Bekijk het origineel

Betrachting over Johannes 14 : 6.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Johannes 14 : 6.

„ I k ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij."

17 minuten leestijd

Eene heerlijke belofte is het, die wij vinden Jer. 30 : 21: „En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerscher uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal Hem doen naderen, en Hij zal tot Mij genaken: want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de Heere". — Deze Heerlijke is Christus, en Hij wordt hier „Heerlijke" genoemd, omdat Hij al de volheid der Godheid in Zich draagt; en „Heerscher" heet Hij, omdat Hij Heer en Bezitter is van het Koninkrijk der genade, en dit Koninkrijk tegen alle vijanden weet te handhaven. Dat nu is een groote troost, dat deze Heerlijke uit ons is, deze Heerscher uit ons midden is voortgekomen. Zoo kent Hij dus al onze zwakheden, alles kent Hij, waarmede wij verzocht worden, j a Hij Zelf heeft daarvan te lijden gehad. Mensch als wij, wil Hij voor ons met God spreken, voor ons tot God naderen, ons terugbrengen tot God. Gelijk de Apostel getuigt: „Er is één Middelaar Gods en der menschen, de Mensch Christus Jesus, Die Zichzelven voor ons gegeven heeft''. Deze treedt voor ons op. Dit middelaarschap heeft Hij Zich echter niet Zelf aangematigd, neen, Hij heeft het van den Vader ontvangen. Daarom zegt God tot Jeremia: „ I k zal Hem doen naderen". Maar Hij is een Middelaar, Die geheel vrijwillig onze zaak op Zich neemt; daarom lezen wij: „En Hij zal tot Mij genaken". Deze Middelaar kent den Vader als Vader, en is de Eenige, Die een hart voor ons heeft, om onze Borg bij God te zijn; daarom staat er: „Want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken ? spreekt de Heere".
Op grond van deze profetische woorden sprak onze Heere op den avond vóór Zijn lijden: „ I k b e n de W e g , en de W a a r h e i d , en het L e v e n ; n i e m a n d k o m t t o t d en V a d e r d a n door M i j " . Aanleiding tot dit gezegde was liet antwoord van Thomas op de woorden des Heeren : „Waar I k heenga, weet gij; en den weg weet gij". Thomas zeide daarop namelijk: „Heere! wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten?" Thomas begreep niet, — hoe duidelijk het hem ook gezegd werd, — dat de Heere sprak van het heengaan tot Zijnen Vader en van Zijn verzoenend lijden en van de heerlijkheid daarna.
Wij, die onderwezen zijn. begrijpen dit zeer goed uit het Evangelie; gaat het echter om de toepassing er van op onszelven. dan zijn wij niet veel verstandiger dan Thomas. Het zal daarom zijn nut voor ons hebben, dat wij er nog eens aan herinnerd worden, waar de Heere is heengegaan, en hoe wij tot God kunnen komen.
Onze dierbare Heere en Heiland zegt hier van Zichzelven vier waarheden: dat Hij de W e g is, dat Hij de W a a r - h e i d is, dat Hij het L e v e n is, en dat n i e m a n d tot d e n V a d e r k o m t , dan d o o r Hem.
Van het eerste, dat Hij de W e g is, zien wij niets, als wij den Heere enkel beschouwen naar Zijne uiterlijke, menschelijke gedaante. Wij hebben te letten op wat Hij voor ons heeft gedaan en geleden; want als Christus zegt, dat Hij de Weg is, dan is dat figuurlijk gesproken, evenals wanneer Hij zegt: „Ik ben de Deur". Wij moeten maar eerst goed verstaan, dat er tusschen God en ons eene klove ligt. Wij zijn vervreemd van het leven Gods door de zonde en den moed willigen afval van God. Dewijl wij zondaren zijn, heeft niemand onzer een hart, om tot God te naderen,- want wij allen weten zeer goed, dat God een heilig en rechtvaardig God is, en dat Hij den schuldige geenszins onschuldig houdt, maar integendeel hem met de eeuwige verdoemenis moet straffen. En als wij in waarheid zondaren zijn, dan kunnen wij de woorden Zijner Wet en haren vloek niet hooren, maar moeten daaronder vergaan. Ook zijn wij door de duisternis, die in ons is, en door de blindheid onzes harten vleeschelijk gezind, en deze gezindheid is vijandschap tegen God, — vandaar dat wij niet tot den waren God willen komen. Daarbij kan de heilige God Zich niet met ons inlaten. Eer Hij den zondaar tot Zich toelaat, moet er genoegdoening geschieden aan Zijne eeuwige gerechtigheid, moet de geschonden Wet weer opgericht zijn, moet de zonde, schuld en straf uitgedelgd zijn en de mensch weêr in gerechtigheid en heiligheid voor God gesteld zijn, moet dus God Zijne eer terug hebben, Zjjn Woord gehandhaafd blijven, en den duivel het geweld des doods en de macht om de schepping Gods te verwoesten ontnomen zijn. Niemand onzer kan dat' tot stand brengen, en mocht hij het al beproeven, hij zal steeds dieper zinken in zijne verlorenheid en zijn verderf, en zich al verder van God verwijderen, ja in zijne vijandschap tegen God de klove zoo mogelijk nog grooter maken, dan zij is. Waarheid blijft, wat geschreven staat: „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg; doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen" (Jes. 53 : 6).
Wij denken wel allerlei wegen uit, om weêr tot God te komen, maar dat zijn alle onze eigene wegen, die God niet behagen. Zoo hebben wij allen wegen van allerlei goede werken en eigenwillige vroomheid, willen ook ons leven naar de Tien Geboden inrichten, en dan denken wij, als wij onszelven en ons vleesch wat hebben gekweld, dat wij ons den weg tot God hebben gebaand. Al hebben wij echter ons geheele leven naar de Tien Geboden ingericht, dan mag zulks nuttig zijn en prjjselijk voor God en menschen, en wij mogen menige vrucht daarvan oogsten, dat alles is toch de weg niet, — anders ware onze Heere een leugenaar, als Hij zegt, dat Hij de Weg is.
De vraag is hier, hoe wij door toorn, vloek en verdoemenis, die wij om onze zonden hebben verdiend, heen komen tot God. En dan is er aan onze zijde volstrekt geen weg, evenmin als er voor de kinderen Israëls een weg was, toen zij de Egyptenaren achter en de Roode Zee vóór zich hadden. Hier is niets dan omkomen aan alle zijden. Alleen God is het, Die hier eenen weg heeft gebaand, zonder menschelijk toedoen. Is hier in 't geheel geen weg, — Christus is de Weg. Menschelijk vernuft mag hier uitdenken, wat het wil, — hier komt niemand door. Zal een zondaar weder met zijnen Schepper, Die tevens zijn Rechter is, samenkomen, dan kan dit alleen geschieden door Christus. Deze is de eenige Weg. Gelijk God Één is, zoo is ook de rechtvaardiging eens zondaars ééne, ééne de Wet der rechtvaardigheid, één de Middelaar Gods en der menschen. Geen mensch mag tot God naderen, om iets van Hem te bidden, en God kan tot geenen mensch komen, om hem eenigen zegen, welke ook, te schenken, tenzij door dezen Middelaar. Zoo is Christus nu de Weg, gelijk onder de Wet de hoogepriester en het bloed. God woonde boven de Ark des Verbonds. Hij gebood echter, dat het volk door den hoogepriester, en deze met bloed, tot God zou naderen in het binnenste heiligdom, waar God woonde tusschen de cherubirn. Het volk mocht niet ingaan, de hoogepriester ging in met bloed, en zoo kwam door den hoogepriester de zegen over het volk, de vergeving van zonden en alle heilsgoed des Verbonds. De hoogepriester met het offer was de weg. Zoo is Christus voor de geloovigen de W e g tot God als Hoogepriester en als Zone Gods, met Zijne eeuwiggeldende offerande, en alleen zóó hebben wij toegang tot God. — Dat leert ons het Evangelie allerwegen, dat Hij altoos kan zaiigmaken degenen, die door Hem tot God gaan, dat wij door Jesus Christus eenen toegang hebben in geloof tot de genade, — dat wij om niet gerechtvaardigd worden door de verlossing, die in Christus Jesus is, — dat God Hem voorgesteld heeft tot eene verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot eene betooning van Zijne rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden. — Zie, zoo is Christus de Weg tot God, gelijk Benjamin voor zijne broeders de weg tot Jozef was, waarom zij tot hunnen vader zeiden: „Die man heeft ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is". En gelijk de ladder, die Jakob in den droom zag, de weg was van de aarde naar boven, en van boven naar de aarde, zoo is ChristuB voor ons de Weg tot den Vader, en van den Yader tot ons, — d. i. Hij als Middelaar, als Hoogepriester, als Borg, als Mensch, als God, als de Broeder uit de broederen, als de Heere uit den hemel.
Stellen wij ons nu voor, dat wij komen aan den oever eener breede rivier, wij moeten die rivier over, maar er is niemand of niets, dat wij er over zouden kunnen komen, — dan begrijpen wij het best, hoe Christus de WTeg is; want om uit dit leven in het eeuwige leven te komen, zoodat de zonde uitgedelgd, God verzoend en de dood overwonnen zij, daartoe kan ons geen schepsel helpen. Wij moeten eenen vasten grond onder de voeten hebben, om door dood en toorn, vloek en 's duivels geweld heen te komen. Welnu, deze vaste grond, deze weg is niemand anders dan onze getrouwe Heere en Heiland Jesus Christus, in geloof omvat.
Hij is een vaste Grond, een zekere W e g ; daarom zegt Hij ook: „ I k b e n de W a a r h e i d " ; want wij menschen zijn allen te zamen enkel leugenaars, en ijdeler dan de ijdelheid zelve, niemand kan zich hier op zijn hart verlaten. Hebben wij nu Christus in geloof omhelsd, zoodat wij door Hem tot God komen of gekomen zijn, dan komt het er op aan, om op dezen weg te blijven, daarin te volharden. Daar is dan de duivel zonder ophouden er op uit, den mensch voortdurend tegen te werpen, dat het niet de rechte weg is, niet het rechte geloof, dat men zich op Christus verlaat, als op zijne Gerechtigheid voor God, en van de leiding Zijns Geestes alles verwacht, wat Gode welgevallig is. Daarbij komt de valsche meening en eigenwijsheid des vleesphes, om altijd weer zich op de werken te verlaten, en komt de wereld van alle kanten met hare vijandschap. Zoo ontbreekt het dan op dezen weg niet aan allerlei lijden, druk en nood, zoodat men in duisternis komt te zitten en i n ' t geheel geen licht ziet, maar eenzaam en verlaten schijnt, verstooten en veracht, als ware God ten eenenmale weg. Het is, als ging het alleen den goddeloozen goed en den rechtvaardigen kwaad. Ook leert men op dezen weg eenen nood kennen als nooit te voren: zielenood, zondennood, lichamelijken nood. Men begrijpt niet, waar dat alles vandaan komt, en is zoo duizendmaal in gevaar, van dezen eenigen Wreg, Christus, weggetooverd of weggedreven te worden. Kortom, het zit in de harten van al de discipelen des Heeren, aan allerlei twijfelingen en ongeloovige gedachten vrij spel te laten, en zich door duivel, wereld, vleesch en bloed bevreesd te laten maken, als hadden allen eenen goeden weg gekozen, maar z i j den weg des verderfs. Want dat is voor vleesch en bloed een te zwaar werk, om te verstaan en vast te houden, dat wij alleen door het geloof rechtvaardig zijn, en dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven; doordat wij zooveel tegenstrijdigs zien, ontstaat er bij ons allerlei ergernis, vrees, versaagdheid en twijfel, en de gansche hel met al haar geweld en list maakt zich op, om den mensch het geloof te ontrooven. Daartegen nu wapent Christus Zijne discipelen en alle geloovigen, opdat zij weten, dat Hij de rechte en eenige Weg tot God, dat Hij ook alleen de Waarheid is. Dat zegt Hij dus, opdat wij Hem houden voor datgene, waartoe Hij ons van God geworden is, namelijk tot wijsheid, — opdat onze eenige wijsheid zij Christus, en Die gekruisigd, — en dat die ons eenig wapen zij tegen al de aanvechtingen van het tegenstrijdige. Christus is de Mond der waarheid, Hij alleen de Waarheid, zoodat wij daarbij blijven: het is nochtans waar! Gij, Heere, zijt mijne Gerechtigheid, en ik ben Uwe zonde! Gij hebt het Zelf gezegd, Gij zult niet liegen!
Nu is Christus vooral in dien zin de Waarheid, dat in Hem is de vervulling der gansche Wet, en dat wij ons daarom niet meer behoeven te laten drijven door den staf des drijvers, maar ons houden aan Christus. Ook is Hij de Waarheid in dien zin, dat in Hem alle beloften Gods ja en amen zijn; en vooral in dien zin, dat in Hem alle deugden en volmaaktheden Gods verheerlijkt worden! Of door wien heeft God genoegdoening aan Zijne gerechtigheid, zoo niet alleen door Hem ? Toen Hij Zichzelven voor ons, die in Hem gelooven, voor God tot een schuldoffer stelde, blonken toen niet in deze offerande Gods barmhartigheid, gerechtigheid en heiligheid, goedertierenheid en liefde? Of waar is de zonde gestraft en verzoend, zoo niet aan Christus' kruis ? Waardoor hebben wij vergeving van zonden, indien niet door Christus' dood ? Waar is in waarheid openbaar geworden, dat God God is, dat Hij genade schenkt met handhaving van Zijne gerechtigheid, dat Hij den zondaar niet onschuldig houdt, Zijne Wet niet vertrapt laat liggen, Zijn gericht over de zonde laat gaan, Zijnen eeuwigen toorn over de zonde, en nochtans de zonde vergeeft, — waar anders dan op Golgotha? Ja, datgene, waarin zelfs het gezond verstand alleen eenen rechtsgrond voor de zondenvergeving en eenen grond van recht op liet eeuwige leven moet stellen, — is het niet alleen in Christus, alleen in Zijn offer aan het kruis openbaar geworden? De onkreukbaarheid van al Gods deugden en volmaaktheden blijft gehandhaafd, als Hij den goddelooze om niet rechtvaardigt. Aan Gods gerechtigheid en heiligheid wordt niets te kort gedaan, als Hij den verdraaide recht verklaart, en hem door Zijnen Geest leidt in Zijne rechten. - Zoo is Christus de Waarheid, en Hij misleidt den arme en ellendige nooit ofte nimmer, als Hij zegt: Houd u aan Mij, mijd de slechte wegen, aan Mij zult gij uwe vrucht vinden, Ik zal u zijn als een groenende denneboom. En niemand is ooit bedrogen uitgekomen, die om heiligheid, om vrncht des Geestes, alleen in geloof, zonder iets te zien dan het tegendeel, zich verlaten heeft op Hem, op Zijne genade, op Zijne macht, op Hem, als onze Gerechtigheid. Het gaat allen geloovigen als den kinderen Israëls: God baande hun eenen weg door de Roode Zee, en toen zij tusschen de wateren door gingen, vonden zij niets dan waarheid der behoudenis.
En gelijk Christus de Waarheid is, is Hij ook h e t L e v e n. Wij kunnen ons gerust aan Hem houden. Evenals de kinderen Israëls niet zijn omgekomen in de Roode Zee, maar allen behouden aan land zijn gekomen, de Egyptenaars daarentegen den dood vonden, waar nog even te voren geen water was, zoo komen ook wij, indien wij in Hem gelooven, behouden in het land der ruste aan, door do Roode Zee, door de woestijn, door de Jordaan heen, al is zij ook vol aan beide oevers. Dit moeten wij echter eerst goed verstaan, dat in ons de dood is, dat wij midden in den dood liggen. Wij, die gebeten zijn door de slang, den duivel, moeten sterven aan het vergift, dat in onze leden is. Hier is voor ons geen ander leven dan Christus, in geloove aangezien. Tot het leven, het eeuwige leven, tot het leven tegen onzen dood, helpen ons al onze werken niet, die kunnen ons slechts helpen tot den dood, en wat vleesch en bloed ons ingeeft, kan ook niets werken dan den dood. Daarbij houdt de duivel met liegen en moorden niet op. Tegen dit alles is Christus ons Leven. Als wij maar eens den dood en het open graf, daarbij zonde en toorn voor ons hebben! Wie zal hier kunnen helpen ? Dat kan Christus alleen. Gelijk Ilij onze Wegbereider en Leidsman is tot God, gelijk Hij onze Voorspraak is bij God, zoo is Hij ook ons Leven tegen onzen dood, tegen den dood, dien wij hierbeneden onder allerlei gedaante hebben te ondergaan. Maar dat is Hij, omdat Hij het leven verworven en verdiend heeft, omdat Hij het leven in Zich heeft, omdat Hij als de ware Melchizedek eeuwig leeft door den levenden Vader, en omdat Hij de macht heeft levend te maken, d. i den zondaar te heiligen door Zijnen Geest, hem met Zich te vereenigen, om een levend lid aan Zijn lichaam te zijn en eeuwig te blijven, — en alzoo den zondaar in Zich tot eeuwige eer te brengen, nadat Ilij hem gerechtvaardigd heeft in Zijn bloed. Als Heer en Hoofd Zijner Gemeente is Hij dus haar Weg als begin, hare Waarheid als het midden, haar Leven als het einde, — het eenige en hoogste Goed der Gemeente, haar Ja en Amen.
Zoo blijft dan ook vaststaan, wat Hij gezegd heeft, Hij, de Mond der waarheid: „ N i e m a n d k o m t t o t d e n V a d e r d an d o o r M i j " . Dat zou ook onmogelijk zijn. Van nature hebben wij God niet tot Vader, de duivel is onze vader, omdat wij ons aan hem hebben verkocht, en onzen God en Vader hebben verlaten. God echter heeft een eenig Kind, Zijnen Eeniggeborene, Zijn Zijn heilig Kind Jesus. Deze is de Zoon en Erfgenaam. Hij heeft alles beërfd en heeft alleen recht, om tot den Vader te gaan. De Vader heeft Zijnen Zoon gezonden tot den Weg, de Waarheid en het Leven van een iegelijk, die gelooft. Dit Kind alleen heeft den wil des Vaders gedaan, is alleen Hem gehoorzaam geweest, heeft Hem als Vader geëerd, erkend, gediend, en heeft ook het geloof aan Zijnen Vader bewaard. Alleen Hij heeft als het Hoofd der uitverkorenen den toorn des Vaders gestild, Gode de gerechtigheid gebracht, die door de Wet werd geëischt. Zoo heeft Hij dan alleen recht op alles, wat des Vaders is. Alleen Hem, alleen Zij« Aangezicht kan en wil de Vader aannemen, en wil Hij iemand tot Zich toelaten, zoo zal Hij dit alleen doen, als de Zoon hem tot den Vader brengt. Dat wij toch deze woorden goed verstaan: „Niemand komt tot den Vader dan door Mij". Dit „Mij" sluit alle andere voorspraak uit, sluit ook alle goede werken, alle wegen, middelaars en middelen, alle vroomheid onzerzijds uit.
Zoo wete dan een ieder, dat er geen andere weg, geene andere waarheid, geen ander leven, geen ander middel om tot God te komen is, dan Christus, in geloof aangegrepen als onze Profeet, Iloogepriester en Koning, — dan Christus, in geloof aangegrepen als de Zoon Gods. Alleen door Hem is de toegang tot God, de betrouwbaarheid van den weg alleen door Hem. Gerechtigheid, vrede, barmhartigheid, leven, goede wandel, eindelijke zaligheid en heerlijkheid, vergeving van zonden, Gods gunst over ons, — het is alles door Christus, alles om Zijnentwil.
De Heere geve ons genadiglijk, dat wij dit vasthouden, want de duivel rukt voortdurend Christus weg uit ons gezicht, en dan heeft hij gewonnen spel. Zegge een iegelijk, wien het in waarheid gaat, om tot God te zijn gekomen, en die niets ziet van den weg, niets gewaar wordt van de waarheid, niets bespeurt van het leven —: Gij, Heere Christus, zijt het nochtans, Gij zijt het alleen! Gelijk ik in God geloof, zoo geloof ik ook in U, den eenigen Mensch in genade!

28 Juli 1850.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 oktober 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Johannes 14 : 6.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 oktober 1896

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken