Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van Johannes 15. VERS 18—21.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Johannes 15. VERS 18—21.

9 minuten leestijd

In de nu volgende Verzen vernemen wij uit 's Heeren mond eene w a a r s c h u w i n g of v e r m a n i n g , die moest strekken, om Zijne discipelen voor te bereiden op allerlei lijden, opdat zij in de lijdensure niet zouden geërgerd worden.
„ I n d i e n u de w e r e l d h a a t " , zegt de Heere, „zoo w e e t, d a t z i j Mij e e r d a n u g e h a a t h e e f t . " De wereld, de onwedergeborenen, de menschen zooals zij van nature vervreemd zijn van God, en de leugen en de zonde liefhebben, maar vijandig zijn tegen de gerechtigheid en de waarheid, — deze wereld haat de getuigen van Jesus Christus; want door die getuigen, door hun woord en hunne daad, gevoelt die wereld zich bestraft; die getuigen spreken tot haar geweten, en zoo kan zij hen niet dulden. De getuigen moeten uit den weg geruimd, opdat de wereld vrij spel hebbe in haar zondig doen en drijven. Dit zouden de discipelen des Heeren ondervinden, maar dat moest hen niet bevreemden. Zij moesten veeleer weten en bedenken, dat de wereld den Heere Jesus eer dan Zijne discipelen gehaat had. Die haat der wereld tegen den Heere Jesus was wel openbaar geworden, reeds toen Herodes Hem als Kind zocht te dooden, en verder gedurende Zijne geheele omwandeling op aarde. Wat al haat en vijandschap had de Heere Jesus niet ondervonden van de Farizeën, de schriftgeleerden, de overpriesters, de Sadduceën en allerlei andere menschen. Ja zoodra het waarachtige licht der wereld, Jesus Christus, in de wereld had geschenen, zoodra dat licht in de duisternis der zonde en der onwaarheid scheen, werd het openbaar, dat deze duisternis het licht niet begreep, dat de menschen de duisternis liever hadden dan het licht, wijl hunne werken boos waren. Zij wilden tot het licht niet komen, opdat hunne werken niet zouden bestraft worden. En zoo heeft dus de wereld Jesus Christus Zeiven reeds eerder dan Zijne getuigen gehaat. Daarom schreef later ook de Apostel Petrus: „Geliefden! houdt u niet vreemd over de hitte der vervolging onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame". Het moet ons, indien wij des Heeren Jesus' discipelen zijn, niet verwonderen, dat de wereld ons haat, wij moeten ons daarover niet ergeren; want dat kan niet anders.
„ I n d i e n g i j v a n de w e r e l d w a a r t " , indien gij haar toebehoordet en het dus met haar eens waart, „zoo z o u de w e r e l d h e t h a r e l i e f h e b b e n . " De wereld heeft de kinderen der wereld lief. De wereld heeft toegenegenheid, heeft een vriendelijk woord voor, verleent bescherming, gunst en ondersteuning aan allen, die met haren geest zijn bezield.
„ D o c h o m d a t g i j v a n de w e r e l d n i e t z i j t , m a ar I k u u i t de w e r e l d h e b u i t v e r k o r e n , d a a r o m h a at u d e w e r e l d . " Des Heeren discipelen waren niet meer van de wereld, behoorden niet meer tot haar, de Heere Zelf had hen daaruit afgezonderd om Zijne getuigen te zijn, en juist daarom kon de wereld hen niet meer dulden. De wereld gevoelt, dat diezelfde Geest der gerechtigheid en der waarheid, waardoor Jesus Christus getuigde, ook uit Zijne discipelen spreekt. Christus zondert de Zijnen uit de wereld af door Zijn Woord en Geest, om Hem te volgen, door Zijn Woord zich te laten leiden, en om door woord en daad van Hem te getuigen. Maar zie, dat juist kan de wereld niet uitstaan, wijl zij tegen Christus vijandig is, en daarom haat zij allen, die des Heeren zijn. Dat kan niet anders, en dat zal zoo blijven tot aan de voleinding der wereld. Indien wij die vijandschap der wereld zelf nog nooit ondervonden, zoo is dat een teeken, dat wij zelf nog tot de wereld behooren. En indien wij vrienden der wereld willen zijn, dan moeten wij wel Christus en Zijn Woord, het geloof in Hem verloochenen; dan worden wij daardoor tot vijanden van God gesteld.
Maar wat zou het ons baten, al zouden wij ook de geheele wereld gewinnen, al zouden wij behooren tot de vrienden, de uitverkorenen der wereld, indien wij achade leden aan onze ziel? Daarentegen, wat zal ons eigenlijk kunnen schaden, indien wij door Christus uit de wereld zijn uitverkoren, indien wij zijn afgezonderd tot Zijn eigendom, tot Zijnen zaligen dienst? Indien wij gemeenschap hebben aan het lijden van Christus, zoo mogen wij ons verblijden; indien wij gesmaad worden om den Naam van Christus, zoo zijn wij zalig; want de Geest der heerlijkheid, de Geest van God, rust dan op ons.
„ G e d e n k t d e s w o o r d s , d a t Ik u g e z e g d h e b : Een d i e n s t k n e c h t is n i e t m e e r d e r dan z i j n h e e r . I n d i en z i j Mij v e r v o l g d h e b b e n , z i j z u l l e n o o k u v e r v o l - g e n ; i n d i e n zij M i j n W o o r d b e w a a r d h e b b e n , zij z u l l e n ook h e t u w e b e w a r e n . " Dat is het, wat de Ileere den discipelen ook wel bij andere gelegenheden had verzekerd: dat ook zij, evenals Hij, vervolging zouden ondervinden. Diegenen, die vijandig waren tegen Christus, zouden het ook zijn tegen de Zijnen; diegenen, die Zijn Woord hadden aangenomen, die aan Zijn Woord hadden gehoorzaamd, zouden ook hun woord aannemen en gehoorzamen. In één woord, het zou den discipelen gaan, gelijk het den Meester ging. En dat gaat nog zoo tot op den huidigen dag. De geest der wereld, de geest des Boozen, blijft zichzelven gelijk in alle tijden. Zij, die door dien geest der wereld, dien geest des Boozen, bezield waren, vervolgden Christus en zullen ook Zijne getuigen blijven vervolgen, hetzij dan openlijk en met ruw geweld, of meer bedektclijk en in beschaafderen, fijneren vorm. Maar ook de Geest Gods, de Geest der waarheid, blijft Zichzelven gelijk. Zij, die door dien Geest bezield waren, bewaarden het Woord van Christus, en zij zullen ook nu het woord Zijner getuigen bewaren. Diezelfde Geest, Die het hart opende voor de woorden van Christus, zoodat men er acht op gaf en er winste mede deed, diezelfde Geest opent nog de harten van allerlei mensehen, om te gehoorzamen aan het Woord der getuigenis van Christus.
Men ergere zich dus niet, men zij niet verwonderd, als men vervolging en smaadheid, ja vijandschap van allerlei aard ondervindt, maar men geloove ook dit woord des Heeren: „ A. 1 d e z e d i n g e n z u l l e n z i j d o e n om M i j n s N a a m s w i l, o m d a t zij H e m n i e t k e n n e n , Die M i j g e z o n d en h e e f t " . Al die vervolgingen, al dat lijden doen de menschen den getuigen van Christus aan, omdat zij den Jesus-Naam haten; zij willen niet, dat die Naam alléén ter zaligheid zou gelden; zij gelooven niet, dat alleen in dien Naam de eeuwige behoudenis is geschonken, die Naam is hun eene ergernis. En hoe komt dat? O, dat komt daarvan, dat zij Hem niet kennen, Die Jesus Christus gezonden heeft, zij kennen God den Yader niet. Zij zijn onwetende en blind. Zij kennen God niet in Zijne gerechtigheid, heiligheid en genade. Zij kennen God niet, dat Hij de zonden niet ongestraft kan laten, en dat Zijne heiligheid en gerechtigheid eischt, dat Zijne geboden volkomen vervuld worden. Zij zien niet in, dat God, om Zijne gerechtigheid te handhaven en Zijne genade te verheerlijken, Zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft; zij erkennen in die overgave van Zijnen Zoon niet Gods eeuwige liefde. Zij meenen, dat zij zich zelf wel kunnen zalig maken, en wijl zij God den Vader in Zijne gerechtigheid, waarheid en genade niet kennen, kennen zij Jesus Christus, den Middelaar Gods en der menschen, óók niet, kunnen zij niet gelooven, dat God zulk eenen Verlosser heeft gezonden.
Indien men Hem, Die Christus heeft gezonden, w e l kent, dan vervolgt men zeker n i e t de getuigen van Christus; want dan ziet men juist in Christus het hoogste geschenk van Gods genade; dan heeft men integendeel lief degenen, die den Naam van Christus verkondigen als den Naam, waarin eeniglijk en alleen onze zaligheid is.
Welzalig zij, die God kennen, zóó als Hij Zich heeft geopenbaard in Zijne gerechtigheid, waarheid en genade. Dezulken zien hunne zonde en schuld, hunne verlorenheid in; zij beseffen, dat er voldoening aan Gods gerechtigheid, gehoorzaamheid aan Gods Wet bewezen moest worden door den mensch; dat de mensch, die gezondigd had, ook voor de zonde moest betalen ; doch dat zulks alles den mensch, den zondigen, zwakken mensch, onmogelijk is. Zóó leeren zij dan God loven en danken, dat Hij Zijnen Zoon gezonden heeft, als den mensch in hunne plaats, in en door Wien zij hebben de verzoening hunaer zonden, gerechtigheid voor God en het eeuwige leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Johannes 15. VERS 18—21.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken