Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE PRAKTIJK VAN DE KERKELIJKE TUCHT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE PRAKTIJK VAN DE KERKELIJKE TUCHT

9 minuten leestijd

In het eerste artikel is al verwoord dat er met betrekking tot de kerkelijke tucht een vrij algemeen beeld valt te schetsen: ‘We komen er samen kennelijk niet meer aan toe’. Hoe zou het anders kunnen dat men op kerkvisitaties nauwelijks hoort van situaties waarin een broeder of zuster onder de tucht is geplaatst? Ook al moeten we ermee rekenen dat iemand zich per kerende post onttrekt aan de gemeente zodra de tucht in beeld komt, het valt niet te ontkennen dat we het met elkaar een uitermate lastig punt vinden. Terwijl we belijden dat de handhaving van de tucht een van de kenmerken van de ware kerk is (artikel 29 NGB).

De vraag is: laten we het daarbij? Naar mijn gedachte is een grondige bezinning noodzakelijk op de vraag of we wel op de goede weg zijn. Zijn we trouw aan wat de Heere van ons vraagt, zoals we in het uur van onze bevestiging tot het ambt beloofd hebben? In het onderwijs voorafgaand aan ons jawoord werd onder meer gewezen op de taak om tucht te oefenen. Hoe moeten we het tegenover de Koning van de kerk verantwoorden als wij daar niet werkelijk ernst mee maken?

Er zullen niet veel lezers zijn die nooit een prekenserie over de zeven gemeenten hebben gehoord. Er zijn gemeenten waarop Christus nogal wat heeft aan te merken. In Pergamum en Thyatira liet men na om tucht te oefenen (Opb. 2:14 en 20). Wat de Heiland dan als bedreiging uit, liegt er niet om. Dat mogen wij ons vandaag ook voor gezegd houden. We zullen daarbij bedenken: hoe zal een zondaar een zondaar vermanen? Alleen als hij zelf eerst voor de tucht van Gods Woord gebogen heeft.

WANNEER EN WAAROVER?

Dat gezegd zijnde, komt de vraag op: wanneer is dan het moment aangebroken om tucht te oefenen en waarover moet deze dan gaan? Tucht mag nooit een vorm van machtsmisbruik door de kerkenraad zijn, bijvoorbeeld om een lastig gemeentelid te ‘wippen’. In het eerste artikel is de vraag al gesteld welke zonden tuchtwaardig zijn en welke niet. Het gevaar bestaat dat we een soort index gaan aanleggen van wat wel en niet kan. Maar dan lopen we het gevaar de invulling daarvan meer te laten afhangen van cultuurbepaalde en tijdgebonden uitingen, dan van het concrete gebod van God. In de zeventiende eeuw werd een vrouw van het Avondmaal afgehouden, omdat zij een gouden oorijzer droeg. In de achttiende eeuw werd een man van de kerk afgesneden omdat hij als soldaat naar Oost-Indië voer. We voelen wel aan: zo moet het niet. En daar zijn helaas veel voorbeelden van.

Maar nu moeten we niet met het badwater het kind weggooien. We kunnen zó gaan relativeren, dat uiteindelijk niets er meer toe doet en alle dingen in de vrijheid van het geweten worden gelaten. We komen dan in strijd met allerlei gegevens uit de Schrift, waarover in het tweede artikel gesproken is.

De tucht gaat over leer en leven. Over de leer. Het verval in de kerk van de Reformatie in ons land werd mede veroorzaakt doordat de tucht over de leer werd nagelaten. Men wilde ‘leervrijheid’. Maar een kerk die een belijdende kerk is, moet haar belijdenis ook handhaven. Ze is immers ‘pilaar en fundament van de waarheid’ (2 Tim. 3:15).

Als de fundamenten van de kerk in het geding zijn, mogen we niet zwijgen en zal, indien iemand die dwaalt niet op zijn schreden terugkeert, de tucht moeten worden toegepast.

Nu moeten we daarbij wel onderscheid maken. Niet elke afwijking in denken raakt de fundamenten van de kerk. Vanouds kende men in de kerk van de Reformatie de libertas profetandi, de vrijheid van profetie. Zo denkt, schrijft en preekt niet elke predikant gelijk over de toekomst van Israël, om maar een voorbeeld te noemen. En zo zijn er meer onderwerpen te bedenken waarover niet gelijk gedacht wordt, zonder dat iemand daarmee tuchtwaardig is.

Bovendien is er, ook in ons kerkverband, ruimte voor een persoonlijk gevoelen, op voorwaarde dat men dat niet als leer van de kerk verkondigt.

Een voorbeeld daarvan is de manier waarop wijlen ds. A.M. Berkhoff de ruimte werd gegund om zijn gedachten te hebben over het chiliasme, terwijl het hem verboden werd om dat persoonlijk gevoelen in woord en geschrift te verbreiden als de leer van de Heilige Schrift. Aan de situatie die zich rond zijn persoon heeft voorgedaan, danken we artikel 52, sub 2b van onze kerkorde.

Ook kende men in de kerk van de Reformatie de zogenoemde tolerantie. Die gold niet ten opzichte van hen die welbewust tegen de leer van de kerk ingingen, maar als een manier van rekening houden met onwetenden en dwalenden. Dat ligt in de lijn van II Timotheüs 2:24 en 25, waar van een dienstknecht van de Heere wordt gevraagd dat hij de kwaden kan verdragen en met zachtmoedigheid zal onderwijzen hen die zich verzetten. ‘Misschien geeft God hun eens bekering…’ We zullen dus altijd moeten oppassen voor een ‘Jehu’s ijver’.

Wat ons kan helpen om te bepalen wat op het gebied van de levenswandel tuchtwaardig is en wat niet, is de zogenoemde zondenlijst in het oude Avondmaalsformulier. De Gereformeerde Bond heeft daarvan een hertaling en actualisering gegeven1.

Weliswaar staat dat in het kader van de zelfbeproeving. Zelftucht dus. Maar wanneer de daar genoemde zonden openbaar worden, komt ook de kerkelijke tucht in zicht. In deze ‘zondenlijst’ wordt een toepassing van de tien geboden gegeven. We vinden hier dus niet een eenzijdige concentratie op het zevende gebod (al hoort dat er uiteraard ook bij), maar ook een onderstreping van bijvoorbeeld het vierde gebod. Wordt het in het licht daarvan ook niet eens tijd om na te denken over onze benadering van gemeenteleden die stelselmatig de kerkdiensten verzuimen? Hebben we dat als kerken in het verleden niet veel te veel laten ‘lopen’? Nooit vergeet ik de opmerking van wijlen ds. P. op den Velde in zijn boekje over de eredienst, dat de zonde tegen dit gebod een eerste stap is op de weg naar de zonde tegen de Heilige Geest!

GEVOLGEN

Wanneer een kerkenraad besluit om tucht toe te passen, dient hij zich van tevoren goed te realiseren hoe de route verder zou kunnen gaan lopen en wat het doel van die route is. Het gaat om de eer van God, het behoud van de zondaar en het wegnemen van ergernis in de gemeente (zie het tweede artikel). Wanneer iemand onder ‘stille censuur’ wordt geplaatst (afhouding van het Avondmaal), moet de kerkenraad wel de vraag onder ogen zien: hoe lang gaan we daar mee door? Men zal op een bepaald moment, als geen bekering volgt, verdere stappen moeten nemen. Het kan verstandig zijn om deze dingen tijdens een kerkvisitatie te delen.

PASTORALE BEGELEIDING

Het is eigenlijk onnodig te zeggen dat in geval van toepassing van de kerkelijke tucht intensieve pastorale zorg gegeven dient te worden. De kerkorde spreekt over ‘getrouwe pogingen om de zondaar tot inkeer te brengen door bestraffing, afhouding van het Avondmaal en talrijke vermaningen’. Wat is het belangrijk om daarbij liefde en bewogenheid te laten merken. Het gaat immers bij de tucht om ‘trekken’ en niet om ‘afstoten’! Vergeet daarbij ook de eventuele man of vrouw van het tuchtwaardige gemeentelid niet. Ik heb wel eens gemerkt dat de vrouw van een man op wie de tucht was toegepast, zich in pastoraal opzicht in de steek gelaten voelde. Met alle verbitterde gevoelens van dien.

TOERUSTING VAN KERKENRAAD EN GEMEENTE

Wanneer we als kerkenraad eerlijk tot de conclusie komen dat de tucht in de loop van de jaren verwaarloosd is, zal er eerst binnen de kerkenraad grondige bezinning moeten plaatsvinden op de oorzaken daarvan. Daarbij zal verootmoediging voor de Heere en gebed om wijsheid een belangrijke plaats krijgen.

Hopelijk kunnen de artikelen in dit themanummer een opstap zijn om het onderlinge gesprek over dit onderwerp aan te gaan. We zullen er mee moeten rekenen dat in meerdere gemeenten de tucht ook een ‘vreemd element’ is geworden. Uiteraard kan een preek (of meerdere preken) over Zondag 31 van de Catechismus al veel betekenen. Ik weet van een kerkenraad die in een bepaalde situatie kerkelijke tucht, uitlopend op de openbare afkondiging (artikel 77 KO), vooraf liet gaan door enkele preken over de tucht. Op deze manier werd de gemeente er op een geestelijke manier in betrokken. De nadruk werd gelegd op de gemeente als lichaam, waarin de leden zorg voor elkaar dragen. Dat houdt ook in dat het ‘elkaar vermanen’ waarover het Nieuwe Testament zo vaak spreekt, weer in het vizier komt.

Door ons individualisme en de gedachte van ‘elkaar in je waarde laten’ zijn wij dat goeddeels kwijtgeraakt. Juist hier zal de prediking heilzaam kunnen werken. En waarom niet eens een gemeenteavond om hierin met elkaar onder Gods zegen verder te komen? Kerkelijke tucht: het gaat niet om een bagatel, maar om een wezenskenmerk van Christus’ kerk.

1 Liturgische formulieren uit de gereformeerde traditie - een hertaling. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2004.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Monday 1 October 2012

Ambtelijk Contact | 16 Pagina's

DE PRAKTIJK VAN DE KERKELIJKE TUCHT

Bekijk de hele uitgave van Monday 1 October 2012

Ambtelijk Contact | 16 Pagina's

PDF Bekijken