Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 6 : 18—20.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 6 : 18—20.

14 minuten leestijd

„God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijnen raad, is met eenen eed daartusschen gekomen (Vs. 17); opdat wij, door t w e e o n v e r a n d e r l i j k e d i n g e n , in w e l k e het onmog e l i j k is, dat God l i e g e , e e n e s t e r k e v e r t r o o s t i ng z o u d e n h e b b e n , wij n a m e l i j k , die de t o e v l u c ht g e n o m e n h e b b e n , om de v o o r g e s t e l d e hoop vast t e h o u d e n " (Vs. 18).
Er wordt hier gesproken van „twee d i n g e n " , d. i. twee stukken, twee daden of gaven Gods. God de Heere gaf aan Abraham de belofte: „In uw Zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden". Hij gaf hem dus de belofte: „in Christus, den Heere, wordt gerechtvaardigd, geheiligd en met het eeuwige leven begiftigd, wat in zichzelven des doods is. Zoo was het eerste stuk of de eerste gave Gods: „steeds tot deze belofte!"
Wat was het tweede stuk ? God zweert eenen eed: „indien Ik u niet zegen en vermenigvuldig, indien Ik dus jegens den arme en ellendige geen woord en trouwe houd, dan ben Ik niet God!"
Deze twee dingen z i j n o n v e r a n d e r l i j k , zij zijn onherroepelijk, onwankelbaar. Waar God met Zijne belofte is gekomen, daar zullen Hem wereld en duivel niet verdrijven; waar Hij haar neergelegd heeft, daar zal Hij ze verheerlijken; waar Hij de belofte heeft gegeven, daar hangt Hij er een slot aan, dat de duivel niet verbreken kan.
Zoo staan deze twee dingen onbeweeglijk. Door deze twee dingen, die dus onwankelbaar zijn, hebben wij eene sterke v e r t r o o s t i n g . Dat zij onveranderlijk zijn, staat daarom vast, omdat het o n m o g e l i j k is, dat God d a a r i n liege. Mogen de menschen al liegen, en moge de duivel een leugenaar blijven, en het tegenstrijdige gelogen hebben, — waar God met Zijne belofte komt, en daaraan den eed toevoegt, daar is het onmogelijk, dat Hij liege. De menschen kunnen iets beloven en eenen valschen eed doen, maar waar God in Zijne machtige ontferming en liefde tot den goddelooze komt, en hem het eeuwige leven belooft, om hem in zijne lijdzaamheid te doen volharden, — waar Hij daartoe met den eed komt, is het onmogelijk, dat Hij liege.
Zoo hebben wij iu deze twee dingen eene sterke vertroosting, eenen troost, die vasthoudt en niet loslaat, — niet uit ons, maar eenen trooBt, die van Boven komt; want zóó troost en richt God in Zijne ontferming de ziel op, dat Hij haar op de belofte wijst en do arme ziel Zijnen eed laat vernemen. Daar is het dus God, Die met dezen eed komt en aan de ziel moed geeft, om het op deze belofte te wagen, op dezen eed zich te verlaten en zich daaraan te houden; om af te zien van de wet met al hare eischen en alle werken, al zijn zij ook nog zoo geestelijk; — daar is het God, Die aan de ziel moed geeft, om als een Heidenkind tot Hem te komen, om als een hond zich te laten voeden met de kruimels van des Heeren tafel, om, in weerwil van alle geweld en alle aanvechting, Christus aan te grijpen, ten einde van de zonde af te komen, en zich in Hem aan den Vader te houden. Dat is een troost, die staande houdt.
Neen, wat rechtvaardig en heilig in zichzelf is, geenen zielsnood heeft, komt niet in den hemel; God de Heere overtuigt de arme menschen zaligmakend met Zijn Woord van hunne ellende, dat in hen niets goeds woont. Hij lokt de ziel en vertroost haar. Maar dan is ook de duivel werkzaam. Heeft echter God Zijnen Heiligen Geest in het hart gegeven, dan komt er overtuiging van overtreding, waarachtige verootmoediging, dan is de vraag: „waar zal ik henenvlieden?" waarheid in de ziel. Met de kennis der gerechtigheid gaat samen kennis der ellende; maar nu wordt door de kennis der Wet de zonde levend, wordt machtig en bindt de arme ziel met ketenen en boeien; zij roept om vrijheid, maar wordt geketend, zij wil naar den hemel, maar het gaat het graf in, en nu roept zij: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods!" (Rom. 7.) Ja zij moet bevrijd zijn van het juk, zij moet uit den kerker, zij moet ademen in de vrije lucht der genade Gods.
Hoe komt zij daartoe? God komt met Zijne belofte en met Zijnen eed, en de ziel verstaat het: God liegt niet!
Maar is die belofte ook voor mij ? geldt die eed ook mij ? De ellende, de tirannie des Satans neemt toe, gewaagd moet worden de sprong in de zee van opene genade! Juist door deze twee dingen geeft de Heere deze sterke vertroosting, deze bezieling, dat men zich werpe in de opene armen van eeuwige ontferming.
Wie doen dat ? wTie zijn het, die dezen troost hebben ? De duivel spant alle krachten in, de zonden doen al wat zij kunnen, om dezen trooBt uit de ziel te rukken; de wereld doet haar best, om hem uit de ziel te bannen. Maar deze troost is sterker dan de zonde, dan wet, wereld en dood.
Nog eens: wie zijn het, die dezen troost hebben ? De Apostel zegt het: „wij, die de t o e v l u c h t genomen hebben, om de v o o r g e s t e l d e hoop v a s t te h o u d e n " . Het leven des geloofs is immers geen rekenvoorstel; het is een leven, dat allermeest in het verborgen voor God worstelt, waarbij het zóó toegaat, dat men roept: „Honden hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan!" — de ziel bevindt zich te midden van de vijanden, en onderwijl neemt zij de toevlucht waarheen? Tot God!
Waar niet de genade werkt, zal de ziel tot de ijdelheid de toevlucht nemen; waar echter de genade werkt, daar werkt zij zóó, dat men met zijne zonde en ongerechtigheid niet God ontvlucht, maar tot God de toevlucht neemt. Hij is onze Rechter. Waar Hij de gerechtigheid in onze ziel geworpen heeft, daar kent zij geene verontschuldiging meer, maar klaagt zich zelf aan voar haren Rechter, schrijft den dood op hare zonden en veroordeelt zich. God kent .haar tot in hare diepste roerselen, — waar zal zij blijven? Waar God Zijne liefde in het hart heeft geworpen, daar raag de duivel eene wijle binden en zich van het hart meester maken, de wereld het arme hart innemen, men houdt het echter niet uit, men eet en drinkt mede, maar houdt het niet uit, men moet weêr naar God toe, en neemt de toevlucht tot Zijne ontferming en genade om vergeving en kwijtschelding van zonden, om leven, lucht, adem, bevrijding, vrede en het licht van het liefelijk Aangezicht Gods.
Zoo wordt de toevlucht genomen, om wat te doen? „Om de v o o r g e s t e l d e h o o p v a s t t e h o u d e n . " Er is hoop; waar de liefde niet bespeurd wordt, waar het geloof weg is, daar is nochtans leven: de hoop blijft in de ziel, en waar de ziel getroost wordt, zal het toch nog een goed einde nemen. Daar wordt zij verbrijzeld en begint heiliglijk te lachen in hare ellende; zij bespeurt de liefde niet, maar hoopt op ontferming en eene genadige aanneming bij God. En wat is het voorwerp der hoop? Christus Zelf ter Rechterhand Gods, Christus aan het kruis, bloedende voor de zonden. Dat is de hoop, die door God aan de ziel wordt voorgesteld, zoodat God zegt: „houd vast, grijp den zoom des kleeds aan! wat Ik heb, dat is voor u!" — Deze hoop vast te houden, is de zaak, waar het om gaat. Deze voorgestelde hoop, — hoe dikwijls wordt zij losgelaten ! Alle duivelen, alle machten der duisternis werpen zich op eenen mensch, opdat hij niet vasthoude, niet de toevlucht neme, om de voorgestelde hoop aan te grijpen. Daarom juist voegde God aan de belofte eenen eed toe, opdat Hij door de belofte en den eed het teweegbracht, dat eene ziel door alles heen breekt, — te midden van verderf, zonde en omkomen de toevlucht neemt tot den levenden God, en datgene aangrijpt, wat God de Heere geeft; — dat zij, terwijl duivel, zonde en wet zeggen: „het is niet voor u!" Christus aangrijpe en aan Hem blijve hangen. Dat is Gods troost, ontferming en verlossing. In de verborgen macht der liefde trekt Hij op machtige wijze.
H o e hebben wij nu dezen troost? „ A l s e e n a n k e r der z i e l , h e t w e l k z e k e r en v a s t is." Denk hierbij aan arme scheepslieden op de zee, waar zij door den stormwind overvallen worden; zij hebben niets meer, om zich te redden, weten ook niets meer te bedenken; daar zitten zij nu, — hoe zullen zij gered worden? De scheepslieden hebben voor het uiterste gevaar een noodanker, dat werpen zij dan uit Als het schip door de golven heen en weêr geworpen wordt, en geen enkel anker meer helpt, dan wordt dat noodanker uitgeworpen.
Het arme hart, geplaagd en geslingerd door menigen storm op de baren en in de golven, in den angst, dat het schipbreuk zal lijden, ziet den afgrond voor zich. Daar komt God de Heere met Zijne sterke vertroosting, en wat God gezegd heeft wordt geworpen in het binnenste heiligdom, „in h e t b i n n e n s te v a n h e t v o o r h a n g s e l " . Het hart houdt God het woord voor: „Zoekt Mijn Aangezicht!" gelijk de Heere gezegd heeft: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt!" Het houdt God voor: Gij hebt gezegd: „Wendt u tot Mij, alle gij einden der aarde!" en: „Alle tong zal Mij zweren; men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte!" — „Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw! Ik delg uwe overtredingen uit als eenen nevel". Gij hebt gezegd, dat Gij de barmhartige Vader zijt, Die met waarachtige liefde het arme, verlorene kind wil tegenkomen. — Zoo heeft de arme ziel een zeker en vast anker. Zij wordt vastgehouden. Terwijl zoo menig anker wegens het geweld van den storm niet heeft kunnen vasthouden, is dit anker zeker en vast, het houdt vast ook in eenen bodem, die door de wateren bedekt is, j a in zulk eenen bodem, waar niet de duivel heer is, in den hemel, in het binnenste van het voorhangsel. Ja, de wateren van den nood, van het lijden, van de zonden, — zij zijn tusschen het schip en den bodem. De ziel ziet den bodem niet, zij kan met hare oogen niet in Gods hart zien, God niet zien van aangezicht tot aangezicht, het blijft zaak des geloofs; maar de troost, dien God geeft, dien de ziel aangrijpt, is een troost, waarmede zij door de zonden, door het voorhangsel, door den toorn en vloek heen zich in het hart Gods, in den hemel werpt.
Dat is Gods vertroosting, dat Hij de zonden, de groote en de kleine, alle vergeeft, dat Hij geene enkele er van gedenkt, dat Hij doet naar eeuwige barmhartigheid, dat Hem de volkomene genoegdoening gebracht is, dat Hij betaling heeft voor alle zonden, dat Hij eene andere betaling en gerechtigheid heeft, dat die voor Hem geldt, en dat Hij op grond v^n deze gerechtigheid zonden vergeeft en aan den arme en ellendige eeuwig leven schenkt en hem de gerechtigheid toerekent, als had hij nooit zonde gehad. Dezen troost geeft God, en waar de ziel uit God is, daar is waarachtige honger en dorst en liefde tot de heiligheid, daar is in de ziel niets dan een zichzelf aanklagen en veroordeelen; daar is echter ook dit in de ziel, dat men van God, van Golgotha niet aflaten kan ; daar geeft God den troost, en te midden van de golven en de stormen, waarin de dood over den mensch heengaat, wordt Gods "Woord, de troost, als een anker in den hemel geworpen. Zoo hebben wij tot Gods vertroosting de toevlucht te nemen; en nu mogen duivel en wereld doen, wat zij willen, God belacht en bespot hen; want waar God in het hart wordt gegrepen, waar Hij met de belofte en den eed wordt vastgehouden, daar is het anker zeker vast, daar kan het schip midden in den storm niet stranden.
Is daarbij iets gewaagd, dat het door het voorhangsel gaat? Achter het voorhangsel is een heilig donker, totdat het licht doorbreekt. De Heere maakt den armen zondaar tot eenen hoogepriester, zoodat Hij hem leert in te gaan. Zoo gaat dan de ziel in den troost, in het binnenste van het voorhangsel, niet met werken, maar met het bloed des Lams, en vindt niet den dood, maar dit, dat God zegent met eeuwige zegening, zoadat ook uit den hemel wordt gehoord: „De Heere zegene u en behoede u! de Heere doe Zijn Aangezicht over u lichten en zij u genadig". De ziel aanschouwt de ark des Yerbonds en de heerlijkheid Gods tusschen de cherubim, zij ziet het vervuld zijn der Wet; dat doet zij echter ingaande met het bloed, zooals God bevolen heeft in Zijne Wet, en zij vindt vrede!
Waarom? Voordat de ziel door het voorhangsel ging, ging een Ander vóór haar door het voorhangsel in; nu is het geen waagstuk meer. Er is Een, Die het heeft gewaagd, en toen Hij het waagde, waagde Hij het voor ons en stortte Zich in den vloed des toorns voor ons.
Wij hebben dus eenen V o o r l o o p e r (Vs 20); H i j is voor o n s i n g e g a a n , en zoo is achter het voorhangsel niet meer toorn, vloek en dood, maar in den hemel der hemelen is genade, barmhartigheid, vrede, blijdschap en eeuwig leven.
Hoe heet Hij? Zijn Naam is J e s u s , Verlosser, Zaligmaker, en Hij draagt dien Naam juist daarom, omdat Hij Zijn volk zalig maakt van hunne zonden. Deze heeft Zich door den vloed des toorns en door den dood gewaagd, en geopend zijn de weg, het hart Gods, de Vaderarmen, de gewisse weldadigheden voor alle armen en ellendigen. Daarboven is niet meer toorn, Hij heeft dien weggenomen; geen dood, geene zonde meer, want Jesus heeft de zonden gedragen, den dood overwonnen; want toen Hij als Voorlooper voor ons inging, heeft God gezegd: „nu zal Aiiron begraven zijn, en zult Gij Mijn heilig Kind zijn; Mozes zal Ik ook begraven, zoodat men niet weet, waar zijn graf is, en Gij, Die U voor de Uwen in de vloeden des toorns hebt geworpen, zult zijn en blijven een H o o g e p r i e s t e r ".
Toen de Apostel Paulus dit schreef, zag hij op dezen Hoogepriester met oogen des Heiligen Geestes. Deze Hoogepriester is daarboven, in den hemel. Hij heeft gezegd: „Vader, Ik heb verzoening voor deze ziel!" Hij heeft bevolen: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt". — Hij ging in met Zijn eigen bloed voor ons, en zoo heeft God hem gemaakt tot eenen Hoogepriester in e e u w i g - h e i d , dat Hij n a a r de o r d e n i n g v a n M e l c h i z e d ek Koning zij en blijve, dat Hij zij een Koning der gerechtigheid, Die naar Zijn believen met de gerechtigheid doen kan, om daarmede te bekleeden degenen, die hongeren naar de gerechtigheid, zooals zij voor Hem geldt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreen, HOOFDSTUK 6 : 18—20.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1898

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken