Bekijk het origineel

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

13 minuten leestijd

De geschiedenis der S.G.P, XIX,

Voor Studie en Leidraad

Op het einde van Juli 1939 behoor Ie de coalitie tussen de r, k, en de A.R, en C.H, tot het verleden. Deze was met de val van het vierde kabinet dr Colijn verbroken.

Het vijfde kabinet van dr Colijn had — zoals wij in een vorig artikel reeds schreven — maar een heel kortstondig bestaan. Reeds direct bij zijn eerste optreden in de Tweede Kamer werd 't voortbestaan vrijwel onmogelijk gemaakt. Door de indrening en aanneming van de motie van mr Deckers werd het door de roomskatholieke, socialistische en vrijzinnig-democratische Kamerleden, zonder dat dezen ook maar een enkel wetsontwerp of daad van het ministerie hadden afgewacht, op een sniadelijke en grievende wijze weggejaagd, _ _

Daarmede was de laatste hindernis genomen. Het pad was toen - gebaand, De weg voor de door de r, k, begeerde nieuwe politieke constellatie lag voor hen open,

Slechts voorzichtigjes aan zou di® door hen betreden worden. Niet in volle galop zouden zij daar direct opgaan. Dat zou degenen, die onder de r.k. voorstanders van de oude coalitie met de A.R. en C.H. waren — gu die waren er onder hen nog in vrij groten getale — te zeer de schrik op het lijf gejaagd hebben. Een al te snelle draf op de nieuwe weg zou zelfs ten gevolge gehad kunnen hebben, dat de meer behoudende elementen onder de r.k. tot de formatie van een eigen afzonderlijke politicke partij waren overgegaan; gelijk er onder hen aan de linkse kant onder leiding van mr. Arts één bestaan had. Dat moest voorkomen worden, In het r, k. kamp is men er toch altijd zeer op uit om zijn schaapjes bijeen te houden,

Bovendien verstaat men daarin ze^r wel de kunst om in het klein te bcginnen, om te zijner tijd als weer en wind dienende zijn, in het groot te eindigen. Zo waren er dan ook in 't kabinet, welks formateur de heer De Geer in Augustus 1939 was, maar twee r, k, ministers. Het waren de heren Welter en Van Steenberghe, die ook als ministers in het vierde kabinet van dr Colijn gefungeerd

hadden. Blijkbaar hadden de r.k, het ook lie-ver aan een ander persoon dan aan één hunner overgelaten om na de val van het vijfde kabinet van dr Colijn een kabinet samen te stellen. Mr de Geer heeft althans in Augustus 1939 een kabinet samengesteld.

Het was het kabinet, waarin vo : r het eerst socialisten zitting zouden hebben. Ook van hen waren er slechts twee in opgenomen en wel de Heeren Albarda en Van den Tempel,

Mr de Geer had — zoals even tevoren opgemerkt — het kabinet geformeerd. Hij, die in de jaren 1938 en 1939 zich meermalen zo uiterst welwillend jegens de r, k. had gedragen, liet zich er voor lenen om de thans bestaande coalitie tussen de r.k, en de socialisten voor te bereiden.

Want in alles was het toen reeds te zien, dat het kabinet de Geer voor de r.k. maar als noodbrug diende om tot de door hen begeerde coalitie met de socialisten te komen. Mr de Geer werd dan ook door de S.G.P - Kamerfractie voorspeld, dat, gelijk ook vervuld is geworden, hij met zijn C, H, ambtgenoot minister van Boeyen slechts als pion door de r.k, gebruikt weid en dat er straks in de toekomst een geheel rooms-rood kabinet zou komen. Mr de Geer heeft echter niet willen luisteren en de gedane waarschuwingen in de wind geslagen.

Het merkwaardige hierbij is — dat de socialisten alzo door de Christelijk-Historischen in de regering gebracht zijn. Niet dat hen de schuld in deze alleen treft. Dr Colijn had even te voren reeds een beroep gedaan op de voorzitters van de zes grote Kamerfracties om gezamenlijk tot een kabinetsformatie samen te werken. Onder die zes Kamerfracties behoorden ook de socialisten. Met dat beroep had dr Colijn openlijk en duidelijk te kennen gegeven, dat er ook bij hem volstrekt geen principieel of practisch bezwaar bestond om met de socialisten in één en hetzelfde kabinet zitting te hebben en samen te werken. Het deed dan ook heel vreemd aan en was met de feiten wel vierkant in strijd, als de heer Schouten hij het begrotingsdebat in October 1939 verklaarde, dat er van anti-revolutionnaire zijde principiële bezwaren bestonden om gezamelijk met de socialisten in de Regering te zitten en samen te werken.

Ds Zandt, die namens de S, G.P.-Kamerfractie bij de algemene beraadslagingen over de Rijksbegroting in October 1939 het woord voerde, sprak dan ook geheel naar waarheid het navolgende:

..Voorzeker, de coalitie heeft Rome sterk gemaakt. En dit niet alleen, haar beginselloze politiek, welke een smadelijk verraad aan de aloude Gereformeerde Geloofsbelijdenis was is mede oorzaak geworden, dat er zich thans socialisten in de Regering bevinden. Het is onredelijk, dit feit alleen aan de heer De Geer te wij- ten, waar het de uitkomst is van de beginselloze coalitie-politiek.

Dr Colijn heeft na 'de val van zijn viierde kabinet, bij zijn poging om eea vijfde te formeren, zelf gepoogd om een kabinet op brede basis samen te stellen, waarin ook de socialisten zitting zouden hebben.

Dat zulk een formatie destijds aan dr Colijn niet gelukt is, neemt nochtans het feit niet weg, dat dr Colijn de socialisten in de Regering heeft willen opnemen. Terecht voert de Memorie van Antwoord dit tegen de anti-revolutionnairen aan, die het nu willen doen voorkomen, alsof zij principiële en practische bezwaren hebben om met de socialisten gezamelijk in één Ministerie te zitten.

En zo is het dan een Anti-Revoluitonnair, die de socialisten in de Regering heeft willen opnemen en een Christelijk-Historische, die het metterdaad gedaan heeft. Het zijn Anti-Revolutionnairen en Christelijk-Historischen, dia weder hun begin'"-el over boord gegooid hebben. Zij hebben toch immer de linkse politiek eti inzonderheid die der socialisten 'Is niet-christelijk zijnde, scherp bestreden en de coalitie met Rome steeds verheerlijkt als het juiste middel om de Christelijke grondslagen van ois volksleven te handhaven en de opbloei van 't socialisme te verhinderen. Zo zijn het dan de Anti-Revolutionnairen en de Christelijk-Histortschen, die, door de socialisten binnen te halen, die grondslagen hebben ondermijnd en het pad bereid hebben voor een mogelijk samengian van rooms en rood. Het schijnt nu, dat heel de historie

begraven is. Vergeten schijnt te zijl, dat de socialisten een revolutionnaire partij vormen; vergeten, dat ^ij in 1918 de revolutie in ons land hebben willen ontketenen, waardoor de kroon van Oranje omvergeworpen zou zijn; vergeten evenzeer, 'dat zij de muiterij op , , De Zeven Provinciën" deels openlijk verheerlijkt, deels goedgepraat hebben. Zo is ons volk, mede als gevolg van

de jammerlijke coalitie-politiek, van de hechte grondslagen van de Reformatie afgetrokken en zien wij ons volk daardoor hoe langer hoe meer naar beneden zakken".

Bij dat debat in October 1939 was het zeer opmerkelijk, dat de toenmalige Minister-President, de heer De Geer, met geen enkel woord op het principiële, dat Ds Zandt in zijn gehouden begrotingsrede naar voren had gebracht, was ingegaan, maar op een onjuiste wijze de Volkenbond verdedigd had. Ds Zandt merkte naar aanleiding daarvan in zijn repliek-rede op:

Mijnheer de Voorzitter! Ik wil de Minister-President mijn dank betuigen voor de hoffelijke wijze, waarop hij mij beantwoord heeft, al betreur ik het, dat Zijne Excellentie op onderscheidene mijner opmerkingen, inzonderheid die het beginsel betroffen, met geen enkel woord is ingegaan. Alsook wil ik mijn erkentelijkheid uitspreken, dat hij niet op de wijze over het Staatkundig-Gereformeerd begnsel gesproken heeft als dr Colijn destijds van achter ds regeringstafel gedaan heeft. Dr Colijn toch heeft zich daarover zeer kleinerend uitgelaten, toen hij dai beginsel als dwaas en als onmogelijk uitvoerbaar karakteriseerde. Dit was niet alleen ergerlijk, maar bovendien onwaar, daar de historie het tegendeel bewezen heeft. Het is toch het beginsel, dat ons oude Gsmenebest deugdelijke Regeringen en macht en aanzien gegeven heeft. Vriend en vijand hebben dit erkend.

Zelfs een staatsman als Von Bismarck heeft er in zijn geschriften meermalen zijn hoge bewondering over uitgesproken.

Het zou mij uitermate aangenaam zijn, indien ik op dezelfde waarderende wijze zou kunnen voortgaan en ook alzo mijn rode zou kunnen beëindigen en alle bestrijding achterwege had kunnen blijven. Dit kan echter onmogelijk het geval zijn. Daartoe verschil ik te zeer met de Minister-President van beginsel.

Deze heeft ook gisteren het idee van de Volkenbond verheerlijkt en als iets specifieks christelijks mij voorgehouden. Ik moet daar met alle be • slistheid tegen opkomen.

Zijne Excellentie heeft, ter verdediging van zijn gevoelen een geliefkoosd stokpaardje laten rijden, hetwelk men van vrijzinnige zijde tegen de orthodoxie reeds zo dikwerf van stal gehaald heeft. Ds van der Heide heeft tegenover de rechtzinnige levensopvatting ook dat paardje in deze Kamer eenmaal bereden. Dat paardje is de afschaffing der slavernij, waarbij dan meermalen de gebruikelijke voorstelling gegeven wordt, alsof het de Gereformeerde theologen zijn geweest, die zich tegen de afschaffing van de slavernij verzet hebben en op hun zienswijze na de afschaffing van de slavernij later hebben moeten terugkomen. Dit is een geheel onware voorstelling van zaken. Als navolgers van de apostel Paulus, die in zijn brief aan Philemon deze heeft aangespoord om zijn slaaf Onesimus de volle vrijheid te geven, hebben de oude Gereformeerde theologen de afschaffing van de slavernij steeds bepleit. Ik breng ten bewijze daarvan alleen maar in herinnering, hoe scherp en nadrukkelijk ten onzent de beroemde professor Voetius de slavernij heeft veroordeeld. De opmerking van Zijne Excellentie, over sommige theologen en christenen gemaakt, raakt derhalve de onvervalste Gereformeerden niet. Zijne Excellentie was er geheel naast, toen hij de indruk wekte, dat de oude Gereformeerde theologen op dit punt gedraaid zijn. Zij zijn immer vóór de afschaffing van de slavernij geweest, In dit licht beschouwd, is het ook een ijdele gedachte, te denken of te hopen, dat de Staatkundig Gereformeerden ten aanzien van de Volkenbond nog wel eens zullen zwenken. Evenals toch onze Gereformeerde voorvaderen op Bijbelse gronden immer tegen de slavernij geweest zijn, evenzeer zijn de Staatkundig-Gereformeerden op Bijbelse gronden tegen de Volkenbond, Wij zijn op dit punt immer dezelfden geweest. Ook toen heel de Kamer er nog de grootste verwachtingen van had en in de kringen van de Anti-Revolutionnairen en Christelijk-Historischen er nog bidstonden voor gehouden werden, en wij om ons standpunt gehoond en uitgelachen werden, waren wij tegen die Bond, Ook toen reeds hebben wij zijn volslagen bankroet voorspeld.

Ik merk hierbij op, dat wij dit deden, niet uit eigen wijsheid, maar door Gods Woord geleerd. Wat anders dan mislukking kan men naar de Heilige Schrift verwachten van een bond, welke zonder God opgericht en voortgezet werd en waaiin Gods Woord contrabande en de menselijke rede het enig geldend richtsnoer was? Wat anders dan een totale mislukking?

Terecht heeft mr Groen van Prinsterer zulk een bond een tweede toorn van Babel genoemd. Terecht heeft hij hem als een product van revolutionnair maaksel scherp veroordeeld. En daaraan heeft de Minister-President zijn hart verpand. Hoezeer getuigt zulks van een zeer ver gaande verwatering der beginselen, als deze in zijn rede gisteren, hoewel hij het faillisement van de Volkenbond nadrukkelijk erkende, toch nog de Volkenbondsgedachte warm verdedigde.

Mr Groen van Prinsterer heeft meermalen opgemerkt, dat dit een kenmerkende eigenschap van een revolutionnair is, dat hij, wanneer hij zijn luchtkastelen in vlammen heeft zien opgaan, steeds maar weer zijn hoop op de toekomst richt en zich diets maakt, dat zijn droombeelden in de toekomst wel werkelijkheid zullen worden. Hoe zeer herinnerde Zijne Excellentie mij gisteren aan die woorden van mr Groen van Prinsterer, toen hij de hoop uitsprak, dat straks de Bond hernieuwd uit zijn as zal herrijzen. De Minister-President sprak toch de verwachting uit. dat die hernieuwde Bon'd slagen zal, als deze niet weder aan een verdrag als dat van Versailles gekoppeld zal worden en de overwonnenen direct na de stichting in die Bond opgenomen zullen worden, Hoe kan men, zelfs op humanistisch standpunt staande, zo zeer voor de werkelijkheid verblind zijn? De werkelijkheid is toch, dat de volken in de thans uitgebroken oorlog elkander beneden de wilde dieren bestrijden en dat de wereld met haat en wrevel vervuld is, welke er na het beëindigen van de oorlog ook nog zullen blijven. Daar is maar één antwoord op mijn even tevoren gedane vraag. Men wil er niet aan, wat Gods Woord van de gevallen mens zegt. Daartegen is de Franse Revolutie met haar leer in haat uitgebroken en daartegen breekt men nog maar steeds in vijandschap uit. Men weigert hooghartig de werkelijkheid te erkennenr^ Men weigert te aanvaarden hetgeen Gods Woord ons leert, wanneer het van de gevallen mensheid zegt; Er is niemand die verstandig is, niemand die goed is, niemand die rechtvaardig is, niemand die God zoekt; ook niet tot één toe. Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen; welker mond is vol van vervloeking en bitterheid; hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in hun wegen en de weg des vredes hebben zij niet gekend; daar is geen vreze Gods voor hun ogen.

Wat anders dan ellende en vernieling, verwarring en verwoesting, dan oorlog en bloedvergieten is er te V rwachten, wanneer de vreze des Heeren, het beginsel van alle wijsheid, ontbreekt. Men richte dan de ene Volkenbond na de andere op, men late daarvoor de edelste en verhevenste leuzen weerklinken, men houde er bij eigenwillige go> dsdienst nog al zo vele bidstonden voor; de uitkomst zal geen andere zijn dan oorlog en een verschrikkelijke slachting van mensen.

Mijnheer de Voorzitter! Ook wij wensen, dat de volkeren in vrede met elkander zullen leven, Gods Woord gebiedt de vrede na te jagen. Doch dit Woord leert ons even nadrukkelijk, dat deze slechts in de weg van de vreze des Heeren verkregen kan worden. Daar is geen heil van een bond of organisatie te verwachten, waarin Gods Woord contrabande is",

In dit debat kwam helder en klaar het grote verschil aan de dag, dat er in levensopvatting ook ten aan­ zien van het staatkundig terrein tussen de Anti-Revolutionnairen en Christelijk-Historischen enerzijds en de Staatkundig Gereformeerden an. derzijds bestaat. Daarom kan het voor studie en leidraad grotelijks van nut zijn om deze dingen uit ds historie nog eens weder naar voren te brengen, te meer nog, daar de beginselen noch der eerstgenoemden, noch der laatstgenoemden, in deze belangrijke punten gewijzigd zijn. De humanistische en daarom in wezen revolutionnaire theorieën zijn diep in de beginselen en in de praktijk der Anti-Revolutionnairen en Christelijk-Historischen doorgedrongen. Hun coalitie met Rome heeft daaraan niet weinig medegewerkt.

Onder het kabinet de Geer zijn nog enkele belangrijke geschilpunten sterk in het licht gesteld en een paar gewichtige aangelegenheden voorgevallen, welke ons nopen om daarover in een volgend artikel te schrijven. Met dat artikel, het twintigste, zullen wij dan bij leven en welzijn de geschiedenis der S.G.P, beëindigen om daarna tot een nadere beschrijving en uiteenzetting van de beginselen der S.G.P. over te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Banier | 8 Pagina's

De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1947

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken