Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 22.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 22.

16 minuten leestijd

Vers 22. „Zoo l a a t o n s t o e g a a n m e t e e n w a a r a c h t ig h a r t , in v o l l e v e r z e k e r d h e i d des g e l o o f s , onze h a r t e n g e r e i n i g d z i j n d e van h e t k w a a d g e w e t e n, e n h e t l i c h a a m g e w a s s c h e n z i j n d e met r e i n w a t e r ."
IIet besluit, dat de Apostel uit Vers 19—21 trekt, is dus: „zoo I a a t o n s t o e g a a n ! " Dat is zeker eene groote genade, wanneer men voor de deur der genade ligt en in 't geheel geene hoop heeft om binnen te komen of binnengelaten te worden, — wanneer men zoo gaarne zou ingaan, maar de wet is daar, zonde en schuld en het kwaad geweten is daar en belet ons in te gaan ; de duivel is daar en drijft den mensch weg; God is heilig, en men gevoelt zichzelf door en door zonde, en men heeft geene kracht en macht, om zichzelf van de zonde los te maken. Wie oprecht is, die is ten slotte met al zijn doen ten einde raad; hij kan niets meer, en zou toch gaarne ingaan, maar men mag niet, men heeft gezondigd en gevoelt het, dat men van de zonde geheel en al ingenomen is. Men heeft oogen en ooren verloren, de toestand is ontzettend geworden, en men ziet in 't geheel geenen uitweg meer. En zie, daar komt nu iemand en zegt: „laat ons toegaan!"
Wie is dat? Een man, die niet zegt: „komt hier!" maar: „laat ons toegaan!" Waar bevindt zich dan deze man? Hij is er buiten, evenals wij. Is hij in het heiligdom geweest? Voorzeker, want hij vertelt van het heiligdom allerlei liefelijke dingen, om den armen zondaar moed in te boezemen. Maar al is hij er in geweest, hij is er nu toch weêr buiten, bij de zondaars. IIet is de Apostel Paulus. Maar is dat dan niet een bijzonder heilig man ? Hij is geheiligd door Christus. Deze man heeft ieder oogenblik van noode in te gaan, — evenals het kind, dat dorst heeft, noodig heeft, dat zijne moeder het opneme en verzorge. Hij is een arm zondaar Hij is niet een man, die heden heilig is en morgen een zondaar, neen, hij is eens voor altijd een zondaar, hij blijft een zondaar en sterft als een zondaar, en heeft nochtans goed geleefd! Hij heeft immers geschreven, niet: „ik was de voornaamste der zondaren", maar: „ik ben de voornaamste der zondaren". Al heeft ook deze en gene schrikkelijk gezondigd, zoo meent de Apostel toch, dat er geene vreeselijker zonde is, dan de Gemeente van Christus te hebben vervolgd. Zoo is hij dan eens voor altijd een zondaar geworden en een zondaar gebleven.
Daarom schrijft hij dan: „Zoo laat ons toegaan". Waar toegaan? Tot den troon der genade, in het heilige der heiligen, waar God woont, in den hemel. Tot wat voor menschen zegt hij dat? Tot zulken, die zonden hebben, die bevlekt zijn. — Wij hebben hier een huis of paleis, niet zooals de paleizen van de machtigen der aarde zijn, maar een paleis Gods, een huis Gods, — en naar het bevel en de Wet Gods zal daar binnenkomen al wat zonden heeft. God weet, wat voor maaksel wij zijn. Hij ziet tot in het binnenste van het hart en weet, wat daarin is, Hij ziet ook de afschuwelijkste gedachten daarin. voor Hem ligt alles open en bloot. Deze God nu heeft een bevel uitgevaardigd, dat alle armen, die schuldig zijn, die gezondigd hebben, in Zijn huis zullen komen, en zij allen zullen gereinigd worden met bloed en water.
David bidt in den 51sten Psalm: „Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn", en erkent dus met smart, dat hij geheel melaatsch is. Wij kunnen dat echter niet altijd zoo in waarheid belijden; — ja, wanneer men een bijzonder gevoel van zonde heeft, maar anders niet, en indien ook wel, zoo dringt het oog toch niet door tot de diepte der zonde, waaruit alles voortkomt. Waar echter God met Zijnen Geest begint te werken, daar wordt het voortdurend erger. Men kan niet meer voor God met een goed geweten wandelen, in het binnenste is alles onreinheid, en men is voor de Wet geheel melaatsch geworden, en men blijft melaatsch. De Apostel Paulus roept: „Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Waar het dan zóó is, dat de mensch dit van harte belijdt, dat hij daaronder verbroken en verslagen is, en met den Psalmist zegt: „Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, Nu gansch melaatsch, zal rein zijn en genezen", — wat doet de mensch daar? Daar ligt hij voor de deur der genade, maar heeft niet den moed om toe te gaan. Daar moet eerst een mensch komen en tot hem zeggen: „Zoo laat ons toegaan".
Hoe toegaan? „Met een w a a r a c h t i g h a r t . " Wat is dat? Wij lezen Ps. 32 : 2: „Welgelukzalig is de mensch, in wiens geest geen bedrog is". Wanneer dat nu de oprechte leest, dan overvalt hem vreeze en angst, dewijl hij zonden heeft, en hij zegt bij zichzelf: „in mijn hart is bedrog, er is valschheid in! — zoo is dat dus niet voor mij". Zoo ook, wanneer zoo iemand in den 5ls t e n Psalm leest: „Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste", dan denkt hij dadelijk: bij mij is in het binnenste enkel leugen, in mij kunt Gij geen behagen hebben. Hij leest Jak. 1 : 6 : „Die twijfelt, is eene baar der zee gelijk", en denkt: ik heb geen geloof, bij mij is niets dan twijfel! — Zoo oordeelt zoo iemand zich zelf, en de duivel is daarbij de uitlegger van het Woord, om den mensch er van af te houden, dat hij zich tot de genade zou uitstrekken. Zoolang wij de zonde willen vasthouden, om de zonde zelf weêr goed te maken, hetzij door berouw of bekeering, hetzij door geloof, gebed of ernstig' strijden, zoolang denken wij van onszelf en van ons hart goed, en al beschuldigen wij onszelf en ons hart, zoo denken wij niettemin: het is toch goed. —
In d i e n s hart echter is geen bedrog, dien geene zonde van God terughoudt, maar die voor de deur der genade ligt, op hoop gevangen, — o, wat zal hij gelukkig zijn, wanneer eenmaal de deur voor hem opengaat! — Hoe ziet het er nu in ons hart uit? Dat zien wij aan de kinderen. De mensch wil zich voor God handhaven en wil Hem toonen, dat hij de zonde haat. De kinderen loochenen het kwaad, zoolang zij kunnen, totdat zij op heeterdaad betrapt worden ; dan moeten zij wel toestemmen, dat zij het gedaan hebben. Wij kunnen wel veel van zonde spreken en zeggen, dat wij vol zonde zijn, dat wij er onder bedolven zijn; maar wanneer wij door eenen rechtvaardige op eene enkele zonde betrapt worden, dan willen wij het langen tijd toedekken en stellen alles in het werk om onze vroomheid te handhaven en denken bij onszelf: ik ben toch een rechtschapen mensch! Men wil niet weten, wat men is. Zóó gaat het toe onder de menschen; maar voor God staat de zaak veel erger. Juist de zonde, die het ergst is, die men het meest begaat, voor God te belijden en bloot te leggen, — dat gaat op leven en dood. Het moet er eindelijk toe komen, — en bij Gods kinderen komt het er ook toe, dat zij zich niet meer kunnen afgeven met hetgeen zij gedaan hebben, maar bekennen: „mijn God, Gij weet, hoe ik tot nu toe gewandeld heb, — al wat uit mij voortkomt, is boos". Zoo komt een oprecht hart er toe, dat het afstand heeft gedaan en doet van alle werken en van alle doen. Dan staat men God niet meer in den weg, en God wordt niet meer gekweld met allerlei diensten, neen, men heeft afstand gedaan van alle werken der wet en Gode de Wet in de hand gegeven. Dat is een oprecht hart.
Menigeen laat zich weerhouden van toe te gaan tot den Heere, en daar zegt hij dan, dat hij nevens den nieuwen mensch nog eenen ouden mensch heeft. De zaak ligt echter geheel anders, — het hart strekt zich tot de wereld uit. Het is een daad der almachtige genade, dat een mensch de wereld met hare begeerlijkheid geheel verloochent, dat een mensch van den ouden stam geheel afgeslagen wordt. De mensch heeft zijne behoeften, — hij heeft het oog op eene bruid of eenen bruidegom, op vrouw, kinderen, voordeel, hij heeft iets te wachten, allerlei zichtbare dingen, — „ja, dat moet ik toch hebben! nu, men kan ook immers dit en dat wel toegeven", denkt h i j , „men kan God immers wat wijsmaken, de zaak laat zich immers draaien!" Zie, er zijn duizenderlei dingen in de wereld, — en God wordt daarvoor verloochend. Is er waarheid in het hart, dan heeft men daar geene rust bij, dan kan men zich niet zelf met eenen ijdelen troost troosten. Waar daarentegen geene waarheid in het hart is, daar is óók wel somtijds onrust, zoodat men bedrukt zijnen weg gaat. — er is wel somtijds vreeze, angst en beklemming, — maar men verkiest toch de wereld. Wie waarachtig voor God tot arm zondaar is geworden, die kan niet meer leven en dood bij zich vereenigen, — het gaat niet meer' het moet buigen of breken, maar zoo in halfheid kan men niet meer voort, men is te arm, te ellendig geworden. Deze keuze is er: ik moet den Heere hebben, ik moet genade hebben van God! Men geeft alles prijs, wat den mensch terughoudt van toe te gaan tot God: geld en goed, al wat men heeft en wat men is, Farizeën en Sadduceën, — men moet genade hebben ! Dan kan men niet meer op twee gedachten hinken, niet meer twee wegen bewandelen, het half met de Schriftgeleerden en Farizeën houden, om er zóó voor te zorgen, dat men wat in den zak krijgt. Waar geen waarachtig hart is, daar is ook geen toegaan tot God ; dat is alleen bij een waarachtig hart. God heeft hemel en aarde gemaakt, dat heeft Hij voor Zijne kinderen gedaan, — zal Hij dan aan Zijne kinderen niet geven wat zij noodig hebben?
Dat is een waarachtig hart, dat al zijne zonden voor den Heere blootlegt, zij mogen zijn, zooals zij zijn, ja al zijn zij ook nog zoo afschuwelijk, — het hart, dat belijdt: „ik ben melaatsch en blind, ontferm U mijner".
Het verwondert mij, dat ik deze belijdenis zoo zelden vind!
Zoo goed als gij weet, dat het brood op eene vochtige plaats schimmelt, zoo goed weet God, dat wij mensehen zijn. — Dat men toch niet denke: vandaag heb ik het niet goed gemaakt, morgen zal ik het goedmaken! van nu aan zal ik mij in acht nemen, — ik zal inhalen wat ik verzuimd heb! Men heeft veeleer zich aan God te toonen, zooals men is. Zal men echter zich voor God geven, zooals men is, dan moet men van Zijne genade leven, — anders kan men zich aan Hem niet overgeven.
Dat is dus een waarachtig hart, dat Gode alle werken betrouwt. -— Nu komt echter ook het andere, — er s t a a t : „Laat ons toegaan met een waarachtig hart, i n v o l l e v e r z e k e r d - h e i d d e s g e l o o f s ".
Een volkomen geloof moet er zijn. Dat versta ik niet! Ik versta het wel, wat een volkomen geloof is, in zooverre het op het papier staat; maar daar kan ik niet naar vragen, wanneer de nood aan den man komt. Wanneer ik daar lig voor de deur der genade, ja, dan zou ik gaarne toegaan, — als ik maar geloof had, maar er is in 't geheel geen geloof! — Het volkomene van het geloof is de volle verzekerdheid, de volle overtuiging, t e n e e r s t e , dat het bij mij eene afgesneden zaak is, dat ik het tegen de zonde niet opnemen kan. — Jesus is het Lam Gods, — mijn hart gelooft gij het, of gelooft gij het niet? — T e n a n d e r e bestaat het volkomene van het geloof in de volle verzekerdheid of overtuiging, dat Jesus' heilverdiensten toereikend, volkomen toereikend zijn, om de zonden ook van de geheele wereld weg te nemen, en de schuld, ook uwe schuld, te bedekken; — dat Zijne heiligheid rijk genoeg is, om den armen mensch te bekleeden met de kleederen des heils en met den rok der gerechtigheid; — dat, indien alle zonden der wereld op u lagen, Hij ze in een oogenblik van u wegnemen en uitdelgen kon. Gelooft gij d a t ? Dat kunt gij voor uzelf niet gelooven. Het geloof is echter een staf, dien de Heere God geeft, opdat men in de duisternis en donkerheid den weg vinde.
„ O n z e h a r t e n — zóó volgt nu — g e r e i n i g d z i j n de v a n h e t k w a a d g e w e t e n , en h e t l i c h a a m g e w a s - s c h e n z i j n d e m e t r e i n w a t e r " , of: „besprengd in onze harten en vrij van het kwaad geweten, en gewasschen aan het lichaam met rein water", — naar het Grieksch: „wat onze harten aangaat besprengd (d. w. z., dat wij besprengd zijn, besprengd zijn geworden) van het kwaad geweten (d. w. z.: zóó besprengd, dat wij door en ten gevolge van deze besprenging los zijn, af zijn, bevrijd zijn van het kwaad geweten), enz.
Vooreerst dus: b e s p r e n g d , w a t o n z e h a r t e n aang a a t (zóó, dat wij door en ten gevolge van deze besprenging los zijn, af zijn, bevrijd zijn) van het kwaad geweten. Dit moet verklaard worden uit Num. 19, uit hetgeen daar geschreven staat van de asch der roode vaars en het daarmee vermengde water der besprenging, dat op zichzelf niet rein, maar veeleer vuil maakte. Dit beteekent Christus' bloed. Wie eenen doode aangeraakt en alzoo zich verontreinigd had, moest zich met dit water reinigen, door er zich door den priester meê te laten besprengen. Alleen zóó was men gereinigd van de bevlekking van den doode.
I n den diepsten grond van ons hart nu is de dood. Op al onze werken, hetzij zij goed of boos zijn, ook op de beste werken, hebben wij daarom den dood te schrijven en ons wegens die werken te laten besprengen met het bloed van Christus, dat te dien einde op Golgotha is vergoten. Dan alleen kunnen wij in het heiligdom des hemels en tot God komen. De besprenging zelf echter is ook enkel en alleen Gods, des Heiligen Geestes, werk. Zij geschiedt, waar men in volle verzekerdheid des geloofs toegaat.
Gelijk nu door de besprenging met het water, waarin de asch der roodo koe was, de mensch gereinigd, rein gemaakt of losgemaakt, afgebracht werd van de onreinheid en bevlekking van den doode, — zoo wordt de mensch, doordat zijn hart besprengd wordt met het bloed van Christus, los en vrij, afgebracht en gereinigd van het kwaad geweten.
„ H e t k w a a d g e w e t e n " of bewustzijn is het met slechten arbeid, met onvolkomen, ontoereikend werk bezwaarde en belaste geweten; het (als men het niet verkeerd verstaat) werkheilige geweten, het geweten, dat bezwaard is met het „doe dat", met werken der wet; het geweten van den mensch, die zich afgeeft met goed en kwaad, die weten wil, wat goed en wat kwaad is, en daarnaar handelen wil, om iets goeds te doen en met een goed werk voor Gods Aangezicht te komen, ten einde lof te oogsten of ten minste tot zich te hooren zeggen : „gij hebt het goed gemaakt, gij zijt een braaf mensch!" — terwijl toch de meest volmaakte dienst, die immers slechts uit plichtgevoel kan geschieden, slechts plichtsvervulling is, en daarom niet de minste aanspraak op lof heeft.
Een kwaad geweten is een geweten, dat door de zonde verdorven is, zoodat het geene blijdschap heeft om toe tegaan tot God. Wij dragen het bewustzijn met ons om, dat wij zonde hebben, en hebben juist daarom geenen moed om tot den Heiland te gaan. Waar nu het hart besprengd is met het water der besprenging van Christus, daar zal men toch toegaan, bevrijd van het kwaad geweten, — alzóó dat wij van God niets kwaads of slechts denken, zooals Jozefs broeders, nadat hun vader gestorven was, kwade gedachten aangaande hunnen broeder hadden, — alzóó dat wij dus van God niet denken, dat Hij ten slotte toch nog met straf zal komen.
Eindelijk staat er: „Het l i c h a a m g e w a s s c h e n z i j n de met r e i n w a t e r " of: „aan het lichaam gewasschen met rein water". „Aan het lichaam" is hier blijkbaar een beeld voor het gezamenlijke door het lichaam verrichte werk en doen des menschen. Aan en met al zijn doen, met al zijn werk, door en door, moet de mensch gewasschen zijn met rein water, anders mag hij niet tot God komen, hoedanig ook het werk en doen op zichzelf moge zijn, — alles moet, gelijk besprengd, alzóó ook gewasschen zijn, — met het bloed van Christus.
Het wasschen is ontleend en moet verklaard worden uit Ex. 40 : 7, I I , 12 en 30—32. De priesters, wanneer zij in Gods heiligdom wilden ingaan, moesten handen en voeten — de uiterste deelen van het lichaam — wasschen met het water in het waschvat. Alles dus, wat wij volbrengen met ons lichaam, met de leden van ons lichaam, met voeten, handen, lippen, tong enz., hetzij op zichzelf goed of kwaad, moet, wanneer wij tot God willen gaan, gewasschen zijn met het bloed van Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Hebreën. Hoofdstuk 10 : 22.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 april 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken