alles zullen hebben, wat ons ontbreekt, doch niet in ons, maar in Christus Jesus, onzen Heere, zooals de Apostel zegt: „Wij verkondigen u Christus, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stellen in Hem" (Col. 1 : 28). Niet in ons, maar in Hem, i n C h r i s t u s J e s u s , woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Zie, hierop dienen wij met allen ernst acht te geven: in ons ontbreekt alles, wat Gode overeenkomstig is; nochtans wij moeten het bezitten, niet naar de vrome bespiegelingen des vleesches, naar de geboden en leeringen der menschen, maar naar de wijsheid des eeuwigen, des Heiligen Geestes. Welnu, het is er, het is er alles naar Gods welbehagen in Christus Jesus. En zalig is hij, die, niet ziende, nochtans gelooft.
„ I n H e m " , in Christus, „ w o o n t al de v o l h e i d der G o d h e i d l i c h a m e l i j k ".|
Zie, dat is de heilleer, het Godsgeheim, dat 's Heeren Woord en Geest in de Gemeente verkondigt en openbaart. O, wie dat Evangelie leerde verstaan, vond eenen schat van vertroosting, hij heeft de parel van groote waarde gevonden.
Wat ons voor God ontbreekt, h e t is a l l e s i n C h r i s t us v o o r ons a a n w e z i g . „Al de volheid der Godheid" beteekent hier dan niet de Godheid des Zoons met al de eigenschappen, daaraan verbonden. Deze waarheid heeft de Apostel elders, bijv. in zijnen Brief aan de Hebreen (Hoofdst. 1) klaar aangetoond; maar met dit woord wil hij zeggen: Alles, wat u ontbreekt, om Gode overeenkomstig te zijn, alles, wat gij zoekt, waar gij naar jaagt en streeft, om geheel vol van God te zijn, dat is er alreeds voor u. Zegt gij: „Dit moet ik hebben, dat moet in mij zijn; en al meer en meer moet ik vervuld worden met het hemelsche, Goddelijke, Godewaardige", — ik zeg u: dat is eene verkeerde voorstelling, die gij u maakt, van al die vrome wenschen komt niets; niet in u, maar in Christus hebt gij het te zoeken. En in Hem vindt gij niet weinig, maar eenen overvloed, alle volheid.
De Apostel predikt dus het heil des Heeren, zooals het alleen en geheel in Christus Jesus is, in Wien al de hemelsche schatten en geestelijke zegeningen verborgen zijn, in Wien een menschenkind alles heeft, wat uit, voor en tot God is. Alles, wat naar Gods Geest is, naar Zijne Wet, rechtvaardig en heilig, geestelijk en Goddelijk; alles wat Gode overeenkomstig maakt, voor Hem waarde heeft, eeuwig blijvende waarde, en dus niet vergaat; alle goede werken en ware deugden, alles wat God verheerlijkt, — het is in al de v o l h e i d in C h r i s t us a a n w ez i g.
Dit Evangelie, dat den mensch op het diepst vernedert, en God alleen verhoogt, vermaant dus, om van alle schepselen, van alle eigenwijsheid, kracht en heiligheid en wat dies meer zij, geheel af te zien, en in den Heere Jesus Christus alleen te zoeken, wat de ledige ziel vervullen kan. In ons steekt de zonde, de dood; het vleesch brengt in eeuwigheid niet voort wat des Geestes i9. De vroomste, braafste, heiligste ter wereld is voor God een zondaar, een goddelooze, een doemwaardige. In onszelven zijn wij ellendig, arm, jammerlijk, naakt, — zonder eenige heerlijkheid, zonder eenige bedekking der schande; in onszelven zijn wij des doods en der verderfenis onderworpen. Alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras; l;et gras is verdord en zijne bloem is afgevallen, — maar in Christus, het eeuwige Woord, is de heerlijkheid, het leven, de onverderfelijkheid. In Hem is de volheid der Godheid. In Hem, — zoo geldt dan Ilij alleen voor God, en is Zijn Naam alleen te prijzen en te roemen. Met onzen roem is het uit. Wij menschen, hoe vol van God of Goddelijke gezindheid wij ons ook zouden wanen, — met al het onze komen wij bij God niet in aanmerking. Niet in u, o mensch! woont dat, wat Godes is, maar in Christus, zegt de Apostel. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Dat de Apostel schrijft: „ l i c h a m e l i j k " , daarmee wil hij niet te kennen geven: het is waarachtig of persoonlijk in Christus, dat spreekt vanzelf; en wij kunnen er staat op maken, dat wie IIem heeft, alles heeft, wat Hij voor de Zijnen is en heeft; neen, met het woord „lichamelijk" wijst de Apostel op het geheim der godzaligheid: „God is geopenbaard in het vleesch", of, zooals een ander Apostel schrijft: „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond, (en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Yader), vol van genade en waarheid, — en uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade".
Zie, als de Apostel de volheid der Godheid, d. i. al het Goddelijke, Godewaardige en Gode overeenkomstige in Christus, aan de Gemeente predikt, dan is zijne ziel vervuld van dat feit, dat wonderbare, majestueuse feit, dat Jesus Christus in het vleesch gekomen is, dat Hij juist in het vleesch, d. i. in den toestand van ons van God afgevallen-zijn, in onze ellende en verlorenheid, in onze zwakheid en onzen dood, heeft volbracht, wat voor alle vleesch onmogelijk was, nml. dat Hij ons alzóó in Gods gemeenschap hersteld, God verzoend, alle gerechtigheid vervuld heeft, en dies alles, wat Gode overeenkomstig is en maakt, heeft verworven, verworven voor ons, die in zonde en dood verloren waren ; gelijk de Apostel hiervan schrijft Hoofdstuk 1 : 21 en 22 : „En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart en vijanden door het verstand in de booze werken, nu ook verzoend, in het lichaam Zijns vleesches, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk vóór Zich stellen". De Apostel heeft dus bij dit „lichamelijk" den Heere Christus voor oogen als den Nieuwen Mensch, — den eenigen Mensch, Die op aarde steeds recht en gerechtigheid gedaan heeft, Die alles wilde, wat Gode welbehaaglijk is en Hem verheerlijkt, — en verkondigt derhalve met allen nadruk: Met alle vleesch, hoe schoon, hoe vroom, hoe heilig het ook genoemd en geroemd wordt, is het eene afgesnedene zaak voor God.
Aller menschen willen en loopen, alle wijsheid en kracht der wereld, alle heiligheid en godsdienst des vleesches is voor eeuwig te schande gemaakt; — Christus alléén geldt bij God. In H e m woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
D i e h e t d a n b u i t e n C h r i s t u s z o e k t , g a a t l e d ig h e e n , v i n d t d e n d o o d ; m a a r in H e m h e e f t d e a r me a l l e s , v i n d t de v e r l o r e n e l e v e n en o v e r v l o e d.
O, hoe gaarne zoekt vleesch het bij vleesch; hoe gaarne laat men zich in de eigengerechtige, schijn-vrome wereld eeren, verheerlijken en aanbidden. De een streelt den ander met zijne wijsheid en vroomheid; men groet en zegent elkander als heilige lieden ; metterdaad geeft men elkander de hand, om God en Zijne heiligen te lasteren en te smaden. Achter het masker van die vleeschelijke heiligheid en geestelijkheid verbergt zich allerlei ongerechtigheid. O, hoe menigeen, die voorgaf vol des Heiligen Geestes te zijn, openbaarde ten slotte, dat hij door eenen onreinen geest gedreven werd. En zeer zeker is het einde van allen, die buiten Christus gezocht hebben en zoeken wat Gode overeenkomstig maakt, dat zij openbaar worden in hunne schande en ellende, en slechts den eeuwigen dood vinden. Ach, zoek heiligheid buiten Christus, en — de zonde neemt u gevangen ; zoek leven buiten Hem, en — gij valt den dood in de armen. Buiten Christus heerschen de werken des vleesches: hoererijen, onreinigheden, schandelijke bewegingen, kwade begeerlijkheid en de gierigheid, welke is afgodendienst. Ach, de mensch moge zich vleiën, wat te zijn en te beteekenen voor God; hij moge roem dragen op deugden en goede werken, ja, met alle krachtsinspanning zich opmaken, om tegen het gebod Gods den berg Zijner heiligheid te beklimmen; hij moge zich doen verhoogen en zich zelf verheffen, —- hij zal vernederd worden, vallen zal hij in het opstijgen, al zijne deugd en goedheid kan zijnen dood niet wegnemen, niet wegnemen den vloek, dien hij zich op den hals gehaald heeft. Het zal aan hem vervuld worden, wat geschreven staat: „Die zichzelven heiligen, zullen verteerd worden".
Die het b u i t e n Christus zoekt, wat Gode waardig is, zegt wel in vermetelheid: „Al wat de Heere gezegd heeft, zullen wij doen"; en hij neemt Gods Wet in zijne hand en legt ze naar zijne wijsheid uit en wringt zich op eigengerechtige wijze in schijnnederigheid en vroomheid ; maar dit is zeker: dat hij met dit zijn doen te schande wordt. Yoor de Wet Gods, die heilig en goed en geestelijk is, kan niets bestaan, wat niet in elk opzicht aan hare eischen voldoet. „Yervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen."
O mensch, b u i t e n Christus zoekende, wat alleen i n Hem te vinden is, gaat gij gewis ledig heen; gij vindt geenen vrede bij God, ontvangt geene vergeving van zonde, geene uitdelging uwer schuld; maar op al uw pogen en jagen, willen en loopen antwoordt de eeuwige dood, het eeuwig gescheiden-zijn van God. O, volhardend in dit doen des vleesches, zult gij op het einde vinden eenen worm, die niet sterft, en een vuur, dat nooit uitgebluscht wordt. Daarom nog heden zij gewaarschuwd en vermaand een iegelijk, die het leven buiten Christus zoekt. Nog heden erkenne en bekenne hij zijnen dood, en strekke zich uit tot Hem, Die het leven is.
In J e s u s C h r i s t u s heeft de a r m e a l l e s , wat hem n o o d i g is t o t z a l i g h e i d ; in H e m vindt d e v e r l o r e ne l e v e n en o v e r v l o e d . Aanschouwt toch, gij ellendigen en die het leven niet in eigen hand kunt houden! aanschouwt in Christus de volheid Gods. Ilier is een schat van zegeningen, eene onuitputtelijke heilbron; verkwikken en laven mogen zich allen, die treuren naar God, die hongeren en dorsten naaide gerechtigheid. In Christus is de volheid der waarheid, des lichts en des levens; de volheid van alle goed en heil, vertroosting en verkwikking. In Hem is gerechtigheid voor uwe zonde, zegen voor uwen vloek. Door Hem is er vergiffenis van alle overtredingen en schuld, bij Hem vindt gij genade en eeuwig leven. Al wat God is en wat Hij heeft voor Zijn arm en ellendig volk, alles wat zij voor Hem moeten zijn en hebben, gij hebt het hier in Christus, zoodat het u aan geene schatten en gaven ontbreekt. Hier wordt u gepredikt: Gij mensch, zondaar, in vloek en schuld voor God verlorene, gij genadelooze en vloekwaardige, — zooals gij zijt, moogt gij u tot den Heere Jesus Christus wenden, u op Hem verlaten, u aan Hem houden in al uwe armoede en nooden, en — gij hebt in Hem alles wat u noodig is, in Hem zijt gij vervuld, volgemaakt met alles, wat Gode overeenkomstig, Zijner waardig is en Hem verheerlijkt.
Waarlijk, is hier alles ? alles ? Ja, al de volheid der Godheid. Wat zou, wat kan dan ontbreken?! Aanschouwt uwen Nieuwen Mensch met al Zijne vrucht, de vrucht des Heiligen Geestes! Ziet uw geschapen-zijn in den stand van goede werken, uw vervuld-zijn met vruchten der gerechtigheid, welke door Christus zijn, tot prijs en heerlijkheid Gods. Naar dit Evangelie luidt het, eenen ledige op eens in alle volheid Gods inzettend: „Uit God zijt gij in Christus Jesus, Die u geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing". En de zekerheid der zaligheid wordt verkondigd: „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme". Nog eens: aan hem, die worstelt om het leven uit God, wordt toegeroepen: Gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
O, is het waar? heb ik dan niets in mij te zoeken en te vinden, mag ik mij op dat Evangelie verlaten in weerwil van mijne zonde en mijnen veelvoudigen dood ? Zoo vraagt er een, die van verre staat en zoo gaarne zou smaken de zekerheid zijner zaligheid. — Het Evangelie Gods zegt u: Ja, dat moogt gij; in Christus woont al de volheid der Godheid lichamelijk. In het feit, dat Jesus Christus in het vleesch gekomen is, ligt de gewisheid, de vastheid onzes heils. Dat juist is de zekere grond, die u waarborgt, dat gij niet bedrogen uitkomt, als gij u alleen op Christus verlaat. Daarin toch heeft God de zekerheid der zaligheid vastgesteld van alle in zichzelven arme en nooddruftige, verlorene zondaren.
Klaag dan den Heere, dat gij u zoo ledig gevoelt, zoo ontbloot van alles, wat Hem overeenkomstig en waardig is, — Zijn Woord zegt u: Het ledige vervult de Heere Christus. Niet in u, niet in ons, maar in Hem woont de volheid Gods. Laat u dit genoeg zijn. „Gij zijt in Hem volmaakt", laat de Apostel in Vers 10 volgen, d. i.: vervuld met alles, wat naar Gods Wet, naar de eeuwige gerechtigheid is. Zoo plaatst dit Evangelie de Gemeente op den eeuwigen, onwankelbaren Rotssteen des heils. Armen en ellendigen Gods, nochtans rijk en heerlijk in Christus, die ons Hoofd is! — of dan de zonde woelt, de wereld tiert, de dood u benauwt, de duivel u kwelt, — wat u aanvechte en bestrijde, wat u trachte te verleiden, om nevens Christus u op werk of heiligheid toe te leggen, — gij moogt prediken, getuigen tot lof van uwen God en Zaligmaker: „ I n C h r i s t u s w o o n t al de v o l h e i d d e r G o d h e id l i c h a m e l i j k ; aan Hem houd ik mij, Hij is mijn heil alléén. Zijn Naam zij eeuwiglijk geprezen!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Overdenking van Colossensen 2 : 9.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken