Bekijk het origineel

De Beginselen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Beginselen

11 minuten leestijd

Voor studie en leidraad

der Stoatkund'ig Gereformeerde Partij

HAAR PROGRAM (56)

Artikel 36

Aan het slot van ons vorig artikel hebben wij opgemerkt, dat het hoogst bevreemdend, ja, zelfs in hoge mate tegenstrijdig is, dat dr Kuyper, en in na^'olging van hem de Anti-Revolutionnaire Partij, wel de bemoeiing van de overheid, desnoods met haar sterke arm en het geweld van het zwaard, ten aanzien van het mindere maar niet ten opzichte van het meerdere, wel met betrekking tot tijdelijke zaken, doch niet betreffende de zo veel gewichtigere, die het eeuwig belang van een mens raken, wel met de dingen, die de eer van een mens aangaan, maar niet met die, welke inzake de religie de ere Gods betreffen, willen. En dat dit zo en niet anders is, blijkt zowel uit het A.R. program als uit de door die party gevoirde praktijk, als niet minder uit de geschriften van haar geestelijke vader dr Kuyper. Wij behoeven wat het A.R. program en de A.R. praktijk aangaat slechts te wijzen op de dwang-verzekeringswetgeving en op de grote voorliefde welke haar voormannen daarvoor keer op keer weder betonen en op de dusgenaamde crisismaatregelen, waarbij met volledige goedkeuring van hen gestrenge, gewelddadige politiemaatregelen werden genomen. En wat de geschriften van dr Kuyper betreft, hoe wordt het daarin goedgekeurd, dat de overheid positie kiest inzake de goede zeden en de eerbaarheid en op dit stuk met al haar macht handelend optreedt. Men leze maar, om daarvan ten volle overtuigd te worden, onder meer wat dr Kuyper te dezer zake op de bladzijden 180 en 181 van zün boek- werk „De Gemene Gratie" (derde deel) geschreven heeft. Daar heeft hij het navolgende geschreven :

„Van de eerbaarheid moet hetzelfde (het vraagstuk van het pauperisme, waarover hij even tevoren gehandeld heeft) worden getuigd. In zwakker of in sterker mate vordert een ieder nog van de overheid, dat ze op het publieke terrein zekere eerbaarheid zal handhaven. Orde en veiligheid is niet genoeg; er moet ook menschelijke eer op het publieke terrein heerschen, en een leven als der dieren onder de menschen te dulden strijdt met elk begrip van de hooge roeping der overheid. Doch natuurlijk, om de eerbaarheid te kunnen handhaven moet de overheid dan toch een voorstelling bezitten van wat eerbaar en wat niet eerbaar is. Neutraliteit zou ook hier niet anders zijn dan alle eerbaarheid prijsgeven en steeds zou de meest schaamtelooze zijn dierlijke zin tot wet in het land stellen. Hoever mag de letterkunde op deze weg der schandelijkheid voortschrijden? Hoever mag de teekenstift gaan? Hoever de beeldhouwkunst? Welke houding aan te nemen tegenover de prostitutie? Wat te dulden en niet te dulden inzake het Neo-Maithusianisme? Natuurlijk worden deze vragen alleen gesteld met het oog op den publieken verkoop, publieke uitstalling, publiek optreden; ook met het oog op het tooneel. Doch ook zonder op één dezer aangelegenheden verder te willen ingaan, spreekt het toch vanzelf, dat de overheid ook ten deze met zelfbewustheid moet handelen, dat zij heeft te weten wat zij dulden en wat zij verbieden moet, en dat zij, om dit te weten, voor zichzelf de vraag niet ontwijken kan, waar de grenslijn ligt tusschen het eerbare en het eerlooze. En daar nu ook deze vraag de diepste beginselen van het zedelijk leven raakt, zoo volgt er uit, dat ze ook met het oog op de eerbaarheid in zedelijke vraagstukken partij heeft te kiezen.

Op dit alles wijzen wij slechts bij wijze van voorbeeld, omdat bij deze voorbeelden de noodzakelijkheid van partij kiezen in de zedelijke vraagstukken voor ieder in het oog springt. Maar meer dan voorbeelden waren het niet. Feitelijk toch is er geen wet denkbaar, of er komen altoos zedelijke vraagstukken bij in het spel; de eene maal meer verborgen, de andere maal meer openbaar; maar toch altoos zoo, dat er bijna geen wet van eenige beteekenis kan worden uitgevaardigd, of, wijl ze met menschen en menschelijke gedragingen in aanraking komt, komt ze ook in aanraking met 's menschen zedelijke positie. Geheel de voorstelling, alsof de overheid boven de geestelijke partijen stond en zich haar onderlinge geschillen niet had aan te trekken, is uit dien hoofde ten eenenmale onhoudbaar. 'Dit mocht een tijdlang zoo schijnen, toen de overgroote meerderheid althans over de groote zedelijke vraagstukken door overlevering nog eenstemmig dacht. Maar hoe verder wij komen, hoe meer ook die zedelijke eenstemmigheid tot de illusiën blijkt te behoren. Niet alleen kerkelijk en wijsgeerig, niet alleen religieus en aesthetisch, maar ook ethisch be­ gint al meer het „zooveel hoofden, zooveel zinnen" regel te worden. Ook op zedelijk gebied worden al meer de meest tegenstrijdige opinion verkondigd. En daar nu de overheid schier eiken dag met één of meer dezer zedelijke vraagstukken in aanraking komt, kan ze op zedelijk terrein geen blank papier zijn. Ze moet op zedelijk terrein een overtuiging hebben en kan niet anders dan op ethisch gebied telkens en telkens kleur bekennen."

H oe bevreemdend en tevens hoe tegenstrijdig is het, dat dr Kuyper en met hem de Anti-Revolutionnaire Partij, voorstaat, dat de overheid op zedelijk terrein geen blank papier heeft te zijn en dat zij daarop telkens en telkens kleur bekent, maar dat zij op het religieus gebied — het zoveel gewichtigere — als dienaresse Gods maar heeft te laten groeien wat groeit, zich afzijdig heeft te houden en geblinddoekt heeft te gaan, ook al wordt in het openbaar Gods Naam nog al zo schandelijk gelasterd. Op het religieus terrein geldt het bij de Anti-Revolutionnairen:

„Zelfs of zulk een vereeniging de naam van kerk of gemeente of genootschap aanneemt, moet de staat om het even zijn. Ja al wilde zich een kerk van atheïsten vestigen; men zou ze moeten laten begaan."

(Ons Program, bladzijde 196) en „Zelfs indien Rome nog tienmaal sterker en grievender dan tot dusver ons tergde en hoonde, dan zou het ons nóg voegen, stiptelijk kalm en koel van hoofd te blijven, en nooit een stroobreed af te wijken van ons beginsel, dat niet-inmenging van de overheid tot ricHTsnoer stelt op het terrein van de geopenbaarde godsdienst."

(Ons Program, bladzijde 197); op het zedelijk gebied geldt het bij de A.R. — om nu maar van het sociale probleem, waar de tegenstrijdigheid stellig al niet minder scherp en klaar aan het licht treedt, te zwijgen — dat de overheid geen blank papier zal zijn, telkens en telkens kleur zal bekennen, met zelfbewustheid zal handelen en door wetgeving en de haar ten dienste staande middelen uit het publieke leven zal weren, wat de eerbaarheid schaadt, want er moet ook menselijke eer op het publieke terrein heersen, ook al wensen zij te dien aanzien een zo groot mogelijke vrijheid, door de overheid betracht te zien.

H et zal de opmerkzame lezer allicht niet ontgaan zijn, dat in dit vrij lange en uitvoerige citaat van dr Kuyper, waarin deze over de eerbaarheid en haar handhaving door de overheid op het publieke terrein handelt, wel over de „menselijke eer" maar met geen woord over Gods eer gerept wordt; hetgeen bij een iegelijk mens, stellig toch wel bij een Gereformeerde, voorop behoort te staan. Dit typeert heel dr Kuypers betoog. Hierin wordt ons wel een kenmerkend onderscheid met Calvijn g»^ boden, die overal en te allen tijde in zijn geschriften de ere Gods op de voorgrond plaatst, zo zeer zelfs, dat hij al het andere daaraan, namelijk aan die ere, heel de wereld ondergeschikt maakt en dienovereenkomstig geregeerd wenst te zien. Dat hier de menselijke eer zo door dr Kuyper naar voren gebracht is, is, bij wijze van spreken, niet bij geval geschied. Dit past geheel in het Anti-Revolutionnair systeem. Men denke aan de wet van mr. Donner, waarin de godslastering als zodanig niet strafbaar gesteld is, maar slechts indien zij geschiedt op een voor de mens krenkende wijze. Evenzeer kan het iemands aandacht getrokken hebben, dat dr Kuyper in het door ons aangehaalde citaat zo met nadruk geschreven heeft, „dat de overheid ook ten deze met zelfbewustzijn moet handelen", te meer, waar, zoals hij zelf geschreven heeft, op zedelijk gebied de meest teenstrijdige opiniën verkondigd worden en al meer het te dien aanzien regel begint te worden: , , Zoveel hoofden, zoveel zinnen". De vraag doet zich hierbij als vanzelf voor, wat onder dat zogenoemde zelfbewustzijn" verstaan moet woren. Dit moet toch niet uit 't hart sn het brein van de overheidspersonen elf voortkomen. Dan is het al vast elemaal mis. Zeer naar waarheid eeft artikel 36 gesteld, dat de overeid uit oorzaak van de verdorveneid van het menselijk geslacht is inesteld. Onder die algemene verdorenheid van het menselijk geslacht allen toch ook de overheidspersonen. aarom is hun hart al evenzeer verard, hun verstand even goed veruisterd en hun wil niet minder vereerd dan dit bij alle mensen het geal is. Daarom kan het „zelfbewustijn" van een overheidspersoon niet anvaard worden als het regelende n wetgevend element op het gebied er zeden; evenmin als het als maattaf gevend op enig ander terrein an het menselijk leven aanvaard an worden. Dit deksel is, om in de aal der Heilige Schrift te spreken, te ort en dat bed is te smal. Ook beomt men al evenmin 'n goede maattaf en deugdelijke regel, als men dit , zelfbewustzijn" aan of in de consiëntien der overheidspersonen bindt oals artikel 3 van het A.R. program it doet, waar zij de naleving van de euwige beginselen van Gods Woord n de consciëntiën der overheidsperonen bindt. Er zijn toch talloze verheidspersonen, die zulk een ruim eweten hebben, dat, zoals Rhuterord in zijn brieven schrijft, daarin eel gemakkelijk een grote katheraal-kerk in om kan draaien. oe gans anders hebben onze Gereormeerde vaderen gehandeld als zij et regeringsbeleid van de overheidsersonen in artikel 36 onvoorwaardeijk aan Gods Woord gebonden heben, zonder daarbij ook maar in het inste rekening te houden met hun elfbewustzijn of hun consciëntie, eneinde God van een iegelijk, om het ven of hij overheidspersoon of onerdaan is, geëerd en gediend zou orden, gelijk Hij in Zijn Woord geiedt. Geheel naar Gods Woord en et — zo stelden het de vaderen — iende het overheidsbeleid ingericht n daaraan in al zijn delen, zowel ten d anzien van religie als van zeden, onerworpen te zijn. Vandaar ook, dat ^ij in hun geschriften het bij voorturing de magistraatspersonen ten licht stelden, dat zij Gods Woord aarstig onderzochten, opdat zij aaruit zouden leren wat op het geied der religie geloof en wat ongeoof, wat zuivere en wat valse religie, n wat op het terrein der zeden eeraar en wat niet eerbaar is.

/__jie daar weder naar voren gebracht een kardinaal verschilpunt in zake artikel 86 tussen de oud- en neo-gereformeerde opvatting, dat zich ook mede daardoor laat verklaren cat onze vaderen geheel naar den Woorde Gods het ambt der overheiti zowel op de bijzondere als op de alge. mene genade Gods betrokken hebben en de neo-gereformeerden dit louter op de algemene betrekken. In onderscheidene artikelen hebben wij nu het zo geheel verschillende standpunt der oud- en der neo-Gereformeerden besproken en ons is daar. bij ten duidelijkste gebleken, dat er een onoverbrugbare kloof tussen de levens- en geloofsovertuiging van de Reformatoren en dr Kuyper, tussen die van de A.R.P. en de S.G.P. inzake het ambt van de overheid bestaat. Wij hebben daarin kunnen waarne men hoe de Reformatoren en de oude Gereformeerde theologen en scriben. ten hun overtuiging aangaande het ambt van de overheid geheel op Gods Woord gegrond hebben en hoe de Li bertijnen hen bestreden hebben. Daarin gevolgd door dr Kuyper, die zich in zijn bestrijding zo zeer met de Libertijnen vereenzelvigd heeft, dat hij zich van dezelfde wapens bediend heeft als waarmede zij eertijds Calvijn en de zijnen bestreden hebben, Hierin is dr Kuyper zo ver gegaan, dat hij in deze een standpunt heeft ingenomen, dat ook dat van het A.E, program is, dat een buitenlandse ge leerde, met name prof. dr. Troeltsch, die in deze wel als een onpartijdige en bevoegde beoordelaar beschouwd kan worden, daarvan geheel naar •waarheid gezegd heeft, dat het het moderne klassiek-rationalistische na. tuurrecht van het liberalisme nabij is gekomen. In de overtuiging, dat wij nu in onze reeks van artikelen over artikel 36 beider standpunt, zowel dat van oudgereformeerden als dat van de neo-gereformeerden, zowel dat van Calvijn als dat van dr Kuyper, zowel dat van de A.R.P. als dat van de S.G.P. voldoende uiteengezet hebben, alsook dat wij daarbij afdoende hebben aangewezen op welke lichtvaardige, geheel onbijbelse gronden de Synode der Gereformeerde Kerken van 1905 de bekende 21 woorden uit de aloude Nederlandse Geloofsbelijdenis geschrapt heeft, kunnen wij met dit artikel onze besprekingen over artikel 36 besluiten.

Alleen achten wij het noodzakelijk nog een artikel te wijden aan de uitvoerbaarheid en uitvoering van het onverminkte artikel 36 en in één of meer artikelen te wijzen op de hoogst schadelijke gevolgen, welke de afschaffing en verminking van artikel 36 voor ons heeft gehad, welke alleen reeds genoegzaam redenen moesten zijn voor hen, die — welk dubbelhartige houding — In iiun kerk de oude belijdenis der vaderen belijden en in de politiek aan de leiband der neogereformeerden gaan, daarmede de praktijk der A.R. en hun program volgend, dat dwars tegen het onverminkte artikel 36 van de aloude Nederlandse Geloofsbelijdenis ingaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1950

De Banier | 8 Pagina's

De Beginselen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1950

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken