Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van Johannes 15. VERS 12—17.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Johannes 15. VERS 12—17.

13 minuten leestijd

In het reeds behandelde gedeelte van dit Hoofdstuk werd onze aandacht bepaald bij d e v e r h o u d i n g d e r g e l o o v i g en t o t C h r i s t u s , bij het b l i j v e n der Zijnen i n H e m en van Hem in de Z i j n e n . In het gedeelte, dat wij thans zullen overdenken, wordt ons de heerlijke v r u c h t ontvouwd, waarmede de Zijnen worden versierd, als zij in Hem blijven, nml. d e l i e f d e o n d e r e l k a n d e r.
„ D i t is M i j n g e b o d " , zoo gaat de Heere voort, „ d a t g ij e l k a n d e r l i e f h e b t , g e l i j k e r w i j s Ik u l i e f g e h ad h e b . " Dat is de wil van onzen Heere en Heiland, daarin heeft Hij Zijn welgevallen, dat de Zijnen, die Hij heeft geroepen en tot hunne eeuwige behoudenis in Zijnen zaligen dienst genomen, elkander liefhebben, zoo als Hij hen heeft liefgehad. Hoe heeft Hij de Zijnen liefgehad? O, met de grootste zelfverloochening, niet vragende naar hunne verdienste; Hij heeft de Zijnen liefgehad, toen zij nog dood waren in zonden en misdaden; Hij heeft de Zijnen liefgehad met innerlijke ontferming, ziende hunne verlorenheid, de zonde, de ellende, de macht des duivels en des doods, waarin zij verkeerden. Alzóó (lus, met zelfverloochening, zoekende elkanders heil en zaligheid, ongeveinsdelijk en in gerechtigheid, wil Hij, dat de Zijnen elkander liefhebben. En om de Zijnen nu recht te doen ontvlammen in zulk eene liefde jegens elkander, wijst Hij op Zijne allergrootste liefde jegens hen, waarmede Hij Zijn leven voor de Zijnen, voor Zijne vrienden, heeft gezet. „Ni e m a n d " , zegt Hij, „ h e e f t m e e r l i e f d e d a n d e z e , d a t i e m a n d z i jn l e v e n z e t t e v o o r z i j n e v r i e n d e n ."
Ja, eene grootere liefde, dan deze, dat iemand voor Zijne vrienden het leven geve in den dood, zijn eigen leven offere voor hunne behoudenis, is niet denkbaar. Die allergrootste liefde heeft de Heere Jesus aan Zijne vrienden bewezen. Waar wij door die allergrootste liefde des lleeren jegens ons getroffen worden, en in die rijke en vrije liefde blijven, daar wordt het hart verteederd, om de medediscipelen des Heeren, de broeders en zusters, lief te hebben, hen lief te hebben met zelfverloochening, met ontferming, ziende op hun eeuwig heil. Hetzelfde zegt ook de Apostel Paulus, als hij Ef. 5 : 2 schrijft: „En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot eene offerande en een slachtoffer Gode, tot eenen welriekenden reuk". Voorwaar, het menschelijk hart, dat door zulk eene liefde niet wordt verteederd, moet wel nog harder dan ijzer en steen zijn. Ja, van nature is dat met ons hart het geval; van nature beseffen wij van die allergrootste liefde van Christus niets. Alleen waar wij door almachtige genade onze eigene verlorenheid leeren inzien, onze eigene vloekwaardigheid, daar beginnen wij naar Christus, naar Zijne offerande te vragen, en daar worden wij bepaald bij Zijne hartelijke, uitnemende liefde jegens ons. O, wat is dan nog onze liefde jegens de broeders en zusters, vergeleken met de liefde des Heeren jegens Zijne vrienden ?
Jegens Zijne vrienden? Maar hoe dan? is Christus dan voor Zijne vrienden gestorven? Staat er dan niet, dat „Christus te Zijner tijd voor de goddeloozen is gestorven", en dat God ons verzoend heeft door den dood Zijns Zoons, „toen wij nog vijanden waren"? Ja, gewis, maar nadat onze zonden door de offerande Zijns doods verzoend zijn, heeft Hij de vijandschap te niet gemaakt, die er tusschen God en ons was. Voorzeker, de Zijnen waren niet Zijne vrienden, maar Hij heeft hen Zich tot vrienden gemaakt; Hij heeft heil als Zijne vrienden aangenomen, en als nu iemand wil weten, of hij tot die vrienden des Heeren behoort, voor wie de Heere Zijn leven zette, Zjjn dierbaar leven in den dood gaf, o, dan vrage hij zich maar af: „doe ik, wat de Heere mij gebiedt?" Als de Ileere Jesus zegt: „Gij z i j t M i j n e v r i e n d e n , zoo g i j d o e t , wat I k u g e b i e d e " (Ys. 14), is dit geheel overeenkomstig dat andere woord des Heeren: „Indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven". Wij worden als vrienden des Heeren openbaar, Zijne liefde blijft in ons, indien Zijne woorden ons leiden en regeeren, indien die woorden hunne macht in ons uitoefenen.
Vrienden des Heeren te heeten en onszelven voor vrienden des Heeren te houden, zonder er zich om te bekommeren, of men ook doet, wat de Ileere wil, — dat willen alle onwedergeborenen, dat willen allen, die geene ranken zijn aan den waren Wijnstok. Maar is men een vriend des Heeren, dan bekommert men zich wèl om het doen van den wil des Heeren, dan bekommert men zich wèl om de vrucht, en zoo verneemt men dan deze woorden des Heeren van het doen Zijner geboden met heilig ontzag en met oprechte zelfveroordeeling; men gevoelt zich getroffen door de liefde des Heeren jegens arme, verlorene zondaren; het hart wordt verootmoedigd, verteederd en verbrijzeld, en zóó juist is er de liefde, die de Heere wil, de liefde tot de broeders en zusters.
„ I k h e e t u n i e t m e e r d i e n s t k n e c h t e n ; w a n t de d i e n s t k n e c h t w e e t n i e t , w a t z i j n h e e r d o e t ; m a ar I k h e b u v r i e n d e n g e n o e m d ; w a n t al wat I k van m i j n e n V a d e r g e h o o r d h e b , d a t h e b I k u b e k e n d - g e m a a k t . " In Vers 13 en 14 had de Ileere de discipelen Zijne vrienden genoemd, en in dit Vers verklaart de Heere hun, waarom en in wrelkcn zin Hij zulks had gedaan. Hij wilde de discipelen er op wijzen, dat Hij vertrouwelijk met hen had omgegaan, dat Hij hun alles had gezegd, wat de Vader IIem tot hunne zaligheid had geopenbaard. Daarin hadden zij een onderpand Zijner liefde jegens hen, dat Hij zoo vertrouwelijk en zoo vriendelijk de geheimenissen der hemelsche wijsheid hun had medegedeeld; Hij had niets voor hen verborgen; dat was dus niet de wijze van doen van eenen heer tegenover zijne dienstknechten, maar van eenen vriend tegenover vrienden. Zeer treffend zegt de Hervormer Calvijn: „Gewis strekt dit tot bijzonderen lof van het Evangelie, dat wij daarin als het ware het hart van Christus geopend vinden, zoodat Zijne liefde voor ons noch twijfelachtig, noch duister is. Er is geene oorzaak, weshalve wij zouden begeeren, boven de wolken te stijgen, of in de afgronden door te dringen, om daar de zekerheid onzer zaligheid te zoeken; ons is genoeg dat getuigenis Zijner liefde, dat in het Evangelie is vervat, wijl het nooit bedriegt". Ja, zóó is het; ons gevoel, onze aandoening, onze bevinding, onze kennis kan ons bedriegen, maar nooit het eigen woord des Heeren. Daarom is het schrikkelijk ondankbaar, indien wij het Woord, dat geschreven staat, geringschatten en de zekerheid onzer zaligheid in onszelven, of in openbaringen buiten het Woord om zoeken. Al wat Christus als onze Middelaar tot onze zaligheid van den Vader heeft gehoord, heeft Hij ons geopenbaard; getrouw heeft Hij ons alles medegedeeld; daarom is Hij ook onze allerhoogste Profeet en Leeraar; volkomen heeft Hij ons den verborgen raad en wil van God tot onze verlossing geopenbaard. De onderwijzing in het Woord is dus waarlijk niet iets gerings of vernederends, maar veeleer kostelijk. O, dat wij ons maar oefenen in de kennis des Evangelies, zoo zullen wij wel inzien, dat Paulus niet tevergeefs zegt, dat het Evangelie eene wijsheid is, die de menschen volmaaktelijk ter zaligheid toerust. En nu zegt de Heere Jesus verder: „Gij h e b t Mij n i et u i t v e r k o r e n , m a a r I k h e b u u i t v e r k o r e n " , gij hebt Mij niet verkoren tot uwen Heiland en allerhoogsten Profeet en Leeraar, maar Ik heb u tot Mijne Apostelen, Mijne predikers uitverkoren, „en I k h e b u g e s t e l d " , Ik heb u geroepen en verordend, „ d a t g i j z o u d t h e e n g a a n " , om te prediken bet Evangelie, „en v r u c h t d r a g e n " ; daartoe heb Ik u gesteld, dat gij vrucht zoudt dragen, eene vrucht, die zich openbaart in uwe werkzaamheid als Apostelen. De vrucht zal er dus zijn; dat belooft de Heere aan hen, die Hij zendt; daarop mogen zij vertrouwen, ook al zien zij die vrucht niet. De Heere zeide deze woorden, om Zijne predikers te midden van allen strijd en de velerlei aanvechting te troosten; het is eene belofte, waarmede Hij Zijne predikers troost.
En de Heere voegde er nog dit aan toe: „en d a t u we v r u c h t b l i j v e " . Ja, ook dit is door den Heere gesteld en verordend, dat door den arbeid Zijner predikers de Gemeente Gods tot aan de voleinding der eeuwen wordt gebouwd; de vrucht der prediking van Profeten en Apostelen, ja van allen, die door God waren gezonden, om van Zijne waarheid te getuigen, blijft al door en al door; hunne prediking weerklinkt nog, en draagt nog vrucht. Dat de Heere zegt: „en dat uwe vrucht blijve", is natuurlijk niet zóó te verstaan, alsof de vrucht der prediking uit de Apostelen of discipelen des Heeren voortkwam; neen! want dit ware immers geheel in strijd met wat de Heere Jesus zoo even te voren had geleerd, toen Hij sprak: „De rank kan geene vrucht van zichzelve dragen", — de vrucht komt uit den wijnstok. Maar de Vader in de hemelen oefent Zijne macht ter bekeering, ter eeuwige behoudenis uit door het woord Zijner predikers, en zoo behaagt het den Heere Jesus, op die predikers over te dragen en als het hunne te noemen datgene, wat toch eigenlijk uit den Heere voortkomt. Uit en door Hem is de vrucht, maar om Zijne predikers te troosten, spreekt Hij van „uwe vrucht", d. i. de vrucht hunner prediking, de vrucht, die de Heere den Zijnen op hunne prediking belooft.
En wel zóó heeft de Heere Zijne Apostelen, Zijne predikers gesteld, dat de Vader hun al datgene, wat zij tot hunne ambtsvervulling behoeven, geve, als zij het van den Vader begeeren in den Naam des Heeren Jesus. Hij zegt: „ O p d at z o o w a t g i j v a n d e n V a d e r b e g e e r e n zult in M i j n en N a a m , H i j u d a t g e v e " . Zij behoeven dus niet verlegen of wanhopig te worden, als zij zien op al den strijd, al de moeite aan hun ambt verbonden, als zij beseffen wat al wijsheid, wat al zelfverloochening, wat al lijdzaamheid, wat al gaven er noodig zijn voor de vervulling hunner taak. Dat zij maar met den Jesus-Naam tot den Vader gaan, dat zij zich maar op dien Naam als den Naam huns Middelaars en Zaligmakers beroepen, zoo kunnen zij er staat op maken, dat de Vader hen niet zal afwijzen, maar dat Hij hun genadiglijk zal verleenen wat zij behoeven in het ambt, waarin de Heere Zelf hen stelde.
Als het slot van deze onderwijzing aangaande hunne ambtsbediening voegt de Heere er aan toe: „Dit g e b i e d Ik u, o p d a t g i j e l k a n d e r l i e f h e b t " . De Heere wilde zeggen: dit is het, wat Ik in u wil zien; dit is het, wat Ik in u wil zien gewerkt, dat gij elkander liefhebt. Voorzeker, tot groote schade der Gemeente is de onderlinge liefdeloosheid en verdeeld heid der predikers. Daarentegen strekt bet tot stichting der Gemeente, indien de predikers des Heeren elkander liefhebben om des Heeren wil, en elkander dus verdragen en trouwelijk helpen. Acb, hoeveel werd er bedorven door de onderlinge liefdeloosheid der predikers, die toch overigens hetzelfde Evangelie brachten, dezelfde hope deelachtig waren. Hoeveel strijd en verkeerdheid tusaclien hen, die toch zonen zijn van hetzelfde Vaderhuis! Wat al naijver vaak, om de voornaamste, de meest geliefde prediker te wezen. Wat al zoeken van zichzelven. Hoe weinig voorkomendheid en ware genegenheid! O, dat wij, hetzij dan predikers, hetzij niet predikers, maar toch leden der Gemeente, óók deze woorden des Heeren ter harte nemen en onszelven beproeven. De duivel wil de liefde tusschen de discipelen des Heeren doen verkoelen, de duivel zaait twist en tweedracht. Maar laat ons hem wederstaan, ons vastklemmende aan het Woord des Heeren.
Onze liefdeloosheid jegens hen, die toch met ons schapen zijn der kudde van Jesus Christus, veroordeelt ons. Wie uit God geboren is, die heeft óók lief, dien Hij geboren heeft. De liefde laat zich niet dwingen, maar waar wij ons door deze woorden wegens onze liefdeloosheid veroordeeld gevoelen, daar worden wij in eigen oogen slecht, en waar wij dan weêr vertroost worden door de liefde des Heeren jegens ons, onwaardigen en goddeloozen, daar is te gelijk de liefde, de ware, de ontfermende liefde, die niet zichzelve zoekt, jegens de broeders en zusters, die de Heere kocht met Zijn bloed, aanwezig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Johannes 15. VERS 12—17.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken