Bekijk het origineel

Correspondentie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Correspondentie

5 minuten leestijd

K. te S. vraagt ons of het waar is, dat men in de kringen der S.G.P., gelijk in zijn omgeving gezegd wordt, bang is voor de wetenschap en haar leringen. Wij antwoorden daarop, dat zulks aller^ minst het geval is. Integendeel. In de kringen der S.G.P. slaat men of behoort men althans de wetenschap hoog aan te slaan, en wel die wetenschap, welke met alle recht die naam kan dragen. Daar staat toch geschreven in Gods Woord, dat een volk door onkunde verloren gaat en de oude Gereformeerde theploge^i hebben bij voortduring betoogd, dat onkunde zonde is, hetgeen zij ook inderdaad is. Het is er dan ook verre vandaan, dat men in de kringen der S.G.P. bang is of bang behoort te zijn voor wetenschap. Wetenschap toch is een Godsgeschenk, een gave des Allerhoogsten Zelf; esn zaak van zeer hoge waarde, omdat zij uit God is, gewrocht is door Zijn Geest en Woord. Deze wetenschap is de enige, die haar naam met alle recht kan voeren, door niemand klein of gering geacht mag worden, al wordt zij dat door zeer velen wel gedaan, ja zelfs door sommigen als het summum van dwaasheid beschouwd. Zij is het erfdeel dergenen, die God vrezen, want de Heere getuigt in Zijn Woord, dat al Zijn kinderen van Hem geleerd zullen worden. En welke leermeester kan nu in wetenschap en kennis de alleen wijze God evenaren? En op vi'elke school doet men zulk een kennis en wetenschap op dan op die school, waarop de Heere Zelf de Leermeester is?

Het is dan ook niet dan grove onwaarheid, die het element van laster in zich bevat, als men beweert, dat de S.G.P. beducht is voor wetenschap. Zij prijst deze daarentegen openlijk aan en verklaart, dat een ieder verplicht is haar te zoeken; waarbij zij als de enige juiste stelregel huldigt, dat de vreze Gods het beginsel van alle wetenschap en wijsheid is.

Gans anders is het gesteld ten opzichte van wat de apostel Paulus de dusgenaamde wetenschap noemt. Inderdaad, daar is men in de kringen der S.G.P. bang vooi, of behoort men althans bang voor te zijn. Op grond van Gods Woord heeft de S.G.P. te verwerpen die kennis, welke opgeblazen maakt, om het even onder welke vorm zij wordt aangediend of door welke personen, eenvoudigen ot professoren, zij wordt voorgestaan en uitgedragen.

Gewis, die kennis en wetenschap, welken uit ongeloof en hoogmoed voortkomen, heeft zij met aUe beslistheid af te wijzen, al wordt zij door nog al zulke vermaarde wijsgeren en beroemde hoogleraren voorgedragen. In deze dient voor haar het Woord Gods te gelden, dat zij niet iedere geest heeft te geloven, maar deze te beproeven heeft of ze uit God zijn. Neen, de S.G.P. behoort niet het oor te lenen aan enig wijsgerig stelsel of aan enige wetenschappelijke theorie, ook dan niet als deze in naam van dè wetenschap door geleerden met wereldberoemde namen geleraard worden. Zeer naar waarheid is er in de oude Christelijke kerk en die der Reformatie getuigd, dat die wetenschap, welke niet uit God is en nochtans zich als dè wetenschap aandient, waaraan een ieder verplicht is geloof te slaan en zich aan haar inzichten te onderwerpen, in grond en wezen Gode-onterend, zielsverdervend en menigmaal goede zeden verwoestend is. Zulke wetenschap — men doet er zeer goed aan daarop ter dege acht te slaan — hoe hoog zij ook opgevijzeld mag worden door degenen, die haar aan de markt gebracht hebben, geldt maar voor een zekere tijd. Straks staan er op, die de in haar tijd zo hoog geroemde wetenschap voor onwetenschappelijk verklaren, haar dienovereenkomstig zelfs met spot en schimp overladen en haar als waanwijsheid op zijn scherpst veroordelen.

In deze is het wel zeer merkwaardig, dat het inzicht in de dusgenaamde wetenschappehjke kringen vrijwel met iedere eeuw, soms met een kwarteeuw 'zelfs, wisselt. Wat de geleerden dezer wereld in de ene eeuw als dè wetenschap verkondigd hebben, wordt door de soortgelijke geleerden in een volgende eeuw dikwerf zo al niet als dwaasheid, dan toch als voor de rechtbank der wetenschap niet te kunnen bestaan verworpen. Daarenboven heeft het zeer veel te zeggen, dat wat de ene school of academie als vvdjsheid leert, door de andere als dwaling veroordeeld wordt. Hetgeen echter niemand, die met Gods Woord ook maar enige rekening houdt, behoeft te verwonderen. Wat wijsheid toch kan daar in der waarheid bestaan, waar Gods Woord verworpen, niet als de bron van alle wijsheid, als het richtsnoer, waarnaar alles geregeld moet worden en ook het inzicht der wetenschap zich heeft te regelen, erkend wordt. Zo kunnen wij dan de beantwoording van de tot ons gerichte vraag besluiten met te verklaren, dat men in de kringen van de S.G.P. niet bang is, of althans niet bang behoort te zijn voor dè wetenschap en haar leringen, doch dat men er wel bang is, althans behoort te zijn, voor de dusgenaamde wetenschap, dewijl de eerste tot heü en behoud van de mens, de tweede tot diens verderf en ondergang strekt, de eerste de waarheid en de wetenschap aller eeuwen, de tweede de waan en de waanwijsheid van een zekere tijd of eeuw bevat, de eerste uit de alleen wijze God is en de tweede uit de mens, van wie de Heidelberger Catechismus ons leert, dat hij onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad is en Gods Woord ons getuigt, dat onder al de mensen er niemand is, die goed is en goed doet en dat zonder wedergeboorte al zijn werken uit ongeloof en hovaardij voortkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1952

De Banier | 8 Pagina's

Correspondentie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1952

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken