Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 117

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Heils termen - pagina 117

3 minuten leestijd

107 verzoenende offerande van Christus, onzen Hoogepriester, die beide zoowel als Nieuw Verbond, door „heiligen" worden uit-

in Oud gedrukt.

19, dat Israël geboden wordt, alle eerstLezen we Deut. XV geborenen uit zijn vee den Heere te heiligen, door zijn bloed uit te gieten, het te offeren, en te eten, dan lijdt het geen twijfel, dat „heiligen" hier in den zin van ten offerande brengen genomen wordt. Plaatsen we nu daarnaast het woord van Jezus, dat we boven dit artikel schreven: „Ik heilig mij zei ven voor hen," en is er geen verschil over, dat dit de bereidheid des Heeren tot den offerdood des Kruises aanduidt, dan ontstaat van zelf de vraag, in welken zin het „offer," als het „geheiligde" kon worden gekenmerkt. Zal men dit inzien, dan moet de beteekenis van het schuldoffer ons klaar voor den geest staan. Als schuldoffer werd één stuk van de kudde genomen; op dit dier werd door handoplegging de zonde des menschen overgedragen, en nu dit met zonde beladen outerdier door den priester geslacht en verbrand. Een dier, niet een mensch, werd voor dit offer gekozen, wijl het offer in zich zelf rein moest zijn en onzondig. Was het nu onmogelijk ook slechts éénen onder de kinderen der menschen te vinden, die van zonde rein was, en gold daarentegen het dier, als verstoken van zedelijk leven en derhalve voor zonde ontoegankelijk, als van zonde vrij en dus rein, dan is én de verfoeiing van het menschenoffer én de verordening van het dierenoffer, in volmaakte overeen:

stemming met elkander. Slechts dit houde men in het oog, dat de mensch niet als offer geweerd werd, wijl hij te goed, maar wijl hij niet goed genoeg voor het altaar was. Niet om zijn voortreffelijkheid als mensch, maar juist om zijne diepe verdorvenheid als zondaar, werd hij van het heilig outer des Heeren geweerd. Hier moet op gedrukt worden, zullen twee dingen ons duidelijk zijn. Vooreerst, dat het dier, als van zedelijk, persoonlijk leven ontnooit de wezenheid, maar slechts zinnebeeld en afbloot, schaduwing der ware offerande kon zijn, nooit heiligen kon „in waarheid."

En ten andere,

dat

Offerande van den mensch Christus verfoeiing des menschenoffers in strijd te

de

verre van met de hiermee integendeel volkomen overeenstemt. De eisch was het offer van een onzondigen mensch. Dien eisch kon Israël niet volbrengen, wijl die onzondige mensch er niet was. Toen het desniettegenstaande een zondigen mensch „door het vuur wilde laten gaan," dat is offeren, werd dit als ontheiliging van 's Heeren dienst en recht afgewezen en met het afgrijzen der verfoeiing gevloekt. Bij ontstentenis van den onzondigen mensch, kon Israël niet anders offeren dan het onzondige dier, niet als het wezen, maar slechts als afschaduwing der ware offerande. Toen daarentegen de Jezus, zijn,

:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 117

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

PDF Bekijken