Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 19.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 19.

13 minuten leestijd

Vers 19. „ D e w i j l wij d a n , b r o e d e r s , v r i j m o e d i g - h e i d h e b b e n , om in te g a a n in het h e i l i g d om d o o r het b l o e d van J e s u s " , . . ..
Eene volheid van troost is in deze woorden uitgesproken. In Vers 18 had de Apostel gezegd: „Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde". De zonde is verzoend, de straf gedragen. Waar dat nu geschied is, dat God op grond van hetgeen Christus heeft gedaan, aan Zijn volk de zonde vergeven heeft, daar is het waarlijk niet meer noodig, dat iemand er eene offerande voor zou brengen.
De offerande van Christus heeft alles volmaakt, heeft den hemel, heeft Goda hart ontsloten. Daarboven ia voor het volk des Heeren geen toorn meer, maar enkel genade, barmhartigheid, vrede.
W i j h e b b e n nu v r i j m o e d i g h e i d , om in te g a an i n het h e i l i g d o m , wij mogen ingaan in het heiligdom, wij worden niet doodgealagen, wij worden niet afgewezen. De toegang ataan ons vrij, wij behoeven niet8 te betalen; de ingang staat open. Dat schijnt niet in overeenstemming te zijn met de ervaring. Wanneer een mensch een zondaar is, wanneer hij gevoelt, dat hij met den levenden God heeft te doen, wanneer hem de zonden drukken, wanneer hij voor God erkent, hoe zondig en verdorven hij is, — dan heeft hij in 't geheel geene vrijmoedigheid. Wij meenen, dat wij ons zouden bedriegen, en dat, wanneer wij zouden ingaan, ons zou worden toegeroepen: „dat ia niet voor u!" Het valt den menach o zoo zwaar, ja het is hem onmogelijk, in het heiligdom in te gaan. Nochtans zegt de Apostel: „Wij hebben vrijmoedigheid". Dat zegt hij in den Heiligen Geest. Naar het grondbegrip beteekent het woord, dat hier gebruikt ia en door „vrijmoedigheid" wordt vertaald : „allea zeggen". Ik mag en moet allea zeggen. Ik waag het in te gaan, evenala Eather: „kom ik om, dan kom ik om!" Ik kan niet andera, ik moet naar binnen, ik moet God alles zeggen Ik heb niets, ik moet het van God hebben en ontvangen, anders ben ik verloren! Ik kan mij den mond niet laten stoppen, dat ik niet zou staande houden, dat alleen God mij helpen kan en helpen wil, dat het in het heiligdom toch voor mij ligt.
Vrijmoedigheid om in te gaan is eene vrucht, die God alleen geeft, een werk Gods, des Heiligen Geestes. De Heilige Geest geeft vrijmoedigheid voor God; want de Apostel zegt dat in den Heiligen Geest. Daar behoeft hij niet te zeggen, dat b ij o n s de vrijmoedigheid ligt, maar d i t kan en moet hij zeggen : dat wij bij God vrijmoedig mogen ingaan, dat voor een arm zondaar bij God geen hinderpaal in den weg ligt, dat er van Gods zijde in 't geheel geene belemmering is, maar dat alles vrij en open staat.
In het heiligdom moeten wij ingaan, zooals wij zijn, als zondaars, als verlorenen. Dat ligt in heel de Wet uitgesproken. Daar staat er geen enkel woord van, dat een mensch zich eerst moet rein gewaaachen hebben, voordat hij in het heiligdom tot den Heere nadere, neen, de gansche inrichting van den eersten tabernakel was daartoe bestemd, dat men zou ingaan en in het heiligdom zich laten wasachen. Wie buiten het heiligdom, buiten den tabernakel, zich had willen reinigen, zou zich den duivel gereinigd hebben. In den tabernakel was altijd bloed en water; van den morgen tot den avond waren daar vele en velerlei offeranden voor de zonden; het allermeest werd er geslacht op den dag der rust, en alles werd gereinigd, wat onrein was. — Dat is Goda Wet. Als een mensch zich heeft verontreinigd, heeft hij een lam te brengen, voor den Heere te komen en zich te reinigen in het bloed des lams, — en is het lam geslacht, het bloed vergoten en hij met het bloed gewaaachen, dan heet het altijd: „zoo zal hem zijne zonde vergeven zijn". Zoo staat het naar Goda Wet vast: wie zonden heeft, kome in het heiligdom, en late zich reinigen met bloed en water! Een iegelijk, die zonden heeft, kome in het heiligdom, brenge meê het offer, dat verordend is, late zich waaschen, en hij zal rein zijn van zijne onreinheid. — Dat waa de Wet in het beeld.
Nu staat de eeuwige Wet daar zelf. Het staat vaat: wij hebben de vrijmoedigheid, om zonder offeranden in te gaan in het heiligdom, — niet in het vleeachelijk, uitwendig heiligdom.
De Apoatel apreekt in een beeld en bedoelt den hemel. In het heiligdom dea tabernakela stond de ark des Verbonds, bedekt door de heerlijkheid des Heeren. Ia de ark lag de Wet, en op de ark rustte de heerlijkheid der genade. De Ileere woonde daar tussohen de cherubim in het donker. Daarvóór hing een voorhangsel; niemand mocht er binnenkomen. Alleen de hoogepriester ging telken jare in met bloed; daarmee besprengde hij de ark des Yerbonds; en dan ontving hij van God den zegen voor het volk. Dit heiligdom heeft opgehouden. Het heiligdom is daarboven in den hemel. Wat is daar ? In den hemel woont God. Deze God is een verterend vuur voor de overtreders van Zijne geboden. Dat gevoelt meer of minder een iegelijk onzer. En ieder onzer heeft het met dezen God te doen.
Heden of morgen vindt Hij ons. Sterven moeten wij allen en moeten dan voor God verschijnen, en dan wordt het bewijs gegeven, dat God de zonde straft met eene eeuwige straf, dat is: met de verdoemenis in de hel!
Waar moet ik nu heen, als mij de duivel niet zal halen? Moeten wij in onze zonden omkomen? Mogen wij op onze zonden blijven zitten en denken: „zij zijn te groot! m i j ne zonden zijn te groot! voor anderen mag het waar zijn". . . .?
Ach, zóó spreken de meesten: „Zou het voor m i j zijn? neen, ik kan het niet gelooven! i k mag niet komen, i k mag niet i n g a a n ! " Evenwel, wij hebben het Woord W o o r d te laten zijn, en het Woord zegt, dat wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom, in den hemel, waar God is, waar Zijn genadetroon staat. Christus is ter Rechterhand Gods des Yaders, — Hij, onze Heer en Koning en Hoogepriester, heeft eene eeuwige gerechtigheid aangebracht, heeft de zonden weggedragen, zoodat er voor God geene zonde en schuld meer is — voor wien? Ik moet weten, hoe het daarboven voor m ij uitziet.
Daarboven troont de genade, geen toorn. Ter Rechterhand Gods zit niet de duivel, maar Jesus Christus, Die eene eeuwige gerechtigheid heeft aangebracht, Die ons vleesch en bloed aangenomen en de Wet vervuld heeft.
De Apostel spreekt niet van driestheid, stoutheid of vrijpostigheid, maar van „vrijmoedigheid" of blijmoedigheid door het bloed van Jesus. — Daar is er een einde gekomen aan elk „maar". Ik kan u niets anders prediken, dan wat de Apostel zegt. Ik kan u niets anders leeren dan deze wet: Wie zonde heeft, die kome met het Lam, d. i. met Christus. God had eenen verzoendag gegeveD, die telken jare gevierd werd. Dan ging de hoogepriester in het heiligdom met het bloed der beeprenging en reiniging voor de zonden, en bracht terugkeerende vergeving der zonden meê voor al het volk. Die wet heeft God gegeven, en alle duivelen zullen ze niet kunnen omverstooten.
Nu heeft God Zijn volk tot priesters gemaakt, gelijk geschreven staat; zoo kome het dan in het heiligdom met zonden tot het bloed en het water, om zich te reinigen. Een iegelijk kome echter met z i j n e zonden; niet met de zonden van eenen ander, maar met zijne eigene.
Gij hebt alle geboden Gods overtreden, voornamelijk de geboden der eerste tafel, en verder ook de geboden der tweede tafel. Zoo zijn er dus zonden, en er helpt niets aan: gij hebt met deze zonden in te gaan in het heiligdom. Dat is Gods wet, en daartoe zijt gij zelf priester; dat weet gij uit den Heiligen Doop, — daarin zijt gij gezalfd geworden tot priester zoowel als tot koning. Gij zijt gansch en al zonde, — ga dan in het heiligdom, anders doet gij uwen plicht niet; want het is Gods wet en wil, dat gij dat doet, en een andere weg deiverlossing is er niet. Gij moogt niet op uwe zonden blijven zitten, maar hebt in te gaan en ze af te wasschen. Zoolang gij van den hemel wegblijft, heeft de duivel u in zijne macht. Welaan dan, het heiligdom ingegaan; door God tot priester gezalfd, hebt gij daar in te gaan, en wel: met zonden, niet zonder zonden. Zonder zonden zijn de heilige engelen, do duizendmaal duizend, die voor Zijn Aangezicht staan.
Wat hier op aarde is, is alles zonde. Daartegen nu hebben wij van God geene andere openbaring, dan dat Hij hemel en aarde gemaakt heeft uit niets, en verder deze allergrootste openbaring: „Alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft". Het is dus uw plicht, uwe roeping, Gods zalving brengt het meê, dat gij u opmaakt, om den hemel in te gaan met uwe eigene zonden; want de priester brengt allereerst zijne eigene zonden.
Kunt gij zóó vergeving vinden? Zal u vergeven worden? Zult gij niet doodgeslagen worden? Antwoord: „Wij hebben vrijmoedigheid..... door h e t b l o e d v a n J e s u s " . Kom dus met bloed ! Maar niet met u w bloed, — in u w bloed is de dood! de zonden zijn er in! Het helpt u dus niets, wanneer gij u laat doodgeeselen; gij kunt niet komen met het bloedzweet van uwe werken, — in uwe werken is ook de dood! — maar kom met het bloed van Jesus!
Waarom schrijft de Apostel: „door het bloed van J e s u s "? en niet: „door het bloed van Christus", of: „van Jesus Christus", of: „van den Zone Gods"? Om ons de overtuiging te geven, dat in Zijn bloed de herstelling van onze geheel verloren zaak l i g t ; want de Naam „Jesus" beteekent: Hersteller. In Zijn bloed is leven voor eenen doode, eenen zondaar, eenen vervloekte, iemand, die waarlijk hulp noodig heeft. De Naam „Jesus" duidt aan, dat wij eenen Zaligmaker hebben, Die eeuwig leeft, om zondaars te verlossen van hunne zonden.
Hoe kan ik nu in den hemel ingaan met het bloed van J e s u s ? Is het niet zóó, dat het met mij en al wat uit mij voortkomt eene afgesneden zaak is, en dat ik dus op grond van hetgeen de Heere voor mij heeft gedaan in Zijnen Naam toetreed? Wat doet het bloed? Het bloed verzoent ons met God. Het bloed van Jesus spreekt betere dingen dan dat van Abel. Jesus' bloed roept tot God: „Ik wil niet, dat deze verloren ga!" Het staat vast: Jesus Christus is hier geweest, Jesus Christus is geboren uit eene maagd, is verzocht geworden, doch zonder zonde, is gestorven aan het hout des kruises, is opgevaren ten hemel, en zit ter Rechterhand Gods. Wat Hij gedaan en geleden heeft, heeft eene eeuwige waardij. Het bloed, dat uit Zijne heilige wonden vloeide, dat predikt nog voor God; want Zijne daad is eene eeuwig versche, levende, duurzame daad voor God, is altijd en ieder oogenblik voor Gods Aangezicht. Wanneer wij dus met het bloed van den Heere Jesus komen, dan vinden wij bij God gewisselijk vergeving van al onze zonden. Als wij met dit bloed komen, dan hebben wij de vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom.
Daar heeft men dan zelf alle vroomheid verloren, — men is een zondaar, men is vloekwaardig, men gevoelt het. Maar terwijl God eene wet heeft gegeven, dat men tot Hem heeft te komen, is er nu ook de Heilige Geest, zoodat er een heilig „moeten" is, om met zonde en schuld tot God te gaan. Hij werkt het, dat er eenerzijds een vreezen en beven is, en dat men anderzijds zonder terughouding God alles zegt, — dat men vrijmoedig ingaat en daar staat zooals de koning Esther.
Er zijn in de wereld allerlei gestichten, waar niet ieder blijven kan, die er in komt. Er zijn weeshuizen, daar worden alleen weezen opgenomen. Er zijn armenhuizen, daar wordt een rijke niet opgenomen, maar alleen armen. Wie dus arm is, voor dien is er eene wet van regeeringswege, dat hij mag en moet komen.
Juist dit, dat hij arm is, geeft hem de vrijmoedigheid en het recht om in te gaan. Hoe armer, des te eerder kan men er in komen. De armste gaat voor. Zoo is ook hier d i t het recht: al wat zonden heeft, dat zal Zijn volk zijn, die allen brengt Hij te zamen in Zijnen heerlijken hemel. Daarvoor heeft Hij Zijnen hemel open, en daar liggen allo mogelijke schatten der genade. Nu moeten zij dan allen komen. Zij hebben meê te brengen wat de Heere Zelf aan het kruis voor hen heeft bereid: het bloed van Jesus.
Waarom hebben wij evenwel zoo vele maar's? Waarom wordt er zooveel gezondigd tegen het Eerste Gebod? Vanwaar de afgoden? O, het genot der zonde! dat men zelf iets wil zijn, en meent te zijn! Daar heeft men zonden, wil ook geloof hebben, wil zich nog wat heiligen, wil heiliger zijn, dan men is. Maar wederom heeft men zooveel zonde. Zóó veel zonden kunt gij echter niet hebben, dat zij u in den weg zouden staan, öm in den hemel te komen. Wij allen hebben zonden en kunnen daarvan geen rekenvoorstel maken.
Zijn wij overtreders, zoo hebben wij ons op te maken, — waarheen? Tot de wereld? om in de zonde te blijven? De Apostel zegt, dat wij tot den Heere hebben te gaan. Waar is Hij ? Hij laat Zich allerwegen vinden. Wij hebben, daar wij zonde hebben, met het bloed van Jesus te komen. En dan mogen alle duivelen en de gansche hel zeggen: „gij moogt niet! het is niet voor u!", zoo antwoord: „het staat geschreven!''

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 19.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken