Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedachtewisseling over de theologie van Dr. H. F. Kohlbrügge, in 't bijzonder over de beschuldiging van Antinomianisme. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gedachtewisseling over de theologie van Dr. H. F. Kohlbrügge, in 't bijzonder over de beschuldiging van Antinomianisme. (2de Gedeelte. — Slot.)

28 minuten leestijd

In No. 529 en 530 van De Gereformeerde Kerk werd vervolgens onderstaande uiteenzetting van B. opgenomen.

WelEerwaarde Heer!
Het zal u zeker niet verwonderen, als ik zeg, dat Uw antwoord op het laatst door mij ingezonden stuk (zie No. 516) mij heel wat te denken heeft gegeven, en dat het mij een spoorslag is geweest tot een vernieuwd onderzoek van de theologie van Dr. Kohlbrügge. Zoo kom ik dan nu terug op uwe aantijging van Antinomianisme. Om den naam van Kohlbrügge spijt het mij, dat ik dat wegens omstandigheden niet eerder heb kunnen doen.
Zooals u De Geref. Kerk naslaande zult zien, hadt U in Uw antwoord op mijn ingezonden stuk (zie No. 514) Uw bezwaar tegen de leer van Dr. Kohlbrügge geformuleerd door te zeggen, dat daarin niet de gansche volheid van Gods Woord werd weergegeven, naardien wel het religieuse (God is rechtvaardig), maar niet het ethische (God is heilig) tot zijn recht kwam. In 516 is deze Uwe meening nader omschreven door de bewering, dat in de geschriften van Kohlbrügge de gereformeerde leer der heiligmaking ontbreekt. Die bewering wordt verder toegelicht door de volgende uitspraken:
1. Kohlbrügge leert geene van de recht vaardigmaking onderscheiden heiligmaking.
2. Bij Kohlbrügge is niets te vinden van de zelfiverkzaamheid van den wedergeboren mensch.
3. Kohlbrügge beziet de menschen eenzijdig van dezen kant: gerechtvaardigden of niet-gerechtvaardig den, en niet van dien anderen kant: wedergeborenen of on-wedergeborenen.
Het zij mij veroorloofd op te merken, dat door deze toelichting of omschrijving van Uw bezwaar de kwestie zeer onzuiver wordt gemaakt. Antinomiaan toch is hij, die aangaande de Wet deze beschouwing is toegedaan: de Wet is geestelijk, ik daarentegen ben vleeschelijk; vleesch en Geest staan lijnrecht tegenover elkander; ik, die vleeschelijk ben, ben dus niet in staat de Wet, die geestelijk is, te houden; de Wet gaat mij daarom niet aan. Indien nu Kohlbrügge dit leerde, dan zou hij met recht antinomiaan genoemd worden. Doch wat is het geval? Leert Kohlbrügge werkelijk, dat daar wij ons voor de Wet onbekwaam hebben gemaakt, wij ons van haar ontslagen mogen achten, of dat een wedergeborene, dewijl Christus voor hem het recht der Wet heeft vervuld, en hij door Christus van den vloek der Wet verlost is, zich om de Wet niet behoeft te bekommeren, ze mag beschouwen als voor hem niet meer noodig, of als afgeschaft, en meer of minder onverschillig mag zijn omtrent de goede werken? Het antwoord geve de beschuldigde zelf. In zijne „ Vragen en Antwoorden tot opheldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismus", 3de druk (Amsterdam, Scheffer & Co.), bladz. 160 en 161, lees ik:
Vr. Waarom is toch dit derde deel aan den Catechismus toegevoegd?
Antw. Om verscheidene zeer goede redenen:
1. De pausgezinden zeiden: De Gereformeerde leer maakt zorgelooze en goddelooze menschen, zij leert alleen maar van geloof en is tegen alle goede werken; de Gereformeerde leer zegt: Indien men maar gelooft, kan men doen wat men wil. Tegen zulke lastering stelde men het derde deel. Ook gaven in dien tijd de Lutherschen in de Palts, die van Luther niets verstonden, allerlei verdraaide en hatelijke uitleggingen aan de Gereformeerde waarheid.
2. Er waren ook toen ter tijd allerlei lichtzinnige menschen, zoogenaamde vrijgeesten of lichtvrienden, voor welke de tucht in de Roomsche Kerk te streng was; die sloten zich aan de Gereformeerde Kerk aan, in den waan, dat derzelver leer hun vrijheid gaf, allerlei ongerechtigheid uit te gieten, en dat zij dan toch ten laatste door genade zouden zalig worden.
3. hl de Gereformeerde Kerk zelve waren velen, die onbekeerd bleven, die de genade tot een oorkussen maakten, om er op in te sluimeren, en inmiddels hunnen wereldschen gang aanhielden en in den dienst Belials bleven.
Aan zulk woest gedierte moest toom en gebit in den mond gelegd worden.
4. De geloovigen dragen vleesch en hloed met zich om: als zoodanig slaan zij voor elke verzoeking bloot en moeten gedurig op den weg der gerechtigheid gehouden worden. Zulks geschiedt wel is waar inwendig door den Geest, maar de Geest bedient Zich daarbij van geenen anderen regel of richtsnoer dan van de Tien Geboden. Binnen deze perken leidt Hij Zelf de geloovigen aan Zijne hand naar des Heeren belofte, tegen alle verzoekingen en uitspattingen van het vleesch. En Hij maakt de geloovigen daarin vrijwillig, in de vrijheid Christi, zoodal zij alleen weten van genade, en juist zóó naar Gods Wet wandelen, zij verootmoedigen zich vanwege hunne onvolmaaktheid aan de Wet, en toch is hun wandel en werk recht.
5. Er kwamen in de Gemeente spoedig zoodanige mensehen op, die in de, Evangelische leer slechts pleisters voor hunne ondeugden en hartepijn zochten, zonder er naar te vragen: Hoe komt God tot Zijn recht, waar blijft de Wel, waar de zonde? — Het ging denzulken niet om heiligheid. Anderen wederom meenden, dat uiterlijke gehoorzaamheid naai• de letter tier Wet ook volbrenging van de Wet Gods was; zij hielden liet daarvoor, dat zij die uiterlijke gehoorzaamheid bezaten, en dal wel van harte; daarom beweerden zij, dat als men geloofde, men ooi: de Tien Geboden volkomen houden kon. — De eerste soort nu heette wetbestrijders, als die leerden, dat al wat men niet houden kan, ook niet behoeft voorgehouden te worden; de tweede, volmaaktheiddrijvers. Tegen beiden dient dit derde deel. Iiitusschen moet elk, die het Woord recht snijdt, zich met lijdzaamheid wapenen tegen de lastering der eigengerechtige en valsche broeders, dat hij zoowel een wetbestrijder als een volmaaktheiddrijver is.
Al wie deze 5 punten met aandacht leest, zal daaruit terstond reeds tot de overtuiging kunnen komen, dat Kohlbrügge aan het gevoelen der antinomianen ten eenenmale vreemd is.
Op bladz. 16 van hetzelfde werkje lees ik:
Waarom is u, om in dezen goddel ijken troost zalig te leven en te sterven, noodig te weten, hoe g i j God voor z u l k e e n e v e r l o s s i n g z u l t d a n k b a a r z i j n?
Antw. Dat kan mij toch geen' waren troost in leven en in sterven geven, dat ik veel van mijne verdorvenheid spreek', en daarbij in mijne zonden blijf berusten, of dat ik den Kaam van den Heere Jesus in den mond heb, en toch in mijnen wereldschen gang en aardsch bestaan en pogen blijf voortgaan: ook dat niet, dat ik God iets vergelden wil met werken, welke Hij niet heeft bevolen, enz.
Wanneer ik nu verder de leerredenen van Kohlbriigge opsla, dan vind ik in overeenstemming met het boven aangehaalde overal den -diepsten eerbied voor Gods Wet, overal de overtuiging, dat zij de volmaakte uitdrukking van Gods wil, dat zij heilig, rechtvaardig en goed is, dat de Heilige Geest den wedergeborene naar geenen anderen regel leidt dan dien van de Tien Geboden, en dat de gerechtvaardigde lust en liefde heeft om naar den wille Gods in alle goede werken te leven, en met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods ook werkelijk begint te leven. Wie zich hiervan spoedig overtuigen wil, die leze eens de eerste leerrede van het VIIde Twaalftal (over Deut. 33 : 2 . Intusschen kan ook elke andere leerrede van Kohlbrügge daarvoor dienen. Al wie w a a r l i j k ernst heeft leeren maken met Gods Wet, zal, wanneer hij aan Kohlbrügge's leerredenen eenmaal kennis heeft gekregen, er zich steeds toe aangetrokken gevoelen.
Uit het boven aangehaalde en uit de leerredenen en verdere geschriften van Kohlbriigge blijkt zonneklaar, dat men dezen getuige der waarheid ten onrechte van antinomianisme beschuldigt. De strijd tusschen hem en zijne beschuldigers geldt dan ook heel iets anders dan de w a a r d e of het g e z a g der W e t , en d a a r a l l e e n k a n i m m e r s h e t w o o r d a n t i - n o m i a a n te paa w o r d e n g e b r a c h t . Wat is het dan, waarin Kohlbriigge verschilt met wie hem tegenstaan? Niet de beantwoording van de vraag, of de wedergeborene al of niet goede werken moet of zal doen, maar wel de oplossing van d e z e vraag: h o e het tot den wandel in goede werken k o m t, w a t de b r o n der goede werken is. En hier leert Kohlbriigge, dat a l l e e n C h r i s t u s de Bron is, dat de wandel in Gods geboden niet ten deele Gods werk en ten deele 's menschen werk is, maar geheel Gods werk; terwijl zijne beschuldigers beweren, dat de goede werken d e e l s Gods, d e e l s 's m e n - s c h e n werk zijn, naardien zij eene kracht stellen in den wil van den wedergeboren mensch, waardoor hij dan met hulp van den Heiligen Geest het goede werkt.
Kohlbrügge leert, dat de wedergeborene door den Heiligen Geest gewillig wordt gemaakt, om zijnen wil in den wil des Heiligen Geestes te laten opgaan en zoo zich door den Heiligen Geest naar Diens wil te laten leiden. Daarin bestaat dan de vernieuwing of heiliging of overbuiging van onzen wil, dat wij gewillig worden gemaakt, om te wandelen niet naar o n z en wil, die boos is, maar naar den wil des G e e s t e s , die goed is, en zoo wandelen wij dan niet in o n z e werken, maar in de werken des G e e s t e s . En wat zijn de werken des Geestes?
Wat de Heilige Geest uit Christus' volheid neemt, en ons toeeigent. En hoe eigent de Heilige Geest ons dat toe? Daartoe schrijft Hij de Wet in onze harten, houdt ons door het geloof aan Christus verbonden, Die de Wet vervuld heeft, en doet ons door dat geloof uit Christus' volheid putten. Zóó zet Hij ons en leidt ons in de goede werken, die God in Christus heeft voorbereid. Zóó doet Hij ons wandelen in de door Christus vervulde Wet. Zóó vervult Christus door den Heiligen Geest, Dien Hij ons heeft verworven en Dien Hij in onze harten laat werken, de Wet ook in ons. Zóó laten wij Christus door Zijnen Geest in ons werken, laten ons door den Geest op Christus wijzen, vinden in Hem vervulling van onze ledigheid, leven uit Zijne volheid, worden door Hem versierd met alle goed werk, dat Hij aan ons wil zien. En zóó wordt dan al de eer van den goeden wandel aan God gegeven en is Christus ons één en al. 1)
Is dit iets anders dan de Gereformeerde leer? Het is niet de Gereformeerde leer der heiligmaking, zegt U; want de heiligmaking gaat hier geheel op in de rechtvaardigmaking.
Ik antwoord: de heiligmaking gaat hier n i e t op in de rechtvaardigmaking, ze wordt er wel degelijk van o n d e r s c h e i d e n , doch niet a f g e s c h e i d e n . En dat dit werkelijk het standpunt van Kohlbriigge is, blijkt o. m. uit hetgeen Cuno uit Kohlbriigge aanhaalt in „Der Heidelberger Katechismus erklärt mit den Worten bewährter Lehrer der ref. Kirche alter und neuer Zeit", bladz. 356: „Die Heiligung ist von der Rechtfertigung wesentlich unterschieden. Soll aber die Heiligung eine wahre sein, so dürfen ivir sie von der Rechtfertigung nicht trennen, vielmehr thut es uns durchaus Noth, dass wir uns fortwährend bei der Rechtfertigung aufhalten und daraus wirken, um in wahrhaftiger Heiligung vor Gott und Menschen zu wandeln".
In overeenstemming met deze woorden vindt men in Kohlbriigge's leerredenen en geschriften, zooals o. a. ook blijkt uit de beide aanhalingen uit de „ Vragen en Antwoorden" hierboven, zeer zeker eenc heiligmaking, onderscheiden van de rechtvaardigmaking. "Wie daarvoor meerdere zekerheid wil, die raadplege o. a. Kohlbrügge's leerredenen over den lslt11 Brief van Petrus en de reeds genoemde leerrede over Deut. 33 : 2.
Wat men echter n i e t bij Kohlbriigge vindt, dat is eene heiligmaking, die geheel of gedeeltelijk in o n z e hand gesteld is, want d i e wordt door Kohlbriigge terecht als onschriftuurlijk beslist verworpen.
Is Kohlbriigge hierin nu ongereformeerd? Stellig niet. Onze Gereformeerde Ileidelbergsche Catechismus noemt in Yr. 24 onze heiligmaking het werk van God den Heiligen Geest, evenals onze verlossing het werk van God den Zoon. En in Yr. 53 wordt gezegd, waarin onze heiligmaking bestaat, namelijk dat de Heilige Geest ons Christus en al Zijne weldaden deelachtig maakt, ons troost en eeuwig bij ons blijft; dit hebben wij dan oprechtelijk te gelooven. Ook hier dus de heiligmaking geheel uit onze handen genomen. Op hetzelfde standpunt staat ons Gereformeerd Doopsformulier, waar het zegt, dat de Heilige Geest „ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeeigenende hetgeen wij in Christus hebben'". In Art. 24 van onze Gereformeerde Geloofsbelijdenis, handelende „van de heiligmaking des menschen en de goede werken", is ook niets te vinden, dat niet evenzoo door Kohlbriigge wordt geleerd. „ Wij zijn in (of aan) God gehouden voor de goede werken, die wij doen", zóó lees ik daar. Welnu, dät is het juist, waarop Kohlbriigge den nadruk legt.
Vindt men dan soms bij Luther of Calvijn iets anders? Ook niet. Men leze Luthers Werken, uitg. Walch, Bd. 10, bladz. 116 vv., zoo zal men moeten erkennen, dat Kohlbriigge geheel en al hetzelfde leert. Laat mij in 't bijzonder de aandacht vestigen op deze woorden van Luther: „Het heilig-maken is is niets anders dan tot den Heere Christus brengen, opdat wij dat goed, die weldaad zouden ontvangen, waartoe wij uit onszelven niet konden komen". En wat zegt Oalvijn ? „Gij kunt de gerechtigheid van Christus niet aangrijpen, of gij grijpt meteen aan de heiligmaking. Want Hij is ons gegeven tot rechtvaardigheid, wijsheid, heiligmaking en verlossing. Allen, die dan in Christus gerechtvaardigd worden, die worden ook te gelijk van Hem geheiligd. Want deze weldaden zijn door eenen eeuwigen en onscheidelijken band te zanten gevoegd, zoodat Hij die verlost, die Hij door Zijne wijsheid verlicht, en dat Hij die rechtvaardigt, die Hij verlost, en dat Hij die heiligt, die Hij rechtvaardigt. Maar dewijl alhier alleenlijk van de rechtvaardigheid en. heiligmaking krakeel en twist is, zoo laat ons daarop ook alleen aanhouden. Alhoewel wij dan die twee weldaden onderscheiden, zoo zijn ze nochtans beide onafscheidelijk in Christus. Wilt gij derhalve rechtvaardigheid in Christus verkrijgen? zoo moet gij Christus eerst bezitten. En gij kunt Hem niet bezitten, of gij wordt te gelijk Zijne heiligmaking deelachtig: want Hij kan niet in deeten en stukken verscheurd worden. Dewijl clan de Heere deze weldaden ons geeft te genieten, doordien Hij Zichzelven aan ons mededeelt, zoo schenkt Hij die beide te gelijk, en nimmermeer de eene zonder de andere." (Inst. III. 16. 1.)
Ook hier dus volmaakte overeenstemming met hetgeen Kohlbriigge leert. Terloops merk ik hier op, dat Kohlbriigge blijkbaar zich niet aangesteld heeft, alsof de Gereformeerde leer in d e z e eeuw nog eerst moest gevonden worden, maar ijverig heeft schoolgegaan bij eenen Luther en Calvijn, en dat hij zich liever tot de mannen van den frisschen hervormingstijd heeft gewend, dan zich te laten onderwijzen door mannen van eenen lateren tijd, toen het eigen ik, dat den Heere God nooit op den troon kan laten, zich tersluiks weèr in de leer begon te doen gelden.
Wat verder betreft uw bezwaar, dat bij Kohlbriigge niets te vinden is van de zelfwerkzaamheid van den luedergeboren mensch, zoo is het mij niet volkomen duidelijk, wat U bedoelt. Is Uwe bedoeling, dat Kohlbriigge leert, dat de wedergeborene n i e t w e r k z a a m is in goede werken, dan mag ik Uwe meening door het bovenstaande weêrlegd achten. Is echter Uwe bedoeling, dat de mensch in het stuk van den wandel in de heiligmaking iets zou vermogen uit kracht van wedergeboorte, vernieuwden wil enz., alsof hij met verleende krachten en gaven of hoe ook, maar in elk geval op z i c h z e l f , zonder deelneming van den Heiligen Geest, het goede zou kunnen werken, en dat Kohlbriigge dat n i e t leert, — dan hebt II volkomen gelijk, want inderdaad dat leert Kohlbriigge niet, dat verwerpt hij beslist als ongereformeerd, en met hem de opstellers van onze Gereformeerde belijdenisschriften, in 't bijzonder de Hervormers der 16dc eeuw. Het slot van Art. 12, Hoofdstuk III, IV, van de Dordtsche leerregels schijnt zulk eene leer wel toegedaan, doch het is ook niet meer dan schijn. Want indien daar bedoeld werd, dat de Heilige Geest, na den wil te hebben bewrocht, hem nu aan zichzelf kon overlaten, dus het van den wil des wedergeborenen kon laten afhangen, of de goede wandel zou te voorschijn komen, dan zou in de volgende Artikelen (13, 14) niet zóó de nadruk zijn gelegd op het gel o o f als het middel, waardoor God alles werkt; dan zou in Art. 13 zeker niet volgen: „doch zij (de geloovigen) berusten 1) ondertusschen hierin, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods van' harte gelooven, en hunnen Zaligmaker liefhebben"; en dan zou aan het slot van Art. 14 zeker ook niet staan, dat „het geloof eene gave Gods is in dien zin, dat God het gelooven te willen, en het gelooven zelf, in den mensch Zelf uitwerkt; Hij namelijk, Die het willen en volbrengen, en dus alles in allen werkt". Ook in Art. 11 is niet gezegd, dat de goede boom, waarvan daar sprake is, op z i c h z e l f , zonder voortdurende inwerking van den Heiligen Geest, goede vruchten kan voortbrengen. Dergelijke beweringen waren met eenen schijn van recht ook wel op de bewoordingen van den Heidelbergschen Catechismus te gronden, maar de Catechismus, door zichzelf toegelicht, weerspreekt ze.
Intusschen, dat de v e r n i e u w d e wil de bron der goede werken is, wordt door niet weinigen heden ten dage geleerd.
Men gewaagt daarbij wel is waar van de hulp des Heiligen Geestes, maar het spreekt vanzelf, dat zoodra ik van eenen h e l p e n d e n Heiligen Geest spreek, ik veronderstel, dat er in den mensch al eenige kracht is gelegd, en de Heilige Geest kan dan alleen dienen, om den mensch de behulpzame hand te bieden, maar zoo moet dan de Heilige Geest Zijne eer met <len mensch d e e l e n . Wil de Heilige Geest dat? „Ik zal Mijne eer aan geenen ander geven", zegt de Heere bij Jesaia (42 : 8). En gelukkig, dat God dat niet wil, want wat zou er van den wedergeboren mensch worden, als hij het goede moest werken met behulp van verleende gaven of krachten ? Wie zou hem het goede gebruik van die gaven of krachten •waarborgen? De Heilige Geest natuurlijk niet, want Diens ambt is natuurlijk niet den m e n s c h groot te maken, maar « C h r i s t u s te verheerlijken. Er m a g dus op hulp des Heiligen Geestes n i e t gerekend worden. Zoo zou dan de mensch verantwoordelijk zijn voor het goed gebruik van de hem verleende krachten. Wat met die k r a c h t e n gedaan k o n worden, i n o e s t hij dan ook doen, en wel z o n d e r Heiligen Geest, z o n d e r Christus. Zoo zou dan op eenmaal het werkverbond •weêr opgericht, de genade te niet gedaan zijn, en zou Christus «den mensch ijdel zijn geworden. Dat alles nu is een gevolg daarvan, dat men twee dingen wil samenkoppelen, werkverbond <;n genadeverbond, waarvan Paulus zegt, dat ze onvereenigbaar zijn, als hij schrijft: „Indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geene genade meer".
Welke verklaring Dr. Kleijn geeft van de woorden: „opdat wij hoe langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken" (Heid. Cat. Vr. 115), heb ik niet kunnen te weten komen. Jaargang 1890 91 van De Gereformeerde Kerk is niet onder mijn bereik. Ik kan dus de verklaring van Kohlbrügge niet met de zijne vergelijken, maar met de Schrift vergeleken blijkt Kohlbrügge's verklaring op waarheid te zijn gegrond. U vindt ze op bladz. 222 en 223 van de reeds vermelde „ Vragen en Antwoorden". (Zie hierbij de verklaring van 1 Cor. 3 : 18 in „Opleiding tot recht verstand der Schrift", 2" druk, bladz. 80.)
Wat ten slotte betreft uw bezwaar, dat Kohlbriigge „de menschen eenzijdig van dezen kant beziet: gerechtvaardigden of niel-gerechtvaardigden", dat bezwaar zal zeker geen bezwaar, en die eenzijdigheid geene eenzijdigheid zijn, als men weet, dat Kohlbriigge g e e n e rechtvaardiging kent, die een dood iets is, eene rechtvaardiging, die n i e t hare v o o r t d u r e n d e werking zou hebben in het leven van den gerechtvaardigde, maar wel z u l k eene, die, zooals Calvijn zegt, niet kan aangegrepen worden, zonder dat te g e l i j k de heiligmaking wordt aangegrepen. Uit de aanhaling uit de Institutie hierboven blijkt, dat er ten dezen tusschen Calvijn en Kohlbriigge geen verschil is. 1)
Ook de plaats Inst. II. 7. 12. staat niet t e g e n o v e r Kohlbrügge's gevoelen, zooals door U ten onrechte wordt voorgesteld. Calvijn spreekt daar van het n u t der Wet, dat zij namelijk den geloovige dagelijks meer aangaande den wil Gods onderwijst en hem opmerkzaam maakt op zijne onvolkomenheid en traagheid Het is echter n i e t Calvijns bedoeling, dat de geloovige dan de Wet zal in de hand nemen, om daarmeê uit kracht van zijnen vernieuwden wil het goede te werken. Daarvan lees ik daar niets, maar wel dit, dat hij heeft te jagen naar G o d s gerechtigheid. Waar men nu spreekt van gehoorzaamheid aan Gods wil, daar dient zeker vóór alles de vraag beantwoord, w a a r men de kracht tot gehoorzaamheid heeft te zoeken, in zichzelf öf in Christus. En hier geeft Kohlbriigge geen ander antwoord dan Calvijn. Trouwens, dat Kohlbriigge erkent, dat de Wet a l t i j d , d o o r het richtsnoer van den wandel moet zijn, blijkt duidelijk uit hetgeen hij zegt in de „ Vragen en Antwoorden", bladz. 122 (de eerste 2 Yragen bovenaan), zoomede bladz. 218; ook uit de aangehaalde vijf punten, zoowel als uit Kohlbrügge's geschriften in 't algemeen.

Moge het bovenstaande voor menigeen eene aansporing zijn om door eigen onderzoek zich van deze dingen te overtuigen, en moge het er alzoo toe meewerken, om eenen leeraar, wiens blijdschap het was de armen van geest te wijzen op de volheid, die in Christus is, te zuiveren van den blaam, dat hij niet de gansche volheid van het Woord Gods bracht, en van de verdenking, dat hij in groveren of fijneren vorm de godslasterlijke leeringen der antinomianen zou geleerd hebben.
Ik eindig met eene aanhaling uit „Eén brief aan en twee brieven van wijlen Dr. H. F. Kohlbrügge" door II. W. C. Koeken, waar Kohlbrügge over de beschuldiging van antinomianisme zich op bladz. 11 aldus uitlaat: „Dat noemde ik en dat noem ik nog onschuldig bloed vergieten, iemand te beschuldigen van die ketterij aller ketterijen, waarvan mijne ziel een' afschuw heeft", en bladz 12: „Mochten er weinigen gevonden worden, die het den vroegeren napraten om mij te betichten van eene ketterij, waarvan ilc een' afschuw heb".
Hopende, dat U deze regelen zult willen aanvaarden als geschreven uit liefde tot waarheid en gerechtigheid, noem ik mij, enz.

In No. 531 plaatste Dr. Kromsigt het volgende antwoord:
WelEdele Heer!
Met belangstelling las ik uw uitvoerig schrijven aan mij in de vorige nummers van dit blad. Het geeft ook mij veel te denken en zal ook mij een spoorslag zijn t ot een nader onderzoek van meerdere van Kohlbrügge's werken dan ik tot nog toe las. Ik ben u ook dankbaar voor uwe inderdaad vrij heldere uiteenzetting van Kohlbriigge's leer der heiligmaking. Om u nu echter goed te beantwoorden en niet met u aan het kibbelen te raken over enkele door u en door mij gebezigde uitdrukkingen, is het noodig, dat ik eenvoudig mijne beschouwing van Kohlbriigge in verband met de Gereformeerde belijdenis tegenover de uwe plaats. Ik hoop dus, zoo de Heere wil, na geruimen tijd (ik word thans door andere studie te zeer bezet en mag die voor deze polemiek nu niet laten varen) inderdaad „wat dieper op de theologie van Kohlbriigge in te gaan", waarschijnlijk in dit blad.
Eén ding heeft mij gespeten, dat u alweer zoo den nadruk erop legt, dat u opkomt voor „den naam van Kohlbriigge".
Dat u opkomt voor een vriend kan ik begrijpen, doch in uw schrijven is m. i. wel wat vreemd vuur. Yooral het woordje „aantijging" klonk mij allerzonderlingst in de ooren. Laten wij toch bedenken: „Zoo is dan noch hij, die plant iets; noch hij, die nat maakt, maar'God, die den wasdom geeft". 1 Kor. 3 : 7.)
Ik leg hierop eenigen nadruk, omdat ik geloof, dat juist dit persoonlijke in den strijd aan de zaak juist van die waarheid, die Kohlbriigge heeft willen voorstaan, schade doet. Iloe meer de Lutherschen Luthersch werden, hoe meer zij schade deden aan de goede zaak. Hoe meer iemand Kuyperiaan is, hoe meer hij die waarheid, die Kuyper door Gods genade heeft mogen voorstaan, verhindeft in te werken op de Gemeente. Hoe meer iemand Kohlbrüggiaan is, hoe meer hij die waarheid, die Kohlbriigge door Gods genade heeft mogen voorstaan, verhindert in te werken op de Gemeente. Dan vormen zich groepjes en clubjes. Dan hecht men zich onwillekeurig aan het persoonlijkonvolkomene in zoo iemands stelsel. En zoo wordt dan de eerste lichte afwijking en dwaling tot ketterij, die des te halsstarriger zal zijn, naarmate zij een grooter element van waarheid in zich bergt. Men kan het, ook hierop lettende, opnieuw betreuren, dat wij in onze dagen eene nationale Gereformeerde Synode missen, waar een gevoelen als dat van Kohlbriigge en zijne vrienden nader kerkelijk zou kunnen worden onderzocht en kerkelijk beslist. Het spijt mij, dat ook de vrienden van Kohlbriigge daarop niet meer aanwerken.
Wat nu de eigenlijke kwestie betreft, meen ik, dat men vooral een duidelijk antwoord moet zoeken op deze drie vragen, die ik intusschen ook aan de belangstellende lezers, die onze discussie hebben gevolgd, ter overweging aanbeveel: 1. Wordt de wil van den zondaar door de wedergeboorte veranderd blijvend omgebogen ten goede)? 2. Is er verschil in de wijze, waarop God werkt op den onwedergeboren mensch op het oogenblik, waarop Hij hem wederbaart, en de wijze, waarop God werkt op dienzelfden mensch na zijne wedergeboorte, m. a. w. is er verschil tusschen de inplanting van het nieuwe leven door God en de onderhouding daarvan (op een dergelijke [niet gelijke] wijze als er verschil is tusschen de wijze, waarop God werkt, toen Hij Lazarus opwekte, en de wijze, waarop God werkte, toen Hij in Lazarus van oogenblik tot oogenblik daarna het leven onderhield, waardoor Lazarus vermocht te wandelen)? 3. Hoe hebben wij een en ander te formuleeren zóó, dat wij eenerzijds de klip van het pantheïsme vermijden (d. i onderscheid tusschen Schepper en schepsel blijven erkennen) en anderzijds toch aan den mensch geen zelfwerkzaamheid toeschrijven in dien zin, zooals die door u terecht wordt verworpen ?
Ik heb getracht een en ander wat scherp te formuleeren, opdat ieder gevoele, dat het hier inderdaad eene hoogst belangrijke kwestie geldt en opdat niemand zich daarvan met algemeenheden en met vage formules afinake (ik zeg dit natuurlijk geheel in 't algemeen, want dit geldt zoowel den gereformeerden als den vrienden van K.). Men kan de vraag m. i. ook korter aldus formuleeren: Is de Christus een levende persoonlijkheid of een dood kanaal, waardoor het leven Godf eenvoudig heenvloeit?
Voorts geef ik aan mijne lezers voorloopig den raad, om uwe voorstelling nogmaals nauwkeurig te vergelijken mtt het door mij reeds aangehaalde uit de Dordsche artikelen tegen de Remonstranten en ook met die artikelen in hun geheel. Dat ik juist naar die artikelen verwijs, ligt hierin, dat de Kerk natuurlijk genoodzaakt is geweest, om in verschillende kwesties hoe langer hoe meer de puntjes op de i's te zetten. Eindelijk geef ik hun nog in overweging het eigenaardige feit, dat de volgelingen van Kohlbriigge zich steeds van de Gereformeerden vrij scherp hebben afgescheiden gehouden op allerlei wijze. Het zou toch inderdaad zonderling zijn, indien dit opvallend feit zijn grond niet had in de eene of andere afwijking van de Gereformeerde leerwijze. Niets zou mij intusschen aangenamer zijn, dan dat dit geschil alsnog door grondige bespreking werd vereffend. Dat ook ik zeer bang ben voor het „weer oprichten van het werkverbond," kan u uit mijn stukje „Willem Teellinck" in Troffel en Zwaard (6e afl.) genoegzaam blijken. Mocht ik bij nader onderzoek bemerken, dat ik te ver gegaan ben in mijne karakteriseering van de theologie van Dr. Kohlbriigge, dan hoop ik dit eerlijk te erkennen.
Hopende, dat U ook dit mijn schrijven wel zult willen aanvaarden als geschreven uit liefde tot waarheid en gerechtigheid en opdat God geëerd moge worden in het wondere werk Zijner schepping en Zijner herschepping, noem ik mjj hoogachtend, enz.
__________
Wij kunnen niet nalaten, bij dit antwoord van Dr. Kromsigt op te merken, dat Z.W.Ew. hier spreekt van „Gereformeerden" in tegenstelling met „de vrienden van Kohlbriigge". Met dit te doen, neemt Dr. Kromsigt als b e w e z e n aan, dat de vrienden van Kohlbriigge, en dus zeker ook Kohlbriigge zelf, n i e t Gereformeerd in hunne denkwijze zijn. Dat is zeker eene vreemde handelwijze, daar het juist moest b e w e z e n worden, dat Kohlbriigge en dus ook zijne vrienden ongereformeerd zijn.
Even vreemd (om maar geen harder woord te gebruiken) is het, dat uit het „zich vrij scherp afgescheiden houden van de vrienden van Kohlbriigge" van wie door Dr. Kromsigt voor Gereformeerd worden gehouden, wordt besloten tot het waarschijnlijk bestaan van eene afwijking van de Gereformeerde leerwijze. En waarom zou men niet opkomen voor den naam van Kohlbriigge? In den naam van den gezant wordt de Naam van den Zender aangetast. En. wat zegt de Catechismus in Vr. 112? — Intusschen — polemiek ligt niet iu onze bedoeling.
Wanneer er van Dr. Kromsigt eerlang een antwoord verschijnt, zullen wij het onzen Lezers mededeelen. Laat ons intusschen wenschen, dat zijn antwoord dan het kenmerk zal dragen van degelijk en grondig wetenschappelijk onderzoek in de vreeze des Heeren, want dan zal hij zijne valsche beschuldiging intrekken.
RED. Amst. Zondagsbl.


1) Wil met dit l i j d e l i j k noemen, welnu, het zij zoo, het i s ook lijdelijk, in dien zin, dat het goede werk g e h e e l aan God wordt toegeschreven, en zulks geheel naar de Schrift, die leert, dat God, j a God Z e l f Zich een volk heiligt, ijverig in goede werken (Tit. 2 : 14). Maar aangezien dit volk dan werkelijk i j v e r i g is in goede werken en den wil Gods v a n h a r t e d o e t (Ef. 6 : 6 ) , zoo bestaat er geene gegronde reden, om oenen man als Kohlbrügge, die zoowel het een als het ander leert, in een verkeerd daglicht te stellen; veeleer verdienen zij, die hem deswege aanvallen, het verwijt, dat het hun niet g e n o e g is, dat G od Zich zulk een volk heiligt en dat dit volk werkelijk den wil Gods van harte doet, maar zij volstrekt z e l f de eer van het goede werk willen ] hebben, daar zij het in h u n n e hand willen gesteld zien. B.

1) Uitgave H. P. Schölte. De uitgave Kuyper heeft: „stellen zich gerust".

1) In het stuk (in De Geref. Kerk), waarin Dr. Kromsigt beweert, dat „Dr. Kohlbrügge rle memchen niet van dien anderen kant: we iergeborenen öf onwedergeborenen zag", was uitgevallen het woordje „niet". Vandaar dat B. hier op dat bezwaar niet ingaat. De Lezer zal echter begrijpen, dat het verschil tusschen Dr. Kromsigt en Dr. Kohlbrügge ligt in de bes c h o u w i n g o v e r d e n w e d e r g e b o r e n e . De kwestie is, of de rechtvaardiging in den wedergeborene ook wel n i e t hare voortdurende werking zou kunnen hebben. Hier geldt het woord van Calvijn hierboven aangehaald. Wie het daarin met Calvijn eens is, die is het ook met Kohlbrügge eens, en die zal van Kohlbrügge stellig niet zeggen, dat hij de menschen n i e t van dien kant: wedergeborenen of onwedergeborenen, zag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 september 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Gedachtewisseling over de theologie van Dr. H. F. Kohlbrügge, in 't bijzonder over de beschuldiging van Antinomianisme. (2de Gedeelte. — Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 september 1899

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken