Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vraag en Antwoord 46—49. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vraag en Antwoord 46—49. (2de Gedeelte. — Slot.)

12 minuten leestijd

Al hetgeen de hemelvaart van Christus aan troost behelst, vat de Catechismus nu samen in deze Vraag: „ W a t n u t ons de h e m e l v a a r t van C h r i s t u s ? " Antwoord: „ T e n e e r s t e, d a t H i j in d e n h e m e l voor het A a n g e z i c h t Z i j ns V a d e r s onze V o o r s p r e k e r is; t e n a n d e r e , d a t wij o n s v l e e s c h in den h e m e l t o t een z e k e r p a n d hebb e n , dat H i j a l s het H o o f d o n s , Z i j n e l i d m a t e n, ook t o t Z i c h zal n e m e n ; t e n d e r d e , dat H i j ons Z i j n e n G e e s t t o t e e n t e g e n p a n d z e n d t , d o o r W i e n s k r a c h t wij z o e k e n , wat d a a r b o v e n i s , w a a r C h r i s - t u s is, z i t t e n d e t e r R e c h t e r h a n d Gods, en n i et wat op de a a r d e is".
Gelijk bij de opstanding van Christus vraagt de Catechismus ook hier naar h e t n u t dezer verhooging v o o r ons. Wie zijn die „ons"? Zij, tot wie het Woord van Christus is gekomen en die gelooven. Zal het woord der prediking ons nut doen, dan wil dit woord gemengd zijn met geloof ia degenen, die het hooren. Als wij belijden te gelooven in „Jesus Christus, opgevaren ten hemel", dan belijden wij te gelooven al hetgeen het Evangelie ons omtrent de hemelvaart van Christus leert. Wel is waar kunnen wij bij het gevoel eu gezicht van onze zonden dit niet altijd vasthouden, maar wij hebben niet te aanmerken hetgeen wij zien. Drijft ons nu de nood naar Christus heen, zoo worden wij niet beschaamd, en wij hebben meer in Christus, dan wij vermoeden. En dit moeten wij weten, opdat wij goedsmoeds zijn te midden van alles wat de waarheid des Evangelies bij ons tot leugen wil maken. Is dit bij ons geene leugen, dat wij voor Gods heilige Wet wegzinken, dat wij erkennen geene gerechtigheid te hebben in onszelven, dat wij ons aan Christus houden, dan is ons noodig te weten de dingen, welke ons in Christus van God geschonken zijn. Daarvan wil de duivel ons telkens afhouden, opdat wij dit niet zouden weten en ons heil niet zouden zoeken in Christus alleen.
Gelijk wij in onszelven ganschelijk verloren zijn, geene gerechtigheid noch sterkte hebben, zoo heeft God voor al de Zijnen al de volheid der gerechtigheid en heiligheid in Christus geschonken. Daarom voer Christus ten hemel, opdat in Hem onze gerechtigheid bij den Vader zou zijn. En alzoo is Hij „ v o o r het A a n g e z i c h t Z i j n s V a d e r s onze Voors p r e k e r " .
De Apostel Paulus wijst daarop in Rom. 8 : 34: „Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter Rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt". Ea Hebr. 7 : 24 en 25 schrijft hij: „Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap. Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft, om voor hen te bidden". En de Apostel Johannes zegt (ls , e Brief, Hoofdst. 2 : 1 ) : „Mijne kinderkens, Ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt; en indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den Vader, Jesus Christus, den Rechtvaardige". Welke aanklacht de duivel nu ook moge inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Christus is de Advocaat, de Voorspraak, van Zijne Gemeente. Omdat Hij al de zaken Zijner Gemeente in 't reine gebracht heeft, zal geene beschuldiging worden aangenomen, want Christus heeft al de rechtmatige aanklachten tegen Zijn volk op Zich genomen, „de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen", en „de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem". En daarom wordt Jesus Christus de Rechtvaardige genoemd, want niet recht zou het zijn, de aanklacht van den wederpartijder te laten gelden, nu Hij eenmaal yolkomenlijk voor al de zonden der Zijnen heeft betaald. In Zijn eeuwig priesterschap handhaaft Christus het eenmaal aangebrachte losgeld, Zijn zondig volk ten goede. In deze voorspraak wordt voor Zijn volk meer gezorgd, dan het zelf vermoedt. Petrus heeft het zeker niet geweten, dat de Satan hem en de mede-Apostelen zeer begeerd had, om te ziften als de tarwe, maar Christus had voor hen gebeden, dat hun geloof niet zou ophouden. Eo wanneer wij nu lezen, dat Christus ter Rechterhand des Vaders voor ons bidt, d i n is het zeker, dat het niet ophouden van het geloof de verhooring is van Zijne voorbede.
Gelijk Jozef bij Faraü zich zijner broeders niet schaamde, maar bij den koning hunne belangen behartigde, alhoewel zij als schaapherders den Egyptenaren een gruwel waren, evenmin schaamde Zich Christus hunner, die Hij Zijne broederen noemt, hoe zondig zij ook mogen zijn, maar behartigt Hij de belangen van de Zijnen en van hunne kinderen.
Het tweede nut der hemelvaart is, „ d a t w i j o n s v l e e s ch i n d e n h e m e l tot e e n z e k e r p a n d h e b b e n , d a t I l ij a l s het H o o f d o n s , Z i j n e l i d m a t e n , o o k t o t Z i ch z a l n e m e n ' ' . Gelijk de opstanding van Christus een zeker pand is van onze zalige opstanding, zoo is Zijne hemelvaart een zeker pand der hemelvaart van allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad. Daarom zegt de Apostel Paulus in 1 Thess. 4: 17: „Wij zullen opgenomen worden iu de wolken den Heere te gemoet; en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen". Neen, de scheiding van lichaam en ziel is niet eene eeuwige, zij is slechts voor eenen tijd. Onder de uitdrukking „ons vleesch" hebben wij te verstaan ons lichaam; gelijk Christus aan lichaam en ziel den toorn Gods gedragen heeft, alzoo zal de daardoor verworvene zaligheid zoowel voor het lichaam als voor de ziel zijn. In Zijne hemelvaart is Christus evenzeer de Eersteling als in Zijne opstanding. Aan het einde der wereld zal de hemelvaart plaats vinden van Zijne Gemeente. Maar dezelfde dag, waarop Christus zal verheerlijkt worden in de heiligen en wonderbaar in allen, die gelooven, zal de dag der verschrikking zijn voor allen, die God niet kennen en die het Evangelie van onzen Heere Jesus Christus niet gehoorzaam zijn. Waar deze dingen alzoo zijn, ter eener zijde de eeuwige heerlijkheid, ter anderer zijde de eeuwige rampzaligheid, hoe moest toch datgene, wat hoofdzaak is, ook bij ons hoofdzaak zijn. En toch, aan onszelveu overgelaten, zullen wij aanmerken en blijven aanmerken de dingen, die men ziet. Maar Christus, Die de Zijnen kent en wel weet; hoe het met hen gesteld is, verlaat hen niet, integendeel, als een getrouw en liefhebbend Bruidegom zorgt Hij met teedere liefde voor Zijne bruid.
En hoe paart Hij wijsheid met liefde in het geven van het tegenpand! „Ons vleesch" neemt Hij tot een pand, als t e g e n p a n d g e e f t H i j d e n H e i l i g e n Geest. Welkeen Goddelijk geschenk! D o o r D i e n s k r a c h t z o e k e n wij w a t d a a r b o v e n is, w a a r C h r i s t u s i s , z i t t e n d e t er R e c h t e r h a n d G o d s , en n i e t wat op de a a r d e is. Yan nature zijn wij uit de aarde aardsch en worden naar het aardsche heengetrokken. In de natuur is alles aan de aantrekkingskracht der aarde onderhevig, en hoe hooger iets is opgevoerd, des te sneller daalt het in zijnen val; zoo is het ook met de geloovigen: zij zouden, indien de kracht des Heiligen Geestes het niet belette, blijven bedenken do dingen, welke op de aarde zijn. Deze Geest wordt „Zijn Geest" genoemd, omdat Hij dien Geest voor de Zijnen verworven heeft; deze Geest laat Zich zenden, en het is Hem eene vreugde, Christus bij do geloovigen te verheerlijken.
Door Zijne kracht nu worden gezocht de dingen, die boven zijn. Niet alleen in den beginne, maar ook bij voortgang. Christus geeft aan allen, die de Yader Hem gegeven heeft, den Heiligen Geest. Door dien Geest komt er erkentenis van zonde, droefheid over dezelve, een hartelijk verlangen naar verlossing ; dit werkt de Heilige Geest aan de hand van Gods Wet. Door dezen Geest worden zij heengeleid naar Christus en leeren zij te gelooven in Hem. zoodat zij zeggen: „Aan U, o Lam Gods, vertrouw ik mij toe". Daarna trekt de Heilige Geest Zich niet terug, maar — gelijk Christus gezegd heeft: „opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid" — Hij blijft bij de geloovigen. Niet krachtens onze bekeering of geloof zoeken wij de dingen van Christus, maar alleen door Zijnen Geest. Deze draagt zorg, dat de geloovigen, bij het meer en meer inzien van hunne zondigheid en onmacht, hunne sterkte zoeken in Christus. Dat is de wondervolle werking van Zijne kracht. Hij zorgt er voor, dat zij, de geloovigen, ontevreden zijn met alles wat niet recht is, en Hij ontsteekt de liefde tot alle gerechtigheid. Hij maakt, dat er geene gerustheid is bij het hooren des Woords alleen, maar dat er eene vraag is naar een onergerlijk geweten voor God en menschen te allen tijde. Hij leert ook in het dagelijksch leven gebruik te maken van de volheid, die in Christus is. Door deze kracht wordt al het aardsche meer en meer in het rechte licht gezien, en wordt de liefde tot alles wat Gode welbehaaglijk is sterker En waar in deze leiding de ervaring wordt opgedaan, dat het lichaam dood is om der zonden wil, maakt Hij ons de belofte indachtig, dat Hij onze sterfelijke leden zal levend maken, zoodat ter verkrijging van al het Gode welbehaaglijke op de belofte wordt gezien: „Die (namelijk de Heilige Geest) zal Mij verheerlijken, Hij zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb".
Door dezen Geest is er niet slechts eene uitwendige belijdenis, maar is er waarheid in het hart, is er liefde. Daardoor hebben zij, die in Christus zijn, niet alleen olie in de lampen, maar ook olie in de vaten, want het gaat hun om de eere des Bruidegoms. Zoo zitten zij aan den maaltijd des Woords niet zonder bruiloftskleed. O, dat de geloovigen in gerechtigheid gevonden worden, het is alleen door de kracht des Heiligen Geestes. En deze kracht openbaart zich juist bij hen, die erkennen: „In ons is geene kracht", bij de onmachtigen, en zoo verheerlijkt Zich dit Tegenpand als God, Die de dingen, welke niet zijn, roept, alsof zij waren.
Ziedaar het nut der hemelvaart van Christus. Zoo verstaan wij dan, wat Christus sprak: „Het is u nut, dat Ik wegga, want indien Ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen". Pand en tegenpand, zij onderstellen niet alleen eenen tijd van wachten, maar wijzen ook naar vereeniging heen. In afwachting van dien tijd zegt de Geest qn de bruid tot Christus: „Kom, ja kom. Heere Jesus!"
Zal Ilij komen ? O gewis, op den dag der hemelvaart van Christus stonden twee engelen bij de discipelen in witte kleeding, welke zeiden: „Wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jesus Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo (dat is: zichtbaar) komen, gelijk gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren". Dan gaan zij allen, die Hem gezocht, die zich Zijns Naams niet geschaamd hebben, die in Hem al hun heil gezocht en gevonden hebben, met Hem de eeuwige heerlijkheid in. Daarvan is Zijne hemelvaart ons het zeker onderpand.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Vraag en Antwoord 46—49. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken