Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vrucht des Geestes

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De vrucht des Geestes

De vrucht des Geestes,(1e gedeelte)

10 minuten leestijd

„ M a a r de v r u c h t des Geestes is l i e f d e , b l i j d s c h a p , vrede, l a n k - m o e d i g h e i d , g o e d e r t i e r e n h e i d , g o e d h e i d , geloof, z a c h t m o e d i g h e i d, m a t i g h e i d . Tegen de zoodanigen is de Wet n i e t ."

De Apostel Paulus vermaant ons in zijnen Brief aan de Galaten (Hoofdst. 5 : 16 vv.), om te wandelen door den Geest, ons door den Geest te laten leiden, den Geest der genade, des geloofs, Die ons tot Jesus Christus uitdrijft, en ons in Hem alles doet vinden, wat tot onze zaligheid van noode is. Als wij door den Geest wandelen, zal de begeerlijkheid des vleesches door ons niet volbracht worden. Het vleesch, d. i. de mensch, zio als hij van nature bestaat, gaat wel steeds tegen den Geest in, om de gerechtigheid, de heiliging, de wijsheid en kracht ten goede in zichzelven te zoeken, maar de Geest verhindert nochtans, dat wij aan die kwade begeerlijkheid toegeven, zoodat wij niet doen, wat wij willen, en onszei ven dus toch niet in 't verderf storten. Zoeken wij het bij het vleesch, bij onszelven, verwachten wij het van ons eigen doen, onze eigene kracht en macht ten goede, dan zullen de werken des vleesches, die in allerlei goddeloosheid bestaan, wel openbaar worden. Maar wandelen wij door den Geest, dan behoeven wij niet te vreezen, dat allerlei zonden over ons zullen heerschen en regeeren; want dan zal bij ons gewisselijk zijn de v r u c h t des G e e s t e s. Dat belooft ons Gods Woord.
Van deze vrucht des Geestes spreekt de Apostel Paulus in Gal. 5 : 22 en 23.
Als v r u c h t des G e e s t e s noemt de Apostel hier in de eerste plaats: l i e f d e.
Van de liefde zegt Paulus in 1 Cor. 13: „Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden".... De Heilige Schrift zegt dan ook zelve: „God is liefde"; in de liefde Gods jegens ons ligt al ons heil; indien God geene liefde ware, dan had Hij Zijnen Eéngeboren Zoon ons niet geschonken.
Hoe is het dan met de liefde gelegen ? Is het slechts de liefde jegens de kinderen Gods, zoodat wij, als wij de kinderen Gods slechts liefhebben, de anderen wel mogen haten en met hen in tweedracht mogen leven ? Neen, de ware liefde, de liefde, die uit God is, omvat boozen en goeden, gelijk de Heere God jegens ons Zijne liefde daardoor heeft bevestigd en getoond, dat Hjj Zijnen Zoon in den dood gaf, toen wij vijanden, zondaars waren Hij laat Zijne zon opgaan en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; de Heere Jesus liet Zich de handen en voeten aan het kruis doorboren, en terwijl zij, die er bij stonden, Hem bespott'en, riep Hij uit: „Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen!" en Hij liet de aarde Zijn bloed drinken, opdat zij van den vloek zou verloät zijn.
„De liefde", zegt de Apostel verder, „is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardig, zij is niet opgeblazen; zij handelt niet ongeschikt, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; zij bedekt alle dingen, — zij verdraagt alle dingen"; zij is zóó blind en eenvoudig, dat zij alles gelooft; zij hoopt alle dingen, vandaar dat zij alles verdraagt. De liefde vergaat ook nimmermeer; alles vergaat, ook zelfs het geloof en de hope, maar de liefde niet. — Welnu, wilt gij Gods gebod houden, wilt gij weten en overtuigd zijn, of uw geloof recht is, heb dan lief. Maar onderzoek uzelven nauw, of gij liefhebt! De liefde tot den naaste toont zich hierin, dat men vrede met hem maakt, vrede met hem houdt, denkende: „Morgen of overmorgen zal mijn naaste wel tot inkeer komen"; de liefde openbaart zich door vriendelijkheid, voorkomendheid, waardoor men den naaste te gemoet komt; de liefde legt alles, zoo lang mogelijk, ten goede uit; zij is niet achterdochtig, maar vertrouwt en is ook zelve getrouw; zij is kuisch en onthoudt zich van alle onmatigheid, waardoor men immers èn zichzelven èn anderen ongelukkig maakt.
Dat alles nu is de vrucht des Geestes. Er staat niet: w e r k en des Geestes, neen, maar: v r u c h t des Geestes; want werken worden door den mensch verricht met zijne handen, met zijn verstand, met zijne kracht. Maar de vrucht groeit aan den boom, zonder dat wij er iets aan gedaan hebben; de vrucht groeit vanzelf. De Apostel spreekt wel van w e r k e n des v l e e s c h e s ; want die komen voort uit onze kracht, onze wijsheid, uit onze inspanning, onze inbeelding der eigengerechtigheid. Waar men echter door den Geest wandelt, daar spruit deze vrucht des Geestes, liefde, blijdschap enz., en hoe? ja, dat weet de mensch zelf niet. Gelijk het gewas uit de aarde voortspruit en het zaad opschiet uit den akker, zoo komt deze vrucht te voorschijn uit den Geest des Ileeren Heeren.
Nu zal menigeen zeggen : „Maar die vrucht des Geestes heb ik niet". Maar dan raad ik u ten eerste: Onderzoek uzelven, of gij wel door den Geest wandelt, wel door den Geest geleid wordt. En voorts vraag ik : Is het werkelijk wel ernstig door u gemeend, als gij zegt, dat gij die vrucht des Geestes niet hebt? Denkt gij niet veeleer: „Ik ben goed, ik ben vriendelijk, ik heb veel over voor mijnen naaste, ik bon bescheiden; als de andere nienschen maar wilden, als de andere menschen maar goed waren, dan zou het wel gaan; maar aan die andere menschen ligt eigenlijk de schuld, dat het met mij ook niet is, zoo als het wel wezen moest"? O! zien wij niet juist uit zulke overleggingen des harten, dat wij de ware liefde niet hebben en dat wij zeer eigengerechtig en eigenlievend zijn ? Wie waarlijk van zichzelven gelooft, dat hij geene ware liefde heeft, is daarover bedroefd en hij gevoelt zich verloren tegenover de Wet Gods; maar hij kan er niet onverschillig onder zijn, of hij de vrucht des Geestes heeft, of niet; en juist uit die bekommernis daarover en uit die gestadige verslagenheid des geestes en verbrokenheid des harten blijkt, dat de mensch niet naar vleesch wandelt, maar door den Geest.
Het gaat toch om de vrucht; daarnaar zal gevraagd worden ten dage des gerichts. Menigeen zal daarop zeggen: „Nu, dan word ik niet zalig". Mijn broeder, mijne zuster! zegt gij dat in ernst, zegt gij dat in radeloosheid over uzelven, of is het slechts eene gevolgtrekking van uw verstand, terwijl gij verder uwen gang gaat in uwe zelfverheffing, uwe eigengerechtigheid, uwe liefdeloosheid?
Wederom zijn er anderen, die zeggen: „Spreek mij nu liever van den troost des Evangelies!" Maar zie toe, dat gij dien troost u niet toeeigent, om maar pleisters op de wonden te leggen en uw geweten in slaap te wiegen, zonder dat gij wilt weten van de schrijnende en reinigende, maar juist alzóó genezende zalf des Heiligen Geestes. Waar de waarheid Godsde waarheid des Evangelies, niet wordt verstaan met veroot, moediging, terwijl men verslagen is van geest en zich verloren gevoelt tegenover Gods heilige Wet, daar worden wij te meer verhard in de ongerechtigheid; daar strekt zij ons ten verderve. Dat ligt niet aan het Evangelie, maar aan ons.
Denkt nu iemand: „Welnu, de vrucht des Geestes moet er dus wezen, zoo wil ik die zelf verwekken; ik wil mijzelven verloochenen; ik wil een einde maken aan allerlei twist en krakeel; ik wil mijne booze tong in toom houden; ik wil niet langer in ontuchtigheid leven", — dan moet zoo iemand weten> dat hij dus van zichzelven de vrucht verwacht, in plaats van van den Geest. En daarvan zal het einde zijn : öf een leven in vrome voornemens, die gedurig in het dagelijksch leven worden verijdeld, óf eene soort van monniken- en nonnenvroomheid, vol van geveinsdheid en geheime kwade begeerlijkheid, öf des te meer hoogmoed, zelfbehagen, eigengerechtigheid. Maar de liefde tot God en den naaste uit een waar geloof, uit een rein hart, zonder inbeelding of dwang zal er ontbreken.
Wat dan aan te vangen ? Ach, wij komen nooit met het. schip terecht, als de Heilige Geest niet Zelf het roer in handen neemt; wanneer Hij ons regeert, wanneer Hij ons drijft,, Hij ons bezielt, dan leven wij niet onder eene wet, die ons dwingt en zegt: „Gij moet en gij zult". Dit „gij moet en gij zult" is in strijd met de liefde. De vrucht des Geestes wordt door geene menschelijke kunst verkregen, is niet voor geld te koop, gelijk Simon de toovenaar meende. Zij is alleen bij hen, die door den Geest wandelen, bij hen, die niet anders weten en willen weten dan van genade, van Christus alleen en geheel, en die het alles ontvangen uit Zijne volheid. Heb Christus, ja, laat dat uwe eerste zorg wezen, en gij hebt de vrucht des Geestes, en gij staat daar als een boom, die sierlijk pronkt met onverwelkte bladeren, welks blad niet afvalt, en die zijne vrucht geeft te zijner tijd.
Zij, die door den Geest wandelen en bij wie dus de vrucht des Geestes is, zijn alzóó gesteld : zij zijn bedroefd naar God, bedroefd over hunne zonde en schuld; zij belijden voor God, wie en hoedanigen zij zijn; zij kunnen niet volharden in de booze wegen; zij kunnen niet blijven rusten op hunne zonden. Zij zijn verkleefd aan Gods wil, aan Zijne goede en heilzame geboden; zij hebben een behagen in de Wet Gods naar den inwendigen mensch; zij willen zichzelven verloochenen en begeeren, om voor God en Zijne heilige engelen kuisch, rechtvaardig en in de ware liefde te leven. Maar zij belijden, dat zij tegenover Gods hoogheilige geboden vleeschelijk zijn, verkocht onder de zonde; dat zij, zooals zij van nature zijn, eenen anderen weg willen. Want vleesch wil zondigen, wil zijnen lust en zijne begeerte doorzetten, wil zijn rijk, zijnen wil doen zegevieren; vleesch wil hoogmoedig, eigengerechtig wezen; vleesch wil van Christus, van Zijne genade, van geloof niet weten.
Dat beseffen zij, die door den Geest geleid worden, wel meer en meer, en het is hun tot droefheid. O, eenerzijds klagen zij: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" anderzijds juichen zij: „Ik dank God, door Jesus Christus, onzen Heere!" Zij zijn zichzelven wrel gedurig een raadsel; want waar zij zich met lichaam en ziel vleesch gevoelen, daar belijden zij toch ook evenzeer: En nochtans zijn wij geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De vrucht des Geestes

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken