Bekijk het origineel

VAN HET ARBEIDSVELD.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VAN HET ARBEIDSVELD.

13 minuten leestijd

De Sa’dan-Toradja’s.

(Vervolg van blz. 128).

De Toradja stelt zich de schepping van de mens als volgt voor, naar de verhalen der to minaa = de priesters, die de kenners zijn van de oude overleveringen cn adat.

In den aanvang waren hemel en aaide te zamen en niet gescheiden. Het blauwe koepeldak rustte op de aarde beneden. Uit deze vereniging van hemel en aarde ontstond Poeang Basi-Basian = de Heer, die zo oud is, dat zijn huid vol ouderdomsvlekken is. Deze P. Basi-basian bad aan zijn vader, den hemel, om een zoon; deze ontving hij en noemde hem Poeang Matoea, de oude vorst. P. M. had 8 kinderen, waaronder zon en maan en P. Lalondong, de heer van het zielenland. Daarop formeerde hij een mens uit een stuk goud, dat hij halveerde en uit welks andere helft padi geschapen werd. Die eerste mens bleef in den hemel wonen en kreeg 8 kinderen, waarvan de eerste is de stamvader van de priesters, de 2e van de vorsten, de 3e van de goudsmeden, de 4e van de smeden, de 5e der timmerlieden, de 6e van de voorgangers bij de rijstcultus, de 7e van de rechters en de 8e van de dodeninwikkelaars. Een der kleinzonen van dien eersten mens zag eens van uit den hemel door een opening op de aarde neer en kreeg lust daarheen af te dalen. Zijn naam is Manocrocn di Langi' degeen, die uit den

hemel is neergedaald. Hij sprak tot den Hemelheer: »Hoe kan ik neerdalen naar dc aarde ? « Poeang Matoea liet nu wat aarde neervallen en dat werd tot een eiland in de zee. Daarop maakte P. M. een ladder naar de aarde: de regenboog. Manoeroen di Langi' daalde daarlangs naar dat eiland neer, na van P. M. rijst, kippen en de offervoorschriften ontvangen te hebben. Daar er op dat eiland geen voldoende plaats was, daalden twee timmerlieden uit den hemel neder, van bijlen, dissels en kapmessen voorzien en deze maakten een grote prauw: de lembang karoea of: de acht prauwen geheten en Moenoeroen di Langi' bereikte daarmee met de zijnen een vlakte: Rante Boelaani= de Goudvlakte geheten. Vandaar zijn alle Toradjastammen afkomstig en geleidelik vandaar naar het Noorden getrokken. Manocroen di Langi' huwde met de dochter van een paling. Toen hun huwelijk kinderloos bleef, zond P. M. Pong Leleongan uit den hemel om haar te schaken. Uit dat huwelik sproten 8 zonen voert. De hemelse timmerman hieuw daarop S bambces cm, die hij met vleesch bekleedde.

Toen kwam de wind en blies er in en daarop konden zij ademhalen en spreken en werden tot 8 vrouwen. Voordat de wind hun lichaam inging, stelde hij als voorwaarde aart den timmerman, dat wanneer die 8 vrouwen later zouden zond'gen en hun zonden niet zouden bekennen, de wind hun lichaam weer zou uitgaan en zij zouden moeten sterven.

De vorsten en vrijen stammen volgens de Toradja's af van den eersten mens, do. r P. M. uit goud gemaakt. Anders staat het met de slaven. Zij werden uit leem gemaakt. Eens zou Manoeroen di Langi' een offer aanrichten; er was toen niemand om takken van de suikerpalm te halen om de plaatsen waar de feestvierenden zich zouden zet ten, te beschaduwen. Toen bad Manceroen di Langi' tot P. M. om hulp. De Hemelheer nam daarop leem, formeerde daar 12 mensen uit, blies wind in hun lichamen en hun werd bevolen palmtakken te halen: de slaven.

Uit genoemde overleveringen, vol mytholcgiese trekken, de primitieve mentaliteit eigen, blijkt, dat de Toradja's zich een voorstelling maken van een Hoogste Wezen, Schepper van mens, plant en dier. Dat Hoogste Wezen is zelf echter een afstammeling van de vereniging van hemel en aarde. Volgens de overleveringen wordt dat Hoogste Wezen anthropomorfics voorgesteld, huwt en krijgt kinderen, is eigenlik een mens met een biezonder grote magics-1 fysiese kracht toegerust. Het zedelike treedt hier geheel op den achtergrond.

In de priesterzangen wordt P. AI. echter ook op indrukwekkende wijze bezongen» daar heet het: »De hemel i^ P. M.'s paradijsvogelverensieraad, de zon is zijn horen. Poeang Matoea daarboven, de ouüe Vorst, de Heer, die de mensen geformeerd heeft, die zijn handen uitstrekt om de mensen te dragen, Hij, die al hun geledingen gevormd heeft en de ordeningen van de adat heeft vastgesteld, Hij die de Wet der Kede heeft bepaald en de spraak heeft doen voortgaan, Hij is degene, dien alle goden tezamen als hun Heer erkennen, wien de regenboog t< t een pad is.

Bij enige trekken uit dit beeld kan de Chr. prediking zeker aanknopen, wanneer zij den Toradja's gaat spreken van God, den Almachtige, die 'hemel en aarde geschapen heeft.

Ook in andere overleveringen zijn elementen van geestelik besef r.an\\ez: g, - w: arbij dc Evangelieprediking zich kan ; ; inslui ten. Wij wijzen daarvoor op de voorwaarde door de wind gesteld, bij de schepping van de 8 vrouwen uit 8 bamboes. Wanneer die vrouwen later zouden zondigen en hun zonden niet bekennen, zou dc wind hun lichamen uitgaan en zij zouden sterven.......

Hier wordt dus de dood gedacht ds e, en gevolg van overtreding, van zonde.

Ook weten de Toradja's te verhalen van een gouden eeuw, een paradijstoestand weleer, een tijd van vrede en geluk, verbroken door de overtreding van een slecht mensenkind, de incarnatie van alle leugen en bedrog. Vroeger, zoo vertellen de Tcradjase priesters, was er een trap naar den hemel, waarlangs de mensen opklommen om den Hemelheer hun wensen bekend te maken en zagen af te smeken. En mildelik deed P. M. zegen uit den hemel neerdalen. Zoo heerste er vrede en geluk op aarde, tor dat eens een mens, Saratoe' Soembocn Pi^ tot P. M. kwam en heimelik de gouden vuurslag van P. M. stal. De Hemelheer ontstak daarop in toorn en stiet die hemeltrap om, zoodat zij op de aarde in stukken viel! De kalkrots Sarira nabij Rante Pa< is er een overblijfsel van. Sinds dien tijd begonnen de mensen elkaar te bedrieger; , en te bestelen en nam de gelukstaat een einde.

Wanneer in de tijd van vóór het Gouvernement lieden, die elkaar na-verwant waren, huwden, werden zij verdronken of uit het dorp verdreven. Zoo was het in de ouder tijd dat in het dorp Roera. volgens de

Toradja’s, liggende ten Zuiden van de Toradjalanden, in de onderafdeling Knrekang, 2 na-verwanten huwden. Toen de huweliksplechtigheid voltrokken was en alle familieleden en genodigden aan de feestmaaltijd zaten, deed P. M. het oordeel komen over de overtreders. Alle feestvierenden werden in stenen veranderd en de streek daar naar beneden gedrukt en door het water verzwolgen; tot op den huidigen dag is er van dat dorp niet anders dan een watervlakte te zien. Van af dien tijd scheidden zich hemel en aarde, zodat zij nu ver uiteen zijn. Voortbouwend op dit verhaal kan de Evangelieprediker de geschiedenis van de verwoesting van Sodom en Gomorra vertellen.

Hoeveel aanknopingspunten de Evangelieverkondiging ook in deze over'everingen moge vinden, die een uiting zijn van een geestelik besef van vroeger tijd, in het geestesleven van heden nemen zij een ondergeschikte plaats in. Het zijn alleen de priesters en de in de priesterzangen ingewijden, die ze kennen. Ze zijn als een neerslag van vroeger geestelik besef, tot een stereotype vorm verstard in de priesterzangen. In het godsdienstig bewustzijn van heden leven alleen de deata-cultus en de dodenverering. Heel het werken en streven van een Toradja is gericht op, zoals Jiii het uitdrukt, de aloek mata allo en de alock mata ampoe; de cultus van het Oosten en de cultus van het W*esten, d.w.z. op het verwerven van gunstig werkende magiese kracht en het afweren van verderfverkende magiese kracht.

In het N. O. denkt hij zich de deata te wonen, de levenskracht en groei schenkende machten; in het Z.W. de doden. De zorg voor het in acht nemen van de voorgeschreven offers aan de deata en de lijkbezorging en de offers aan de voorouders is een zaak van levensbelang voor den Toradja, iets, waar zijn levensgeluk van af hangt. En daarmee gaat gepaard een streng naleven A an de pemali's: de verbodsbepalingen. Die gelden voornamelik ten opzichte van de Tijst. Van het volgen van die pemali's is de oogst afhankelik.

Bij dit alles is het den Toradjaheiden te doen om verwerving van fysies-magiese kracht en niet om geestelik contact met hogere machten. Het is er hem om te doen gezond te blijven of te worden, om een goede oogst, vermeerdering van de veestapel en kinderzegen, waarbij ik niet wil ontkennen dat er bij de besten van hen niet zou leven een ontzag en een zich-in-eerbied-buigen voor de hogere, onbekende machten.

Bij overtreding van de adat moet geofferd worden, omdat zo'n overtreding misgewas en ziekte kan veroorzaken. Ziekte of ramp zijn zekerlik te wijten aan een of ander vergrijp tegen de adat. Wordt de padi te velde geteisterd door een muizenplaag, dan komen de notabelen van het dorp te samen om te overleggen, wie zich schuldig gemaakt heeft aan ontucht. De schuldige moet dan een varken offeren en daarmee hoopt men de deata weer verzoend te hebben.

Schuld is voor den heidensen Toradja overtreding van de adat, een zich vergrijpen tegen een kosmies-magiese wereldorde, waaruit als een natuurnoodwendigheid kwade gevolgen moeten voortkomen. Voor enig zondebesef of erkenning van zedclike schuld tegenover een heilige, absoluut-zedelike kracht is hier nog geen plaats in het gemoed. Het is de zekerlik boven menselike kracht uitgaande taak van de Evangelieprediking dat zondebesef te wekken.

Ten slotte een enkel woord over de Zendingsarbeid. Na de onderwerping van de Toradjalanden door het Gouvernement in 1906, was de mogelijkheid van het binnendringen van den Islam niet buitengesloten.

Was het vroeger het eigenbelang van de Boeginese slavenhandelaars, dat de Toradja's heidenen bleven, nu begon een vreedzaam handelsverkeer tussen de Toradja's en de Boeginese handelaars. Men drong er daarom bij de Zending op aan deze streken te bezetten. Toen geen der Zendingscorporaties hulp kon verlenen, nam de Ind. Kerk het werk ook hier ter hand, evenals in andere streken van Midden-Celebes. De bekende Ds. Kyftenbelt maakte een reis door de Toradjalanden en de hulpprediker Keiling opende in de onder-afdeling Ma'kale een 9-tal scholen.

In 1913 kon de Geref. Zend. Bond in de Ned. Hcrv. Kerk zijn eerste Zendeling A. A. v. d. Loosdrecht uitzenden, die zich vestigde in de onderafd. Rante Pao. Begin 1915 werd het werk in Ma'kale van de Ind. Kerk overgenomen, welk ressort werd toegewezen aan Zendel. D. C. Prins, in Octo-Ler 1915 in de Toradjalanden aangekomen. Midden 1916 kwam de Zendel. onderwijzer J. Belksma aan met het doel een cursus te openen ter opleiding van Toradja'se onderwijzers. En sinds Sept. 1916 ben ik zelf onder de Sa'dan-Toradja's werkzaam.

Met grote energie en werkkracht arbeidende heeft de Hr. v. d. Loosdrecht zich in het nog geen 4-tal jaren, dat hij onder de

Toradja’s doorbracht, een grote kennis van •taal en volk mogen eigen maken en veel voor hen mogen doen. Jrielaas werd bij de - op& tand in 1917 door moord een einde gemaakt aan dit werkzaam leven.

Van de resultaten van het Zendingswerk .kan nog niet veel gezegd worden. De arbeid is nog in de eerste beginperiode.

Het is nog geheel een leren van taal en zeilen van ae bevolking en een benaderen van de geestelike waarden van het heidendom.

Er zijn thans op het veld te zamen 24 scholen, waarbij reeds een viertal Toradja's - als onderwijzer dienst doen, die niet ongeschikt blijken voor hun taak. I11 Kante Pao en Ma kale zijn te zamen een 50-tal Toradja's tot het Christendom overgegaan, meest oud-scholieren. In Rante Balla, een • district van de onderafdeling Palopo deed .het jonge, naar vooruitgang strevend districtshoofd aldaar de beslissende stap met zijn oude vader en moeder en andere familieleden en omwonenden, te zamen een .goede 70 lieden. Het Zendingswerk gaat thans rustig zijn gang in schoolarbeid en - evangelisatie, waarbij de Minahasiese en Ambonese onderwijzers hun onmi& bare < tiensten bewijzen. Een enkel maal wordt men verrast dcor tekenen van ontwakend .geestelik leven. Zo had ik eens een gesprek niet de moeder van een onzer moerids, een «ernstige, geestelik-ltvende jongen, die thans •Christen is, Baka' geheten.

Baka’s vader was gestorven, toen hij nog .zeer jong was. Daarna was zijn moeder hertrouwd, maar aangetast duor een'oogziekte had haar man haar verstoten. Zij is nu bijna blind. Toen ik met haar ging spreken over < le aanstaande overgang van haar kind tot het Christendom, betuigde zij daarmede haar instemming en zeide, dat haar zoon haar er al veel van verteld had. Ja, och, zeide zij, wanneer wij maar in een enkel < ling zondigen tegen de deata (— te Goden) zijn zij vertoornd op ons en zenden ons .ramp; maar God vergeeft ons steeds w r eer, al is het honderdmaal, dat wij Zijn gebod •overtraden, wanneer ons hart zich vol berouw tot Hem keert.

Kort voor ons vertrek naar Java had de •doopplechtigheid plaats van een ouden priester, Pong Lengko geheten, een man wijd en zijd vermaard om zijn kennis van de oude adat, een man, die vroeger de strijders moest zegenen, wanneer zij ten oorlog trokken en die zelf in de oude tijd menig lcop gesneld had. In 1917 was zijn zoon Christen geworden en is thans als onderwijzer werkzaam. Eerst was hij het steeds met zijn zoon oneens over die nieuwe agarna en trachtte tegenover hem dc waarheid van het oude, overgeleverd geloof te handhaven, daarbij al zijn kennis van oude adat en traditie aanwendend. Na verloop van enige tijd ging de oude man zwijgen, luisterde naar wat» zijn zoon hem uit den Bijbel vertelde en trachtte door allerlei vragen meer helderheid te krijgen.

Zo verliepen een paar jaar. De oude priester begon al zeldzamer op de heidense feesten te komen en ging niet meer bij de offers voor.

Totdat hij begin 1920 besloot zijn hart geheel en al aan God over te geven en zich voor Hem neer te buigen. Na eenvoudig dooponderwijs ontvangen te hebben, kon hij eind September j.1. gedoopt worden. Na de doopplechtigheid sprak de oude Pong Lengko de aanwezigen toe: »Het is mijn ervaring van het laatste jaar, zeide hij, dat alleen God machtig is en Hem alles is onderworpen. Ook vroeger kenden wij, Toradja's God, maar daarna heeft de dienst der deata en voorouders onze zielen in beslag genomen, zodat wij Hem vergaten. Laten wij weder tot Hem terugkeren, die hemel en aarde geschapen heeft«.

In zijn hoogste uitingen en beste aspiraties tracht het heidendom God te naderen en in gemeenschap te komen met Hem; het heidendom tracht langs eigen weg tot God op te klimmen. Maar de neergestorte ladder ten hemel is den Sa'dan-Toraaja's als een symbool van de tragiek die over het gehele mensengeslacht ligt uitgebreid: de gemeenschap met God is verbroken door de zonde. God heeft die gemeenschap hersteld in Jezus Christus.

De Sa’dan-Toradja tracht door het bloed van het geslachte offerdier zijn overtreding uit te wissen. Wanneer hij door invloed van de Evangelieprediking besef krijgt van zijn zonde, dan zal hij ervaren, dat geen bloed van offerdieren zijn zonde kan verzoenen. God was in Christus de wereld met zich zeiven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Dat is de boodschap van de biezondere openbaring Gods, door het Evangelie gebracht. Het is een groot voorrecht ons Christelike Gemeente geschonken daarvan in de niet-Christelike wereld te mogen getuigen. Daaraan mede te mogen werken, God schenke het een ieder van ons naar zijn krachten.

1920.

Dr. H, v. d. VEEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1923

Alle Volken | 12 Pagina's

VAN HET ARBEIDSVELD.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1923

Alle Volken | 12 Pagina's

PDF Bekijken